Mens tot Cel - Thema 1, 2/2

0.0(0)
studied byStudied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/121

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Last updated 12:30 PM on 11/17/22
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

122 Terms

1
New cards
Drie vasculaire systemen
Slagadersysteem, adersysteem en lymfevatensysteem
2
New cards
Dubbele bloedsomloop
Het bloed gaat tijdens een rondje door het lichaam twee keer door het hart heen.
Het bloed gaat tijdens een rondje door het lichaam twee keer door het hart heen.
3
New cards
Pulmonaire circulatie
Dit is de kleine bloedsomloop. Dit is de omloop van het bloed door het hart en de longen. Het bloed komt vanuit de bovenste holle ader (superior vena cava) of onderste holle ader (inferior vena cava) het hart in. Daar belandt het bloed in het rechter atrium. Het bloed wordt tegen gehouden door een klep, de tricuspidalisklep. Wanneer deze klep opent reist het bloed naar het rechter ventrikel . Hier zit ook een klep, de pulmonalis klep. Zodra deze klep opent gaat het bloed de longslagader (arteria pulmonalis) in naar de longen. Vanuit de longen reist het bloed via de longader (vena pulmonalis) weer terug naar het hart.
Dit is de kleine bloedsomloop. Dit is de omloop van het bloed door het hart en de longen. Het bloed komt vanuit de bovenste holle ader (superior vena cava) of onderste holle ader (inferior vena cava) het hart in. Daar belandt het bloed in het rechter atrium. Het bloed wordt tegen gehouden door een klep, de tricuspidalisklep. Wanneer deze klep opent reist het bloed naar het rechter ventrikel . Hier zit ook een klep, de pulmonalis klep. Zodra deze klep opent gaat het bloed de longslagader (arteria pulmonalis) in naar de longen. Vanuit de longen reist het bloed via de longader (vena pulmonalis) weer terug naar het hart.
4
New cards
Superior vena cava
Bovenste holle ader
Bovenste holle ader
5
New cards
Inferior vena cava
Onderste holle ader
Onderste holle ader
6
New cards
Atrium
Boezem
Boezem
7
New cards
Ventrikel
Kamer
Kamer
8
New cards
Tricuspidalisklep
De klep tussen het rechteratrium en het rechter ventrikel. Deze heeft 3 klepblaadjes.
De klep tussen het rechteratrium en het rechter ventrikel. Deze heeft 3 klepblaadjes.
9
New cards
Pulmonalisklep
De klep tussen het rechter ventrikel en de longslagader (arteria pulmonalis). Deze heeft 3 halvemaanvormige (semilunaire) blaadjes.
De klep tussen het rechter ventrikel en de longslagader (arteria pulmonalis). Deze heeft 3 halvemaanvormige (semilunaire) blaadjes.
10
New cards
Arteria pulmonalis
Longslagader, van het hart naar de longen.
Longslagader, van het hart naar de longen.
11
New cards
Vena pulmonalis
Longader, van de longen terug naar het hart.
Longader, van de longen terug naar het hart.
12
New cards
Systematische circulatie
Dit is de grote bloedsomloop. In het hart komt het bloed uit de longader aan in het linker atrium. Daar wordt het tegengehouden door de mitralisklep. Na het openen van de klep belandt het bloed in het linker ventrikel waar het tegengehouden wordt door de aortaklep. Wanneer deze klep opent stroomt het bloed de aorta in, naar de rest van het lichaam. Het bloed reist naar de verschillende organen waarna het zuurstofarm via de vena cava terugkeert naar het hart. Een uitzondering hierop is de poortader. Bloed dat uit het maagdarmsysteem komt keert niet meteen terug naar het hart, maar gaat eerst nog langs de lever. De voedingsstoffen die uit het voedsel zijn opgenomen worden zo aan de lever afgegeven.
