1/62
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
agir
handelen
approfondir
verdiepen
atterrir
landen (vliegtuig)
avertir
verwittigen
bĂątir
bouwen
démolir
afbreken
envahir
binnenvallen (oorlog)
sâĂ©panouir
zich ontplooien
sâĂ©vanouir
flauwvallen
franchir
overschrijden
fournir
leveren
garantir
verzekeren
guérir
genezen
nourrir
voeden
obéir
gehoorzamen
punir
straffen
raccourcir
verkorten
se refraichir
zich verfrissen
ralentir
vertragen
réunir
samenbrengen
saisir
begrijpen, vastgrijpen
salir
vuil maken
trahir
verraden
consentir
instemmen
démentir
ontkennen
sâendormir
in slaap vallen
ressentir
voelen
se servir de
gebruik maken van
entrouvrir
op een kier zetten
souffrir (de)
lijden (aan)
confondre
verwarren
se détendre
zich ontspannen
sâentendre avec
goed overeenkomen
étendre
(ver)spreiden
sâĂ©tendre
zich uitstrekken, neerliggen
fondre
smelten
mordre
bijten
pendre
ophangen
se rendre
zich overgeven
se rendre Ă
zich begeven naar
se rendre compte de
beseffen
suspendre
ophangen, schorsen
tendre
aanreiken, strekken
tordre
draaien, wringen
se tordre
kronkelen, verstuiken
se conduire
zich gedragen
déduire
afleiden
instruire
onderwijzen, opleiden
nuire Ă
schaden, schade toebrengen
se produire
gebeuren, optreden
reconduire
terugbrengen
reproduire
kopiëren, weergeven
séduire
verleiden
atteindre
bereiken
contraindre
dwingen
craindre
vrezen
enfreindre
overtreden (de wet)
déteindre
verkleuren
sâĂ©teindre
uitdoven, sterven
feindre
veinzen, doen alsof
joindre
bereiken, samenvoegen
plaindre
beklagen
rejoindre
terugkeren naar