1/73
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Ecologie
De wetenschap die bestudeert hoe organismen met elkaar en met hun omgeving interacteren.
Biosfeer
Het mondiale ecosysteem; alle ecosystemen op aarde samen. Het gedeelte van de Aarde waar leven mogelijk is en bevindt zich in de hydrosfeer, de atmosfeer en de lithosfeer.

Biomen
Grote geografische gebieden met een bepaald klimaat en karakteristieke vegetatie.

Microklimaat
Kleine verschillen in klimaat op lokale schaal (bijv. verschil in licht of wind tussen plekken).
Abiotische factoren
Niet-levende omgevingsfactoren zoals temperatuur, licht, water en nutriënten.
Biotische factoren
Levende componenten van een ecosysteem die invloed hebben op organismen zoals parasieten, predatie, concurrentie, mutualisme.
Organisme-ecologie
Onderzoek naar hoe individuele organismen reageren op hun omgeving.
Populatie
Groep individuen van dezelfde soort die in hetzelfde gebied leven.
Populatie-ecologie
Onderzoek naar factoren die populatiegrootte en -dynamiek beïnvloeden.
Levensgemeenschap ecologie
Onderzoek naar interacties tussen verschillende soorten.
Ecosysteem
Levensgemeenschap van organismen + de abiotische omgeving.
Ecosysteemecologie
Interactie tussen organismen en hun fysieke omgeving.
Landschapsecologie
Uitwisseling van organismen en energie tussen ecosystemen.
Mondiale ecologie
Onderzoek naar processen op schaal van de biosfeer (alle ecosystemen op aarde)

Trofisch niveau
Positie van een organisme in een voedselketen.
Primaire producenten
Autotrofe organismen die energie uit zonlicht of chemische bronnen gebruiken om organische stoffen te maken.
Primaire consumenten
Herbivoren die producenten eten.
Secundaire consumenten
Carnivoren die herbivoren eten.
Tertiaire consumenten
Carnivoren die andere carnivoren eten.
Detritivoren
Organismen die energie halen uit dood organisch materiaal.
Reducenten
Organismen zoals bacteriën en schimmels die organisch materiaal afbreken tot anorganische stoffen.
Voedselketen
Lineaire reeks organismen waarin energie wordt doorgegeven via voedsel.
Voedselweb
Complex netwerk van meerdere voedselketens.
Intersoortelijke interactie
Interacties tussen verschillende soorten.
Competitie
Interacties waarbij soorten concurreren om beperkte hulpbronnen.
Competitieve exclusie
Principe dat twee soorten met dezelfde niche niet permanent samen kunnen bestaan.
Predatie
Interacties waarbij een predator een prooi doodt en eet.
Herbivorie
Interacties waarbij een dier planten eet.
Symbiose
Nauwe relatie waarbij twee soorten langdurig samenleven.
Parasitisme
Symbiotische relatie waarbij een parasiet voordeel heeft en de gastheer nadeel ondervindt.

Endoparasiet
Parasiet die in het lichaam van de gastheer leeft.

Ectoparasiet
Parasiet die op het lichaam van de gastheer leeft.

Mutualisme
Symbiotische relatie waarbij beide soorten voordeel hebben.

Commensalisme
Relatie waarbij één soort voordeel heeft en de andere geen merkbaar effect ondervindt.

