- 65% van alle leukocyten - ze kunnen zichtbaar gemaakt worden door kleurstoffen - op de plaats van de infectie fagocyteren ze de pathogenen; meestal gaan ze hierbij ook dood - levensduur van enkele dagen
3
New cards
macrofagen:
- grote leukocyten die zich uit monocyten ontwikkelen - kunne micro-organismen effectief opruimen, zonder daar zelf door dood te gaan - in bepaalde weefsels en organen leven permanent macrofagen: puffercellen in de lever, microgliocyten in CZS en macrofagen in lymfeknopen, milt en losmazig bindweefsel
4
New cards
eosinofiele granulocyten:
- bevatten in hun granula celafbrekende enzymen waarmee ze meercellige parasitaire ziekteverwekkers, zoals wormen, aanvallen - in grote aantallen bedekken ze de buitenkant van de parasiet en storten de enzymen hierover uit - vertoont nauwelijks fagocytose
5
New cards
NK-cellen:
- lymfocyten die in de thymus gevormd zijn - vernietigen niet de ziekteverwekker zelf, maar doden de cellen die met virussen geïnfecteerd zijn - ruimen ook abnormale lichaamscellen op die zouden kunnen ontaarden in tumorcellen - komen af op bepaalde stoffen die door de afwijkende cellen worden afgegeven en nemen in korte tijd sterk in aantal toe. - maakt contact met de cel en geeft vervolgens bepaalde eiwitten af die de celmembraan afbreken; cel wordt vernietigd
6
New cards
complementsysteem:
- groep van 16 plasma-eiwitten die bij een besmetting omgezet worden in hun actieve vorm: complementcascade - ondersteunt en complementeert zowel de niet-specifieke als de specifieke immuniteit - bij activatie worden fagocyten aangetrokken en gestimuleerd, worden in samenwerking met antistoffen celmembranen van pathogene cellen afgebroken en wordt de ontstekingsreactie bevorderd
7
New cards
wat zijn interferonen?
- eiwitten die door allerlei lichaamscellen worden geproduceerd zodra zij geïnfecteerd worden door virussen - alarmstoffen die al heel snel door de cel worden afgegeven, nog voordat de immuniteit op gang is gekomen
wordt ook wel type-1-interferon genoemd - remmen de vermenigvuldiging van de virusdeeltjes in lichaamscellen, waardoor de virusspreiding door het lichaam wordt vertraagd - kunnen de geïnfecteerde cel niet redden, maar ze diffunderen naar naburige cellen. deze gezonde cellen reageren hierop door antivirale eiwitten te produceren
10
New cards
wat voor werking heeft gamma-interferon?
activeert en stimuleert vooral de nabijgelegen macrofagen en NK-cellen
11
New cards
wat is een ontsteking?
een natuurlijke en nuttige reactie van een weefsel op een beschadiging. beschadiging kan het gevolg zijn van een uitwendige trauma of veroorzaakt door een ziekteverwekkers
12
New cards
door welke 5 verschijnselen wordt ontsteking gekenmerkt?
- rubor - calor - dolor - tumor - functio laesie
13
New cards
welke stoffen worden afgegeven tijdens een ontstekingsreactie?
ontstekingsmediatoren: histamine, prostaglandinen, interferon en cytokinen
14
New cards
welke cellen geven histamine af?
leukocyten en mastocyten in het bindweefsel
15
New cards
wat is de functie van histamine?
- veroorzaakt zeer plaatselijke vasodilatatie van de kleinen bloedvaten, waardoor de doorbloeding in het aangedane gebied toeneemt. veroorzaakt rubor en calor rondom de wond - verhoging van de permeabiliteit van de omringende capillairen. hierdoor treedt er meer weefselvocht uit de bloedbaan en ontstaat er oedeem
16
New cards
door welke stof wordt de pijngevoel versterkt?
cytokinen
17
New cards
wat doen cytokinen?
een hormoonachtige stof die als boodschappermolecuul bij veel processen in het lichaam betrokken is. kan door elke lichaamscel geproduceerd worden, nadat de cel door een schadelijke prikkel hiertoe wordt aangezet
18
New cards
wat is de belangrijkste fase van een ontsteking?
de migratie van fagocyterende leukocyten naar de plaats van het onheil. komt binnen een uur na de verwonding op gang. komen mee met het extra weefselvocht en worden aangetrokken door bepaalde signaalstoffen. neutrofielen arriveren het eerst, gevolg door monocyten die zich ter plekke tot macrofagen transformeren
19
New cards
wat is een bijkomend verschijnsel bij een ontsteking?