Dit is de grote bloedsomloop. In het hart komt het bloed uit de longader aan in het linker atrium. Daar wordt het tegengehouden door de mitralisklep. Na het openen van de klep belandt het bloed in het linker ventrikel waar het tegengehouden wordt door de aortaklep. Wanneer deze klep opent stroomt het bloed de aorta in, naar de rest van het lichaam. Het bloed reist naar de verschillende organen waarna het zuurstofarm via de vena cava terugkeert naar het hart. Een uitzondering hierop is de poortader. Bloed dat uit het maagdarmsysteem komt keert niet meteen terug naar het hart, maar gaat eerst nog langs de lever. De voedingsstoffen die uit het voedsel zijn opgenomen worden zo aan de lever afgegeven.
13
New cards
Mitralisklep
De klep tussen het linker atrium en het linker ventrikel. Deze klep heeft als enige 2 klepblaadjes die als een mijter over elkaar heen liggen.
De klep tussen het linker atrium en het linker ventrikel. Deze klep heeft als enige 2 klepblaadjes die als een mijter over elkaar heen liggen.
14
New cards
Aortaklep
De klep tussen het linker ventrikel en de aorta. Deze klep heeft 3 halfmaanvormige (semilunaire) klepblaadjes.
De klep tussen het linker ventrikel en de aorta. Deze klep heeft 3 halfmaanvormige (semilunaire) klepblaadjes.
15
New cards
Poortader
Bloed dat uit het maagdarmsysteem komt keert niet meteen terug naar het hart, maar gaat eerst nog langs de lever. De voedingsstoffen die uit het voedsel zijn opgenomen worden zo aan de lever afgegeven.
Bloed dat uit het maagdarmsysteem komt keert niet meteen terug naar het hart, maar gaat eerst nog langs de lever. De voedingsstoffen die uit het voedsel zijn opgenomen worden zo aan de lever afgegeven.
16
New cards
Systole
De pulmonalisklep en aortaklep zijn open en de tricuspidalesklep en mitralisklep zijn dicht. Het bloed wordt uit het hart de slagaderen in gepompt.
De pulmonalisklep en aortaklep zijn open en de tricuspidalesklep en mitralisklep zijn dicht. Het bloed wordt uit het hart de slagaderen in gepompt.
17
New cards
Diastole
De tricuspidalisklep en de mitralisklep zijn open en de pulmonalisklep en aortaklep zijn dicht. De ventrikels vullen zich.
De tricuspidalisklep en de mitralisklep zijn open en de pulmonalisklep en aortaklep zijn dicht. De ventrikels vullen zich.
18
New cards
Verschillende soorten bloedvaten
Slagaderen, aderen en capillairen
19
New cards
Lagen van vaten
Tunica intima, de binnenlaag van de vaatwand. Deze laag is elastisch en noemt men de lamina elastica interna (LEI).
Tunica media, de middenlaag van de vaatwand. Deze laag is ook elastisch en noemt men de lamina elastice externa (LEE).
Tunica adventia, de buitenste laag van de vaatwand. De laag waarmee het vat aan de omgeving vastzit.
20
New cards
Tunica intima
Dit is de binnenlaag van de vaatwand. Deze laag is elastisch en noemt men de lamina elastica interna (LEI).
Dit is de binnenlaag van de vaatwand. Deze laag is elastisch en noemt men de lamina elastica interna (LEI).
21
New cards
Lamina elastica interna (LEI)
Dit is hoe de tunica intima, de binnenlaag van de vaatwand, ook wel wordt genoemd. Deze laag is elastisch.
22
New cards
Tunica media
Dit is de middenlaag van de vaatwand. Deze laag is ook elastisch en noemt men de lamina elastice externa (LEE).
Dit is de middenlaag van de vaatwand. Deze laag is ook elastisch en noemt men de lamina elastice externa (LEE).
23
New cards
Lamina elastica externa (LEE)
Dit is hoe de tunica media, de middenlaag van de vaatwand, ook wel wordt genoemd. Deze laag is elastisch.
24
New cards
Tunica adventitia
Dit is de buitenste laag van de vaatwand. De laag waarmee het vat aan de omgeving vastzit.
Dit is de buitenste laag van de vaatwand. De laag waarmee het vat aan de omgeving vastzit.
