1/100
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Kopdarm
Verzamelt en verwerkt voedsel als eerste stap in de spijsvertering; structuur varieert per diergroep.
Voordarm
Bestaat uit de oesophagus en maag, verantwoordelijk voor transport, opslag en initiatie van proteïnenvertering.
Middendarm
Dunne darm, essentieel voor verdere vertering en absorptie van voedsel, met villi voor oppervlaktevergroting.
Einddarm
Comprised of colon, caecum, and rectum, responsible for storage, water absorption, and microbial fermentation.
Histologie spijsverteringskanaal
Bestaat uit mucosa, submucosa, muscularis externa, en serosa, met verschillende functies in de spijsvertering.
GALT
Mucosaal immuunsysteem dat beschermt tegen microbiële pathogenen en immunotolerantie voor voedselbestanddelen biedt.
Enterisch zenuwstelsel
Reguleert de gastro-intestinale functies met een aantal neuronen gelijk aan de rest van het autonome zenuwstelsel.
Korte reflexen
Reflecties die functioneren zonder de tussenkomst van het centrale zenuwstelsel, vaak inhiberend voor GI-werking.
Vagovagale reflexen
Lange reflexen met centrale betrokkenheid, stimuleren de gastro-intestinale werking.
Segmentatiecontracties
Motiliteit van de GI die helpt bij het mengen en kneden van de darminhoud.
Peristaltische contracties
Contracties die de darminhoud voortstuwen in aborale richting.
Sfincter
Reguleert de doorgang van darminhoud; proximale stimulussen leiden tot relaxatie, distale tot contractie.
Bovenste oesophageale sfincter
Sfincter tussen pharynx en oesophagus, gemaakt van dwarsgestreept spierweefsel.
Onderste oesophageale sfincter
Cardiale sfincter die zich tussen oesophagus en maag bevindt en bestaat uit glad spierweefsel.
Slikreflex
Reflex of vrijwillige actie betrokken bij het slikken.
Slikcentrum
Gelegen in de medulla, geactiveerd bij het voorbijglijden van de bolus van de pharynx.
Maagzones
Verdeeld in cardia, corpus en pylorus, elke zone heeft specifieke functies.
Fundus
De uitgestulpte zak aan het corpus van de maag.
Antrum
Onderdeel van de pylorus, bevat het pylorisch kanaal en pylorische sfincter.
Receptieve relaxatie
Relaxatie van de fundus als gevolg van een vagovagale reflex.
Gastrische accommodatie
Langzame uitzetting van de fundus als voedsel binnenkomt.
Pylorische sfincter
Reguleert maaglediging en voorkomt duodenale reflux.
Enterogastrische reflex
Maaglediging die wordt gereguleerd via negatieve feedback vanuit de duodenum.
Migrerende motorcomplexen
Ritmische elektrische en motorische activiteit tussen maaltijden.
Voedsel motorpatroon
Segmentale en peristaltische contracties in dunne darm die ontstaat met voedselopname.
Motiline
Hormoon dat de migrerende motorcomplexen reguleert.
Ileocaecale sfincter
Klep tussen ileum en caecum die voedsel langer in de middendarm houdt.
Gastro-ileumreflex
Openen van de ileocaecale sfincter als gevolg van voedsel in de maag.
Taeniae coli
Longitudinale spierstrengen in de colon.
Haustra
De hobbelige structuur van de colon veroorzaakt door de tonus van taenia.
Gastrocolische reflex
Initiatie van massaperistaltiek door maagdistentie.
Anale sfincters
Reguleert de darmlediging; inwendig onder onwillekeurige controle, uitwendig onder zowel willekeurige als onwillekeurige controle.
Defaecatiereflex
Wordt geïnitieerd door rectum dat gevuld is na massaperistaltiek.
Emese
Braken als reflex om het proximaal deel van het GI-kanaal te ledigen.
Regurgitatie
Terugstroming van voedsel, specifiek bij roofvogels en herkauwers.
Oppervlakte-epitheelcellen
Secreteren HCO3--rijk slijm of mucus.
Muceuze nekcellen
Cellen in de maag die mucus produceren.
Pariëtale cellen
Wandcellen die maagzuur en intrinsieke factor produceren, essentieel voor vitamine B12-opname.
Hoofdcellen
Zymogene cellen die pepsinogeen, de inactieve precursor van pepsine, secretie.
Endocriene cellen
Secreteren hormonen in de lamina propria die invloed hebben op nabijgelegen cellen.
Tubulovesiculaire membranen
Bevatten een waterstof/kaliumpomp voor de vrijgave van zure secretie.
Stimulerende maagzuursecretie
Maagzuursecretie kan worden gestimuleerd door histamine, gastrine en acetylcholine.
Inhiberende maagzuursecretie
Inhibitie van maagzuursecretie door somatostatine en enterogastron.
Basale fase van zuursecretie
Interdigestieve fase met lage maagzuursecretie tussen maaltijden.
Cephalische fase
Stimulus als gevolg van de zintuigen die leidt tot 30% van de maagzuursecretie.
Gastrische fase
G-cellen worden gestimuleerd door zure pH, wat leidt tot 50-60% van de maagzuursecretie.
Intestinale fase
Kortstondige stimulatie van maagzuursecretie door aanwezigheid van aminozuren en halfverteerde eiwitten.