pus; brijachtige vloeistof en bestaat uit resten van dode leukocyten, dode weefselcellen, dode en nog levende bacteriën en uitgetreden weefselvocht
20
New cards
wat is abces?
ophoping van pus in een afgesloten ruimte
21
New cards
wanneer treedt er functio laesie op?
als de ontsteking een groter gebied betreft
22
New cards
wat zijn pyrogenen?
koortsveroorzakers
23
New cards
hoe reageert het lichaam op pyrogenen?
het temperatuurcentrum in de hypothalamus reageert op de pyrogenen door de instelwaarde van de lichaamstemperatuur te verhogen
24
New cards
wat zie je aan de buitenkant van iemand die koorts heeft?
- bleek huid door vasoconstrictie - rillen - klappertanden
25
New cards
wat is de functie van vasoconstrictie tijdens koorts?
gaat warmteverlies tegen. spierbewegingen bij rillen en klappertanden proberen extra warmte op te wekken
26
New cards
waar zorgt een hogere lichaamstemperatuur voor?
- remt de groei van pathogenen - versnelt het fagocytoseproces - stimuleert weefselherstel
27
New cards
wat is specifieke immuniteit?
het immuunsyteem ontwikkelt na contact met de ziekteverwekker een specifieke immuniteit en kan het lichaam immuun maken voor eerder doorgemaakte infectie
28
New cards
welke 4 karakteristieken vertoont de werking van het immuunsysteem?
1. het immuunsysteem reageert op de aanwezigheid van antigenen 2. het immuunsysteem is gebaseerd op membraaneigenschappen van lymfocyten 3. het immuunsysteem reageert op een antigeen door antistoffen te maken, specifiek gericht tegen dat antigeen 4. het immuunsysteem heeft een geheugen
29
New cards
wat zijn antigenen?
stoffen die als lichaamsvreemd worden beschouwd en een afweerreactie van het immuunsysteem uitlokken.
30
New cards
hoe worden de antigenen gevormd?
ze worden gevormd door pathogenen of zitten vast aan de buitenkant van de celmembraan van lichaamsvreemde cellen
31
New cards
hoe kan het immuunsysteem antigenen herkennen?
lymfocyten hebben receptoren aan de buitenkant van hun celmembraan, waarmee ze antigenen kunnen opsporen en herkennen
32
New cards
wat is een ander naam voor antistoffen?
immunoglobulinen of antilichamen
33
New cards
hoe worden antistoffen geproduceerd?
door lymfocyten
34
New cards
hoe ontstaan lymfocyten?
uit bloedstamcellen in het rode beenmerg
35
New cards
in welke cellen worden lymfocyten verdeeld?
in B-lymfocyten en T-lymfocyten
36
New cards
wat voor rol heeft de thymus?
herkenning van lichaamseigen en lichaamsvreemde stoffen
37
New cards
hoe gebeurt de herkenning van lichaamseigen en lichaamsvreemde stoffen in de thymus?
1. thymocyten in de thymus worden blootgesteld aan lichaamseigen eiwitten; 2. thymocyten die afweerreacties vertonen tegen deze lichaamseigen eiwitten worden vernietigd, speelt al voor de geboorte af; 3. hierdoor wordt verhinderd dat er T-lymfocyten kunnen ontstaan die antistoffen tegen lichaamseigen cellen maken
38
New cards
waar gaan de 'veilige' thymocyten heen in het lichaam?
ze gaan vanuit de thymus, naar de rest van het lichaam en nestelen zich in alle lymfatische weefsels. ze blijven daar gedurende het hele leven nieuwe T-lymfocyten produceren door celdeling
39
New cards
wanneer worden de B- en T-lymfocyten actief in de lymfoïde organen?
als ze in contact komen met antigenen
40
New cards
wat maken de B-lymfocyten?
maken antistoffen, die de antigenen onschadelijk maken die vrij in het bloed, de lymfe en de weefselvloeistof circuleren. hierdoor krijgt het lichaam humorale immuniteit; geldt vooral mbt bacteriën, virussen en toxinen
41
New cards
met wat zijn B-lymfocyten uitgerust?
antigeenreceptoren op hun celmembraan. hebben een ruimtelijke vorm die past bij de molecuulstructuur van het antigeen
42
New cards
hoeveel soorten antigenen kunnen B-lymfocyten herkennen?
