Send a link to your students to track their progress
221 Terms
1
New cards
Natuurlijke taal
Een natuurlijke taal is een taal die je spontaan ontwikkelt. Ze wordt gebruikt binnen bepaalde gemeenschappen voor algemene communicatieve doeleinden. Ze is niet bewust gecreëerd maar is spontaan ontstaan en heeft een lange traditie. Hierdoor is het exacte onstaansmoment van een taal dus moeilijk te bepalen.
2
New cards
syllabisch schrift
Een schrift bestaande uit tekens die corresponderen met lettergrepen. Het Cherokee, een inheemse Amerikaanse taal, is hier een voorbeeld van.
3
New cards
logografisch schrift
Een schrift bestaande uit tekens die corresponderen met een woord of begrip. Het Chinees is hier een voorbeeld van.
4
New cards
alfabetisch schrift
Een schrift bestaande uit lettertekens die corresponderen met klanken. Het Nederlands is hier een voorbeeld van.
5
New cards
spijkerschrift
Het eerste volledige schrijfsysteem, dat ongever rond 3300 voor Christus ontworpen zou zijn in Mesopotamië. Het was deels syllabisch, deels logografisch.
6
New cards
homesign
Een term van Goldin-Meadow, Homesign is een system van gebaren ontwikkelt door dove kinderen van niet-dove ouders die hun kinderen geen conventionele gebarentaal kunnen aanleren
7
New cards
vocaalauditief kanaal
Spreken en horen. Vocaal staat voor spreken en auditief voor horen.
8
New cards
multimodaliteit (van communicatie)
Onze taal is multimodaal. Ze wordt begeleid door verschillende uitdrukkingswijzen van verschillende kanalen, zoals handgebaren, gezichtsuitdrukkingen etc.
9
New cards
verwijzing / referentie
Het element in de wereld waarnaar het woord verwijst.
10
New cards
denotatie
De klasse van elementen buiten de taal waarnaar een woord kan verwijzen.
11
New cards
willekeurigheid van taaltekens
Het verband tussen de vorm en de betekenis van een taalteken is willekeurig, het is arbitrair.
12
New cards
onomatopee
Onamatopeeën zijn klanknabootsingen. Ze verschillen soms van taal tot taal.
13
New cards
paralinguïstische signalen
Signalen die te maken hebben met de manier waarop bepaalde woorden worden uitgesproken (klemtoon, snelheid, intonatie...)
14
New cards
iconiciteit
Als er een gelijkenis is tussen het taalteken en datgene waarvoor het staat.
15
New cards
dubbele articulatie (of duality)
Dit gaat over twee niveaus: klanken (fonemen) zonder individuele betekenis, en betekenisvolle elementen die je met die klanken kan vormen (morfemen).
16
New cards
fonetiek
De wetenschap die bestudeert hoe we klanken produceren en waarnemen
17
New cards
foneem
De kleinste eenheid van een klank. Op zichzelf hebben fonemen geen betekenis. Als we bijvoorbeeld de b in "bier" vervangen door een p krijgen we "pier", wat een compleet verschillende betekenis heeft
18
New cards
fonologie
De wetenschap die de kleinste, betekenis onderscheidende klanken (fonemen) bestudeert. Ze bestudeert klanksystemen.
19
New cards
morfeem
Het kleinste deel van een woord met eigen betekenis. Het kan een woord zijn maar ook een woorddeel.
20
New cards
morfologie
De wetenschap die de structuur en vorming van woordvormen bestudeert
21
New cards
turn-taking / beurtwisseling
regels in een gesprek die aantonen wanneer het wiens beurt is om het woord over te nemen. Dit kan verschillen van cultuur tot cultuur.
22
New cards
displacement
De mogelijkheid om te communiceren over objecten of gebeurtenissen die ver in de tijd of ruimte van ons verwijderd zijn.
23
New cards
discrete aard van de eenheden waaruit menselijke natuurlijke taal is opgebouwd
Dit betekent dat de eenheden waaruit menselijke natuurlijke taal is opgebouwd goed afgegrensd zijn. Taalklanken worden steeds anders uitgesproken, maar toch herkennen we steeds hetzelfde foneem.
24
New cards
principe van compositionaliteit
Dit principe laat ons toe zinnen te begrijpen die we nog nooit hebben gehoord. Hier horen twee kenmerken bij. Ten eerste dat een zin is samengesteld uit eenheden waarvan de betekenis kunnen, onafhankelijk van de specifieke zin waarin ze voorkomen. En ten tweede, dat we de betekenis van de zin kunnen achterhalen door deze woorden en hun betekenis te combineren in overeenstemming met de syntactische structuur van de zin.
25
New cards
dialectcontinuüm
Soms verstaan sprekers van (dialecten van) verschillende talen elkaar, vooral bij aangrenzende gebieden. Dit bestaat bijvoorbeeld bij het Duits, Nederlands, Deens en Noors.