25
New cards
Arteriën
De slagaders. Deze hebben een distributiefunctie, oftewel, ze dienen voor de toevoer van bloed naar de organen. Door de slagaderen heerst een hoge druk. Er zijn verschillende soorten slagaders (elastische, musculeuze, arteriolen).
De slagaders. Deze hebben een distributiefunctie, oftewel, ze dienen voor de toevoer van bloed naar de organen. Door de slagaderen heerst een hoge druk. Er zijn verschillende soorten slagaders (elastische, musculeuze, arteriolen).
26
New cards
Elastische arteriën
Deze arteriën liggen dicht bij het hart. De elasticiteit is er om de drukgolf op te vangen die bij elke pomp van het bloed in de aderen beland. Daarnaast zorgt de elasticiteit ervoor dat de bloeddruk gestabiliseerd blijft. De LEI en de LEE zijn niet goed te onderscheiden.
27
New cards
musculeuze arteriën
Deze verzorgen de distributie naar de organen. Ze hebben gladde spiervezels. Ze kunnen samenknijpen, vasoconstrictie, en uitrekken, vasodilatie. De bloedtoevoer naar de organen wordt hiermee geregeld. De LEI en LEE zijn goed te onderscheiden, want dit zijn de enige elastische lagen.
28
New cards
Vasoconstructie
Samenknijpen van aderen
29
New cards
Vasodilatie
Uitrekken van aderen
30
New cards
Arteriolen
Deze vervoeren bloed naar de capillairbedden. Het zijn hele kleine slagaders die gemaakt zijn van gladde spiervezels. Ze zijn slechts een aantal cellagen dik. Ze bestaan alleen uit tunica media.
31
New cards
Anastomose
Wanneer er een arterie verstopt zit, zijn er vaak nog andere wegen om het desbetreffende deel van het lichaam te doorbloeden. Dit geldt niet voor elk kanaal en kan alleen plaatsvinden wanneer de verstopping geleidelijk plaatsvindt. Wanneer de verstopping plotseling ontstaat is het lichaam niet in staat om de schade op te vangen.
32
New cards
Eindarteriën
Arteriën die als enige bloed naar een bepaald stuk lichaam vervoeren. Wanneer deze arterie verstopt raakt is het deel niet meer te redden.
33
New cards
Functionele eindarteriën
Deze anastomosen kunnen er voor zorgen dat het deel van het lichaam doorbloed is wanneer er een arterie verstopt zit, maar kunnen dit niet voldoende doen.
34
New cards
Capillaire vaatbedden
Deze hebben hele dunne wanden. Deze wanden bestaan alleen uit endotheel (een bedekkend eencellig laagje aaneengesloten cellen). Dat zorgt ervoor dat stoffen zoals zuurstof en afvalstoffen in en uit het vaatbed kunnen treden naar of van de extracellulaire vloeistof. De capillairbedden verbinden de slagaderen met de aderen. Toch is dit niet altijd zo. Op sommige plekken, zoals de huid, staan de slagaderen direct in verbinding met de aderen. Dit zorgt of voor minder warmteverlies, de slagader geeft zijn warmte niet af aan de ader, of voor meer warmteverlies, de slagader geeft zijn warmte af aan de ader waardoor een groter oppervlak in contact staat met de buitenwereld en er zo meer warmte kan ontsnappen.
Deze hebben hele dunne wanden. Deze wanden bestaan alleen uit endotheel (een bedekkend eencellig laagje aaneengesloten cellen). Dat zorgt ervoor dat stoffen zoals zuurstof en afvalstoffen in en uit het vaatbed kunnen treden naar of van de extracellulaire vloeistof. De capillairbedden verbinden de slagaderen met de aderen. Toch is dit niet altijd zo. Op sommige plekken, zoals de huid, staan de slagaderen direct in verbinding met de aderen. Dit zorgt of voor minder warmteverlies, de slagader geeft zijn warmte niet af aan de ader, of voor meer warmteverlies, de slagader geeft zijn warmte af aan de ader waardoor een groter oppervlak in contact staat met de buitenwereld en er zo meer warmte kan ontsnappen.