één soort antigen
43
New cards
wat gebeurt er wanneer B-lymfocyt in aanraking komt met zijn antigeen?
de B-lymfocyt koppelt hij de antigenen aan zijn receptoren vast. antigeen wordt dan herkend en B-lymfocyt gaat delen (mitose). er wordt een kloon gevormd
44
New cards
wat is klonale expressie?
snelle celvermeerdering. zo kunnen miljoenen B-lymfocyten ontstaan, die allemaal een antistof maken. de meeste klonne transformeren in plasmacellen.
45
New cards
wat zijn plasmacellen?
type leukocyten dat grote hoeveelheden immunoglobulinen kan maken (antistoffen)
46
New cards
wat is een primaire immuunreactie?
de klonale expansie, gevolgd door de productie van immunoglobulinen. dit treedt op wanneer het lichaam voor het eerst in contact komt met een bepaalde ziekteverwekker
47
New cards
een deel van de B-lymfocyten ontwikkelt zich tot plasmacellen, en wat nog meer?
B-geheugencellen; ze blijven in het lichaam circuleren en komen in actie bij een volgende infectie met hetzelfde antigeen: secundaire immuunreactie
48
New cards
hoeveel dagen duurt het bij een eerste besmetting voordat het immuunsysteem op gang komt?
3 tot 6 dagen
49
New cards
hoeveel dagen duurt het als het lichaam in contact komt met hetzelfde antigeen?
binnen 1-2 dagen
50
New cards
wat zijn de 5 groepen immunoglobulinen?
- IgA - IgD - IgE - IgG - IgM
51
New cards
IgM:
- wordt als eerst gevormd - kan kort na een infectie al in het blod worden aangetoond - hoeveelheid neemt daarna vrij snel weer af - ondertussen worden de andere immunoglobulinen gevormd, waarbij de hoeveelheid IgG het grootst is
52
New cards
IgG:
- vrij kleine moleculen, die gemakkelijk door capillairwanden heen gaan - worden ingezet tegen virussen, bacteriën en toxinen - kunnen als enige antistoffen via de placenta in het foetale bloed terechtkomen
53
New cards
IgA:
- worden vooral aangetroffen in slijmvliezen, waar ze het binnendringen van virussen en bacteriën verhinderen - zit ook in speeksel, zweet en tranen - ook in colostrum (eerste moedermelk), om de baby te beschermen tegen maagdarminfecties
54
New cards
IgE:
- worden normaal gesproken relatief weinig gevormd - speelt een rol bij worminfecties en acute allergische reacties - aanwezigheid van IgE is een prikkel voor mastocyten in het bindweefsel om ontstekingsmediatoren (vooral histamine) te produceren
55
New cards
IgD:
- zweeft niet vrij rond - meestal gebonden aan B-lymfocyten - functie is niet duidelijk; spelen vermoedelijk een rol bij de klonale expansie
56
New cards
hoe kunnen immunoglobulinen op 4 manieren ongewenste binnendringers onschadelijk maken?
1. immunoglobulinen gaan aan de buitenkant van virussen en bacteriën vastzitten: er wordt een antigeen-antistofcomplex gevormd
2. nadat immunoglobulinen zich aan bacteriën hebben gehecht, treedt er klontering op (agglutinatie): macrofagen ruimen de bacterieklonten op
3. immunoglobulinen hechten aan toxinen en aan elkaar
4. immunoglobulinen activeren bepaalde eiwitten van het complementsysteem: door zich aan de antigenen te hechten die op de celmembraan van de pathogene cel zit
57
New cards
antigeen-antistofcomplex
antistoffen blokkeren de bindingsplaatsen op de celmembranen van de pathogenen, waardoor deze de lichaamscellen niet meer kunnen binnendringen of aanvallen. macrofagen sporen de antigeen-anticomplex op en vernietegen ze
58
New cards
wat is de rol van T-lymfocyten?
hun rol is gebaseerd op hun vermogen om geïnfecteerde lichaamscellen en abnormale lichaamscellen aan te vallen
59
New cards
wat is cellulaire immuniteit?
immuniteit verkregen door T-lymfocyten. ook sprake van wanneer het lichaam afstotingsverschijnselen vertoont, bv na. een bloedtransfusie of orgaantransplantatie
- worden in lymfatische weefsels gevormd - vernietigen lichaamscellen die met virussen geïnfecteerd zijn, als ze op het celmembraan twee structuren herkennen - elke T-lymfocyt is gespecialiseerd in één type antigeen
62
New cards
welke twee structuren op het celmembraan wordt herkend om het te vernietigen?
1. een antigeen van het binnengedrongen virus 2. een of meerdere specifieke lichaamseigen receptoreiwitten
63
New cards
wat is een T-geheugencel?