26
New cards
lexicon
Het zogenaamde mentale woordenboek, alle woorden en uitdrukkingen die zijn opgeslagen in ons geheugen.
27
New cards
taalcontact
Het ontlenen van woorden aan andere talen.
28
New cards
leenwoorden
Woorden die we ontleend hebben uit andere talen, zoals "bureau" uit het Frans, "computer" uit het Engels, en "kelder" uit het Latijns.
29
New cards
metaforische transfer
Wanneer je een woord uit een bepaald kennis- of ervaringsdomein gebruikt om over andere kennis- of ervaringsdomeinen te spreken, zoals "virus" bij een ziekte ook wordt gebruikt voor "virus" op de computer.
30
New cards
metonymische verschuiving
Hierbij krijgt een woord een nieuwe betekenis dat verbonden is aan een vooraf gegeven associatief verband binnen eenzelfde kennisdomein, zoals "een glas wijn", dat kan verwijzen naar het glas, maar ook een andere drinkbeker, of een hoeveelheid.
31
New cards
betekenisveralgemening
Ook gekend als generalisatie. Hierbij verwijst een woord naar meer elementen dan oorspronkelijk. Een voorbeeld hiervan is "kerkhof". Een kerkhof is oorspronkelijk een hof rond de kerk waar men begraven werd. Nu wordt het gebruikt voor begraafplaatsen in het algemeen.
32
New cards
betekenisvernauwing
Ook gekend als specialisatie. Hierbij verwijst een woord naar een minder groot aantal elementen dan oorspronkelijk, zoals "de pil" als medicatie, of specifiek conceptiemiddel.
33
New cards
grammaticalisatie
Het proces waarbij lexicale woorden evolueren tot grammaticale woorden en elementen. Dit proces is aanwezig in zowat alle talen in de wereld.
34
New cards
grammaticalisation cline
Ook gekend als "grammaticalisatiepaden". De vorming van diverse grammaticale elementen die min of meer universele paden volgen.
35
New cards
reanalyse
Wanneer de onderliggende structuur van een woordgroep veranderd, zonder dat de vorm veranderd. Communicatie mag hierbij niet in gedrang komen. Neem bijvoorbeeld het woord "apron" uit het Engels. Dit stamt af van het Middelengelse "napron", dat op zijn beurt afstampt van het Oudfranse "napperon".
36
New cards
expressiviteit (in taalverandering)
Taalgebruikers streven naar grotere expressiviteit en gaan daarom bepaalde uitdrukkingen versterken, zoals bijvoorbeeld "je ne ... pas" in het Frans.
37
New cards
economie (in taalverandering)
Taalgebruikers hebben de tendens te besparen op de inspanning die ze moeten leveren bij het spreken of communiceren. De vorm wordt gereduceerd.
38
New cards
analogie (in taalverandering)
Sprekers hebben de neiging woorden en constructies meer op elkaar te laten lijken. Dit creëert meer orde en regelmaat in de taal. Meervouden van woorden krijgen bijvoorbeeld dezelfde vervoegingen.
39
New cards
dialect
Taalvarianten die bepaald worden door geografische grenzen.
40
New cards
sociolect
Taalvariëteiten eigen aan bepaalde sociale klassen, die gender- of leeftijdgerelateerd zijn, en taalvariëteiten die specifiek zijn voor bepaalde groepen met gelijklopende interesses.
41
New cards
idiolect
Het taalgebruik van één individu, iemands persoonlijk taalgebruik, dat deze onderscheidt van andere taalgebruikers.
42
New cards
Indo-Europese taalfamilie
De Indo-Europese taalfamilie is de taalfamilie waartoe de meeste moderne talen van het Europees, Centraal, West en Zuid-Azië behoren, inclusief oudere vormen en dialecten. Die talen vormen gelijkenissen die kunnen worden verklaard door aan te nemen dat ze afstammen uit eenzelfde moedertaal, het Indo-Europees.
43
New cards
comparatief taalonderzoek
Onderzoek waarbij je taalelementen vergelijkt om inzicht te krijgen in de verwantschappen tussen verschillende talen.
44
New cards
historisch taalonderzoek
Onderzoek waarbij je ontdekt welke regelmatigheden die de vormen (en structuren) van talen die van elkaar afstammen met elkaar verbinden.
45
New cards
historisch-comparatieve taalkunde
Men gebruikt de vergelijking tussen talen om de geschiedenis te reconstrueren, de wijze waarop talen doorheen de geschiedenis van elkaar afstammen.
46
New cards
reconstructiemethode
Hierin verzamelt men materiaal dat bestaat uit taalvormen en structuren die op elkaar gelijken en vergelijkt men hun op basis van de basiswoordenschat van de talen in kwestie.