Facilitatie
Interactie waarbij één soort de leefomgeving gunstiger maakt voor een andere soort.
Ecologische niche
De specifieke rol van een soort/ populatie in het ecosysteem (beroep) en het geheel aan hulpbronnen en omstandigheden die essentieel zijn voor overleving, groei en voortplanting.
Habitat
De fysieke plaats waar een organisme leeft (adres).
Resource partitioning
Soorten kunnen naast elkaar bestaan doordat ze verschillende delen van de niche gebruiken (en competitie vermindert).
Fundamentele niche
Alle omstandigheden waarin een soort theoretisch kan leven.
Gerealiseerde niche
Het deel van de fundamentele niche waarin een soort daadwerkelijk voorkomt.
Evolutie
Verandering in erfelijke eigenschappen van populaties over generaties.
Natuurlijke selectie
Proces waarbij individuen met gunstige eigenschappen een betere overlevings- en voortplantingskans hebben + meer nakomelingen krijgen (die eigenschappen worden doorgegeven de volgende generatie).
Genetische variatie
Verschillen in eigenschappen (genetisch materiaal) tussen individuen binnen een populatie of een soort.
Mutaties
Willekeurige veranderingen in DNA die nieuwe eigenschappen kunnen veroorzaken; voordelige mutatie = behouden door natuurlijke selectie.
Fitness
Het vermogen van een organisme om zich voort te planten en nakomelingen te produceren.
Adaptatie (aanpassing)
Erfelijke eigenschap die het overleven en voortplanten bevordert.
Geografische isolatie
Scheiding van populaties door fysieke barrières zoals bergen of rivieren.
Biodiversiteit
De totale variatie van leven op aarde.
Genetische diversiteit
Variatie in genen binnen een soort, populatie, ecosysteem.
Soortendiversiteit
Variatie in soorten binnen een ecosysteem.
Ecosysteemdiversiteit
Variatie in ecosystemen binnen een gebied.
Functionele diversiteit
Variatie in ecologische functies van soorten in een ecosysteem. Dit zijn kenmerken die beschrijven hoe een plant functioneert en in interactie staat met het milieu en met andere planten (fotosynthesesnelheid, hoogte, bladoppervlak, bloeiwijze)
Abundantie
Relatieve hoeveelheid individuen van een soort in een ecosysteem (bijv. aantal loofbomen vs. aantal naaldbomen in een bos).
Shannon diversiteitsindex
Index die soortendiversiteit meet op basis van soortenrijkdom en abundantie.
Energie (ecosysteem)
De stroom van energie door een ecosysteem, één richting.
Massa (nutriënten) ecosysteem
Circuleert in kringlopen
Trofische efficiëntie
Percentage energie (10%) dat wordt overgedragen van het ene trofische niveau naar het volgende.

Ecologische piramide
Grafische weergave van energie uitstroom en doorgifte per trofisch niveau.
Trofische cascade
Effect waarbij veranderingen in één trofisch niveau invloed hebben op andere niveaus.
Biomanipulatie
Beheerstrategie waarbij voedselwebben worden aangepast om ecosystemen te herstellen.
Dominante soort
Soort met de meeste individuen (meest competitief bij benutten hulpbronnen of succesvol vermijden predatoren) of met de grootste biomassa.
Keystone species
Soort met een disproportioneel grote invloed op de structuur van een ecosysteem (wolven, olifanten, bijen).
Ecosystem engineer
Organisme dat de fysieke omgeving verandert en daarmee andere soorten beïnvloedt (bever).
Verstoring
Gebeurtenis die organismen verwijdert of de beschikbaarheid van hulpbronnen verandert (natuurlijke & menselijke verstoringen..).
Nonequilibrium model
Model waarin ecosystemen voortdurend veranderen door verstoringen (laag, matig en hoog niveau verstoringen).
Intermediate disturbance hypothesis
Ecologische successie
Geleidelijke verandering in soortensamenstelling in een ecosysteem.
Primaire successie
Successie die begint op een plek zonder bodem (lava, gletsjer).
Secundaire successie
Successie die plaatsvindt na verstoring waarbij bodem aanwezig blijft (na een bosbrand).
Pioniersoorten
Soorten die als eerste een nieuw of verstoord gebied koloniseren.
Decompositie
Afbraak van organisch materiaal door bacteriën en schimmels.
Nutriëntencyclus
Kringloop waarin voedingsstoffen door ecosystemen circuleren (stikstof, fosfor, CO2, water).
Factoren die decompositie beïnvloeden
Temperatuur (bepaalt snelheid van afbraak)
Vocht (water beïnvloedt acitiviteit van decomposers)
Nutriëntenbeschikbaarheid (voedingsstoffen beïnvloeden afbraaksnelheid).

Range shift
Verandering in verspreidingsgebied van een soort door klimaatverandering.