- als een cytotoxische T-cel in actie komt, valt hij niet alleen een prooi aan, maar gaat hij ook delen. er ontstaan dan veel identieke cellen, deels om geïnfecteerde cellen te vernietigen en deels als T-geheugencellen om in het lichaam te blijven - bij een volgende besmetting met hetzelfde virus kunnen geïnfecteerde cellen sneller herkend worden
64
New cards
wat is een T-helpercel?
- ontwikkelen in lymfoïde organen - spelen een rol bij humorale en cellulaire immuniteit - ook vaak CD4-cellen genoemd - worden geactiveerd door macrofagen die bezig zijn geïnfecteerde cellen te fagocyteren - terwijl ze in actie zijn, geven macrofagen interleukinen af, om hulp te roepen. interleukinen behoren tot cytokinen - als reactie op interleukinen gaan T-helpercellen delen en geven ze zelf ook interleukinen af, die enerzijds de cytotoxische T-cellen harder aan het werk zetten en anderzijds de B-lymfocyten tot hogere activiteit aanzetten
65
New cards
wat is een T-suppressor cel?
speelt een rol bij het uitschakelen van het immuunsysteem op het moment dat er geen antigenen meer in het lichaam aanwezig zijn
66
New cards
wat is immunisatie?
stoffen die in het lichaam gebracht worden die het lichaam helpen om immuun te worden
67
New cards
wat valt er onder immunisatie?
actieve en passieve immunisatie
68
New cards
wat is actieve immunisatie?
- verzwakte ziekteverwekker wordt in het lichaam gebracht. - hierdoor wordt het immuunsysteem geactiveerd en wordt de immuniteit opgebouwd - bv vaccinatie
69
New cards
wat is passieve immunisatie?
- immunoglobulinen worden in het lichaam gebracht - immunoglobulinen zullen de pathgonen opruimen, maar er wordt geen immuniteit ontwikkeld - gebeurt bv wanneer een zorgvrager ernstig is verzwakt en zelf geen immuniteit kan opbouwen - of de baby krijgt via de placenta moederlijke immunoglobulinen, die de eerste tijd na de geboorte bescherming kan bieden
70
New cards
ABO-bloedgroepsysteem:
bloedgroep A - antigeen A - antistof B
bloedgroep B - antigeen B - antistof A
bloedgroep AB - antigeen A en B - geen antistoffen
bloedgroep 0 - geen antigenen - antistof A en antistof B
71
New cards
wanneer treedt er agglutinatie op?
wanneer bloedplasma met antistoffen in contact komt met de verkeerde erytrocyten
72
New cards
wat is resuspositief?
iemand met het resusantigeen (RhD-positief)
73
New cards
wat is resusnegatief?
iemand die het antigeen niet heeft (RhD-negatief)
74
New cards
kunnen resusnegatieve mensen antistoffen maken tegen resuspositief?
als de bloed van resusnegatieve mensen niet in contact geweest is met resuspositief bloed, hebben ze geen antistoffen tegen het resusantigeen. pas wanneer resusnegatief bloed in contact is geweest met resuspositief bloed, worden er antistoffen gemaakt
75
New cards
heeft een resuspositieve moeder negatieve gevolgen voor een resusnegatieve baby?
wanneer het eerste kind van een RhD-negatieve moeder RhD-positief is, is er een kleine kans dat de moeder tijdens de zwangerschap RhD-antistoffen gaat vormen. bij de geboorte komt er meestal wat bloed van de baby in de moederlijke circulatie terecht. moeder gaat antistoffen maken, wat gevaarlijk kan zijn voor een eventueel volgend RhD-positief kind.
76
New cards
wanneer krijgt de moeder anti-RhD-immunoglobuline injectie tijdens de zwangerschap?
in de 30e week - als de moeder RhD-negatief is en het kind RhD-positief. - na de bevalling krijgt de moeder nog een injectie
77
New cards
welke 3 vormen van afweer zijn er?
- lokale barrières; aan het lichaamsoppervlak - fagocytose; aspecifieke pacmans - immunoglobulinen; specifieke afweereiwitten
78
New cards
wat is een steriele ontsteking?
komen doordat weefsels op andere schadelijke prikkels reageren dan op ziektekiemen
79
New cards
wat is een hematogene besmetting?
besmetting via gebruikte naalden of operatiemesjes
80
New cards
steriele ontstekingen zijn reacties op:
- mechanisch letsel: vallen, verkeersongelukken - fysische schade: hitte, kou en straling - chemische schade: alcohol, rook - allergenen: penicilline, jodiumverbindingen - auto-immuniteit: afweer tegen eigen weefsels
81
New cards
waarom heb je malaise tijdens een ontsteking?