Gastrische diffusiebarrière
Beschermt epitheelcellen van de maag tegen maagzuur.
Pepsinogenen
Inactieve precursoren van pepsine die worden gesecreteerd door hoofdcellen.
Pepsines
Actieve enzymen die ontstaan uit pepsinogeen en betrokken zijn bij de vertering van eiwitten.
Endopeptidasen
Enzymen zoals pepsine die peptidebindingen in eiwitten hydrolyseren.
Maaglipase
Enzym betrokken bij de vertering van lipiden, vooral bij neonaten.
Chymosine
Proteolytisch enzym in de maag van jonge zoogdieren dat melk stremt.
Exocriene klier
Geeft secreet af in een lumen dat theoretisch buiten het lichaam ligt.
Lobules
Structuren waaruit speekselklieren en pancreas zijn opgebouwd.
Acini
Eenheden binnen lobules, verantwoordelijk voor het produceren van secreet.
Acinaire cellen
Specialized epithelial cells that produce and secrete proteins; contain extensive rough ER.
Zymogenen
Inactieve pro-enzymen die pas actief worden na activatie.
Kanaalcellen
Gepolariseerde epitheliumcellen gespecialiseerd in het transport van elektrolyten.
Kanaal van Wirsung
Afvoerkanaal van de pancreas, essentieel voor de afvoer van pancreasjuice.
Sfincter van Oddi
Reguleert de afvoer van gal en pancreasenzymen in de duodenum.
Cholescystokinine (CCK)
Hormoon dat de exocriene pancreaswerking reguleert, verhoogt secretie bij voedselopname.
Secretine
Hormoon geproduceerd door duodenale S-cellen dat vocht- en elektrolytsecretie stimuleert.
Eilandjes van Langerhans
Endocriene eenheden in de pancreas die insuline en glucagon produceren voor bloedsuikerregulatie.
SGLT1
Glucose-transporter die glucose en galactose opneemt in de darm.
GLUT5
Transporter voor de opname van fructose via gefaciliteerde diffusie.
M-cellen
Cellen die intacte proteïnen opnemen en verder verwerken in de darm.
Emulsiedruppels
Vetdruppels waarop lipasen en gal binden voor vetvertering.
Colipase
Cofactor dat essentieel is voor lipase activiteit op vetdruppels.
Chylomicron
Lipoproteïnedruppel die gevormd wordt uit vetten in de darm en naar de bloedbaan gaat.
Intrinsieke factor
Noodzakelijk voor de opname van vitamine B12 in het ileum.
Pernicieuze anemie
Anemie veroorzaakt door een tekort aan vitamine B12, vaak door voedingsgebrek.
Vena porta hepatica
Blod vessel that carries venous blood from the intestines to the liver.
Hepatocyten
Levercellen die verantwoordelijk zijn voor diverse metabole functies.
Ruimte van Disse
Extracellulaire ruimte tussen hepatocyten en sinusoidal endotheel met collageenmatrix.
Itocellen
Stellaatcellen in de ruimte van Disse die vet en vitamine A opslaan.
Stercellen van Kupffer
Macrofagen in de lever betrokken bij de afweer en fagocytose.
Ductus hepaticus
Buis die gal van de lever afvoert.
Ductus cysticus
Afvoerkanaal van de galblaas.
Ductus choledocus
Galbuis die ontstaat wanneer de ductus hepaticus en cysticus samenkomen.
Galblaas
Orgaan dat gal opslaat en concentreert.
Gal
Biochemische vloeistof die vetten emulgeert, bestaat uit water en elektrolyten.
Enterohepatische circulatie
Circulatie van galzouten tussen lever en darm.
Bilirubine
Afbraakproduct van hemoglobine, betrokken bij galvorming.
Ferritine
Eiwit dat ijzer opslaat in lever, milt, en beenmerg.
Biliverdine
Afbraakproduct van heem, omgevormd door reticulo-endotheliaal systeem.
Urobilinogeen
Verbinding gevormd in de darm uit bilirubine door bacteriële enzymen.
Stercobiline
Vorm van bilirubine die in de stoelgang komt en verantwoordelijk is voor de bruine kleur.
Urobiline
Geel pigment gevormd uit urobilinogeen in de nieren.
Icterus
Geelzucht veroorzaakt door ophoping van bilirubine in het lichaam.
Galstenen
Kristallen van cholesterol die zich kunnen vormen in de galblaas.
Glycogenolyse
Afbraak van glycogeen in de lever tot glucose.
Lipoproteïnelipase
Enzym dat triglyceriden afbreekt tot vrije vetzuren.
Chylomicronrestanten
Resten van chylomicronen die het resultaat zijn van vetverwerking.
HDL
High-density lipoprotein dat cholesterol uit cellen ophaalt en transporteert.
Atherosclerose
Vernauwing van bloedvaten door ophoping van vetten, meestal LDL.
Herbivorie
Dietary behavior requiring breakdown of large plant materials to extract nutrients.
Magen koe
Structuren in de maag van herbivoren, waaronder rumen, reticulum, omasum, en abomasum.
Regurgitatie
Terugstroom van deels verteerd voedsel uit het rumen naar de mond.
Eructatie
Vrijlaten van gassen uit de maag via de mond.