47
New cards
basiswoordenschat
De woordenschat die bestaat uit termen voor elementen van de wereld waarvan men zeker kan zijn dat ze door de eeuwen heen bestaan hebben.
48
New cards
etymologie
Het deelgebied van taalkunde dat de herkomst van woorden bestudeerd.
49
New cards
lenitie (of lenition)
Ook gekend als verzachting. Dit is wanneer een harde medeklinker zachter wordt uitgesproken, zoals het gaan van een p-klank naar een f-klank in het Engels.
50
New cards
isolaten
Geïsoleerde talen die geen enkele verbondenheid vertonen met andere talen. Een voorbeeld hiervan is het Baskisch.
51
New cards
proto-taal (in taalevolutie)
Een term die wordt gebruikt om een hypotetische moedertaal te kunnen veronderstellen.
52
New cards
coöperatie (volgens Tomasello)
Volgens Tomasello hebben mensen bij communicatie de gedeelde intentie om iets te communiceren, en gaan we ervan uit dat iedereen betrokken daartoe wilt bijdragen. Kinderen communiceren met inofrmatieve intentie om hun communicatiepartner te informeren over iets waarvan zij denken dat het nuttig of relevant is voor hun communicatiepartner. Mensapen hebben geen coöperatieve intenties, ze reageren alleen in hun eigen belang.
53
New cards
theory of mind
De mogelijkheid om de gedragingen van andere leden van een groep te begrijpen, op basis van een theorie van wat zich in hun hoofd afspeelt.
54
New cards
joint attention
Wanneer twee personen gezamenlijk hun aandacht richten op een element in hun omgeving.
55
New cards
whole object assumption
Het idee dat alle mensen worden geboren met de neiging om de wereld waar te nemen in termen van hele objecten.
56
New cards
basic level-niveau
Het niveau waarop elementen in de wereld gemakkelijk met een eengemaakt beeld geassocieerd worden, en waarop het duidelijk is welk type interactie met dat element mogelijk is.
57
New cards
isolerende talen
Talen waarin woorden onveranderlijk zijn en de grammaticale concepten worden uitgedrukt door afzonderlijke wooren. Voorbeelden hiervan zijn het Chinees en Vietnamees.
58
New cards
agglutinerende talen
Talen waarvan de woorden zijn samengesteld uit kleinere woorddelen die elk een vaste vorm en betekenis hebben (en dus morfemen zijn) en waarin elke grammaticale betekenis wordt uitgedrukt door een afzonderlijk morfeem. Voorbeelden hiervan zijn het Turks en Japans.
59
New cards
flecterende talen
In deze talen kunnen bepaalde woorddelen dikwijls meer dan één grammaticale betekenis tegelijk uitdrukken. Voorbeelden hiervan zijn het Grieks en Latijn.
60
New cards
incorporerende talen / polysynthetische talen
Talen die bestaan uit woorden uit een hele reeks woorddelen waarvan er een aantal concrete betekenissen uitdrukken die in talen zoals het Nederlands meestal door afzonderlijke woorden worden gebruikt.
61
New cards
analytische talen/synthetische talen
Talen die verschillende woorden gebruiken om weer te geven wat een synthetische taal in één woord uitdrukt.
62
New cards
syntaxis
Het vak in de taalkunde die de structuur van de zin en de volgorde bestudeerd.
63
New cards
SVO-taal
Een taal die de zinsstructuur volgt van 'onderwerp (Subject) - werkwoord (Verb) - voorwerp (Object)
64
New cards
absolute universalia
Kenmerken, verschijnselen of principes die voor alle talen gelden.
65
New cards
statistische universalia
Een generalisatie die voor veel, maar niet alle, talen geldt. Een voorbeeld hiervan is het feit dat in 95% van talen het subject voor het object komt.
66
New cards
preposities
Voorzetsels. Als een taal met het zinspatroon VSO werkt, dan zijn er vrijwel altijd voorzetsels.
67
New cards
postposities
Dit zijn achterzetsels. Als een taal het zinspatroon SOV heeft, zijn er vrijwel altijd achterzetsels.
68
New cards
adposities
Dit is een overkoepelende term om zowel pre- las postposities aan te duiden
69
New cards
fonetiek
De fonetiek bestudeert hoe we klanken produceren met onze spraakorganen, wat de fysische, akoestische eigenschappen van die klanken zijn en hoe we die klanken waarnemen.
70
New cards
articulatorische fonetiek
De fonetiek die bestudeerd hoe we onze spraakklanken voortbrengen, welke spraakorganen daarbij gebruikt worden en hoe we de verschillende spraakklanken kunnen definiëren door te beschrijven welke spraakorganen daarbij ingezet en gebruikt worden.
71
New cards
auditieve fonetiek
De fonetiek die de perceptie van spraakklanken bestudeerd.