deels door afvalstoffen uit de beschadigde weefsels en ook het opruimen en herstellen van de schade vraagt extra energie
82
New cards
wat is leuko(cyto)penie?
te weinig leukocyten door bv chemokuren. weerstand wordt afgenomen, waardoor patiënt vatbaarder wordt voor ziektekiemen
83
New cards
wat is leukocytose?
meer leukocyten, wat meestal een normale reactie bij infecties. extra leukocyten schakelen indringers uit
84
New cards
wat is infiltraat?
een ophoping van ontstekingsvocht tussen de cellen in de weefsels
85
New cards
wat is catarre?
een slijmvliesontsteking: slijmvlies is rood, warm, gezwollen en geïrriteerd. kan ook leiden tot een ophoping van helder ontstekingsvocht
86
New cards
kunnen catarres en infiltraten genezen?
ja, maar kunnen ook overgaan tot abces of empyeen als er veel leukocyten in de strijd ten onder gaan.
87
New cards
wat is empyneem?
een ophoping van pus in een tevoren bestaande holte, bekleed met slijmvlies
88
New cards
wat is een fistel?
vanuit een abces of empyneem kan een fistel overblijven. dit is een slijmvlies bekleed gangetje dat loopt naar huid of lichaamsholte. een abnormale verbinding tussen een holte en de huid of tussen twee holten
89
New cards
wanneer kan een sepsis optreden?
doordat het abces of empyneem doorbreekt naar de bloedbaan. bacteriën verspreiden zich dan via het bloed en vermenigvuldigen zich overal. kan een algehele vasodilatatie veroorzaken
90
New cards
wat is een sepsis?
SIRS + vermoedelijke infectiebron
91
New cards
wat is contractuur?
een dwangstand van een lichaamsdeel door schrompelend weefsel. ontstaat bij de vorming van littekens, die taaie vezels bevatten
92
New cards
wat is stenosering?
steeds meer strakke bindweefsel vezels in plaats van soepel weefsel rondom
93
New cards
wat is de volgorde van handelen bij ernstige infecties?
1. afnemen te kweken lichaamsvocht: starten met antibiotica kan de kweek verstoren
2. breedspectrumantibiotica toedienen binnen 1 uur: snel veel verwekkers uitschakelen
3. zo nodig na gevoeligheidsbepaling/kweekuitslag gericht smallspectrumantibioticum toedienen
94
New cards
wat is de behandeling van bepaalde micro-organismen?
- antibiotica (amoxycilline of gentamycine) = tegen bacteriën - virostatica (zovirax of HIV-remmers) = tegen virussen - antimyotica (daktarin) = tegen schimmels - antiprotozoïca (kinine of lariam) = tegen protozoën - antihelmintica (vermox) = tegen wormen
95
New cards
wat is SIRS?
systemic inflammatory response syndrome
96
New cards
welke verschijnselen komen voor bij SIRS?
- koorts > 38,3 of hypothermie < 36 - hartfrequentie >90/min - ademfrequentie >20/min -leukocyten aantal >12 miljard/L of
97
New cards
wat is er sprake van bij een septische shock?
als er hypotensie is ondanks adequate vulling. bloed blijft lager dan 90/40 mmHg
98
New cards
wat zijn de oorzaken van sepsis en septische shock?
- luchtweginfectie, urineweginfectie, wondinfecties, darmnecrose en meningitis - diepe lijnen, thoraxdrains en katheters voor peritoneaal dialyse zijn ingangspoorten van ernstige infecties - immunosuppressie door bv cytostatica, corticosteroïden of aids
99
New cards
wat zijn de verschijlen bij SIRS en sepsis?
- begint vaak met een rode, warme huid en koorts - vasodilatatie veroorzaakt bloeddrukdaling --> gemeten door barosensoren --> prikkelen hersenstam --> extra adrenaline --> hartslag opjagen --> pompt bloed snel rond door de verwijde vaten - als de infectie aanhoudt, komt de patiënt in een grauwe fase met hypothermie; door slechte circulatie - ondervulling, zwak hart en slechte weefseldoorbloeding versterken elkaar
100
New cards
wat zijn de complicaties bij een sepsis en SIRS?
- ontstaan van hersenschade - verwardheid en sufheid - nierfalen; oligurie en anurie zijn eerste tekenen - lage bloeddruk en tachycardie - verspreide beschadiging van kleine vaatjes en trage bloedstroom stimuleren de bloedstolling - vochtlekkage uit longcapillairen leiden tot ARDS - combinaties van bovenstaande problemen zijn ook mogelijk = multi organ failure (MOF)