72
New cards
akoestische fonetiek
De fonetiek die de akoestische eigenschappen van spraakklanken analyseert.
73
New cards
stembanden
Stembanden zijn te vinden in het strottenhoofd. Het zijn twee grote plooien van spierweefsel en slijmvlies die vastzitten aan beweeglijke kraakbeentjes en die daardoor zelf ook uiterst bewegelijk zijn. Ze vormen samen de glottis.
74
New cards
larynx
Het strottenhoofd. De lucht die uit de longen komt komt terecht in de luchtpijp en vervolgens de larynx. Het strottenhoofd produceert klank en laat ons toe deze luchtpijp af te sluiten. Hierin bevinden zich de stembanden.
75
New cards
glottis
Ook gekend als stemspleet. De glottis zijn de stembanden en hun bewegelijke kraakbeentjes. Deze staan open tijdens het ademen maar kunnen ook worden gesloten.
76
New cards
stemhebbende / stemloze klanken
Stemhebbende klanken is wanneer onze stembanden trillen. Wanneer ze niet trillen produceren we stemloze klanken.
77
New cards
fonatie
Ook gekend als stemgeving. Het is een parameter die wordt gebruikt om medeklinkers te definiëren/ Hiermee kunnen we bepalen of medeklinkers stemhebbend of stemloos zijn.
78
New cards
glottislag
Ook gekend als de glottale stop. Het is een manier om klanken voort te brengen. Ze worden gevormd door de stemspleet kort dicht te klappen en zo de luchtstroom onderbreken, om vervolgens de opgestapelde lucht in één keer terug vrij te laten.
79
New cards
plofklank
Een synoniem heirvan is plosief of occlusief. Het is een term die wordt gebruikt om alle medeklinkers aan te duiden die gevormd worden door het spraakkanaal helemaal af te sluiten en de lucht vervolgens in één keer te laten ontsnappen. Voorbeelden zijn de [b] van baan en de [k] in hakken.
80
New cards
wrijfklank
Een synoniem hiervoor is fricatief. Het is een klank die gevormd wordt door tussen de articulatoren een kleine opening te laten waardoor de lucht stroomt. Een voorbeeld is de [h] in ham.
81
New cards
farynx
De keelholte.
82
New cards
velum
Het zachte gehemelte.
83
New cards
velaren/velairen
Klanken die in het velum geproduceerd worden. Een voorbeeld is de [ŋ] in zingen.
84
New cards
uvula
De huig.
85
New cards
uvulair(en)
Klanken die geporoduceerd worden in de uvula. Een voorbeeld is de [r].
86
New cards
orale klanken
Klanken waarbij de lucht via de mondholte ontsnapt. Een voorbeeld hiervan is de [f]. Als we deze uitspreken, komt er lucht vrij via onze mondholte.
87
New cards
nasale klanken
Dit zijn klanken waarbij de lucht via de neusholte ontsnapt. Een voorbeeld hiervan is de [n].
88
New cards
palatum
palatum
89
New cards
palatalen
Klanken de geproduceerd worden ter hoogte van het palatum. Een voorbeeld is de [ɲ] in oranje.
90
New cards
assimilatie
Klank past zich aan aan de uitspraak van zijn buurklank. Een voorbeeld is "ben je", waar in de klanken van de letters 'n' en 'j' zich aan elkaar aanpassen.
91
New cards
alveolen
De tandkassen, de rand vooraan in het harde gehemelte.
92
New cards
alveola(i)ren
Klanken die geproduceerd worden in de alveolen. Een voorbeeld is de [s] in "sap".
93
New cards
postalveolairen / prepalatalen
Klanken die worden uitgesproken tussen de alveolen en het palatum. Een voorbeeld is de [ʒ] in het Franse word 'jeu'.
94
New cards
lateraal
Alveolairen, worden geproduceerd in de alveolen (tandkassen) zoals de [l] in lip.
95
New cards
affricaten
Alveolairen zonder frictatieven of stopklanken, zoals de [ǰ] in "jump"
96
New cards
liquidae
Vloeiklanken. De mondholte wordt vernauwd tijdens de productie van beide klanken, die daardoor in een aantal opzichten op klinkers lijken. Voorbeelden zijn de [r] en [l].
97
New cards
apicaal / tongpunt-r
Een r-klank die wordt uitgesproken met de tongpunt.
98
New cards
getrilde huig-r
R-klanken die ter hoogte van de uvula (huig) worden gearticuleerd.
99
New cards
fricatieve huig-r
De huig en de tongrug maken niet echt contact, er treedt enkel een vernauwing op achteraan in de mondholte.
100
New cards
dentalen
Klanken die worden geproduceerd door de tongpunt tegen de boventanden te brengen, bijvoorbeeld de th in "father".