35
New cards
Venen
Dit zijn de aderen. Deze hebben een resevoirfunctie. Dat betekent dat ze bloed vanuit de organen opvangen en terug naar het hart vervoeren. Er heerst een lage druk. Er zijn verschillende soorten aderen (venule, medium venen, grote venen)
36
New cards
Venulen
Deze vervoeren bloed uit de capillairbedden. Het zijn hele kleine aderen die slechts een paar cellagen dik zijn. Ze bestaan uit endotheel en tunica adventitia.
37
New cards
Medium venen
Dit zijn de venen die het bloed van de organen naar het hart vervoeren. Ze werken tegen de zwaartekracht in. Om dit probleem te kunne oplossen zitten er veneuze kleppen in de venen. Ook lopen de venen tussen spieren. Wanneer de spier zich samentrekt, wordt de vene samengedrukt en wordt het bloed naar boven gepompt. Als het naar boven pompen door de spieren niet lukt, treedt er varicosis op. Ook wel spataderen genoemd.
Dit zijn de venen die het bloed van de organen naar het hart vervoeren. Ze werken tegen de zwaartekracht in. Om dit probleem te kunne oplossen zitten er veneuze kleppen in de venen. Ook lopen de venen tussen spieren. Wanneer de spier zich samentrekt, wordt de vene samengedrukt en wordt het bloed naar boven gepompt. Als het naar boven pompen door de spieren niet lukt, treedt er varicosis op. Ook wel spataderen genoemd.
38
New cards
Veneuze kleppen
De kleppen in de venen die ervoor zorgen dat het bloed niet te verkeerde kant op terugstroomt.
De kleppen in de venen die ervoor zorgen dat het bloed niet te verkeerde kant op terugstroomt.
39
New cards
Varicosis
Spataderen. Dit gebeurt wanneer de spieren om de venen het bloed niet goed naar boven gepompt krijgen.
Spataderen. Dit gebeurt wanneer de spieren om de venen het bloed niet goed naar boven gepompt krijgen.
40
New cards
Grote venen
Deze venen liggen dichtbij het hart. Ze bundelen het bloed uit de medium venen samen in een groot vat. De venen hebben een dunne tunica media en een goed ontwikkelde tunica adventitia zodat het vat goed aan de omgeving blijft hangen. De venen bestaan uit longitudinale spierbundels en zijn vaak omgeven door een stuk hartspier. Voorbeelden hiervan zijn de vena cava en de vena pulmonalis.
41
New cards
Het lymfoïde systeem
Deze loopt door heel het lichaam met het veneuze systeem mee. Het systeem begint blind in het weefsel. Het verzamelt overtollige extracellulaire vloeistof. Deze vloeistof wordt gebundeld in lymfevaten. Deze lymfevaten monden uit in de bloedbaan. Dit gebeurt op twee plekken bij de bovenste holle ader. Bij de ene plek mondt de vloeistof uit het hoofd uit en op de andere plek mondt de vloeistof van de rest van het lichaam uit. Op verschillende plekken in het lichaam liggen lymfeknopen, hier worden bepaalde delen van de vloeistof opgeslagen.
Het stelsel heeft nog twee andere taken. Het vervoert vetten vanuit het maagdarmstelsel naar de bloedbaan. Deze vetten komen namelijk niet via het poortstelsel de aderen in. Daarnaast speelt het een belangrijke rol bij het afweersysteem in het lichaam.
Deze loopt door heel het lichaam met het veneuze systeem mee. Het systeem begint blind in het weefsel. Het verzamelt overtollige extracellulaire vloeistof. Deze vloeistof wordt gebundeld in lymfevaten. Deze lymfevaten monden uit in de bloedbaan. Dit gebeurt op twee plekken bij de bovenste holle ader. Bij de ene plek mondt de vloeistof uit het hoofd uit en op de andere plek mondt de vloeistof van de rest van het lichaam uit. Op verschillende plekken in het lichaam liggen lymfeknopen, hier worden bepaalde delen van de vloeistof opgeslagen. 
Het stelsel heeft nog twee andere taken. Het vervoert vetten vanuit het maagdarmstelsel naar de bloedbaan. Deze vetten komen namelijk niet via het poortstelsel de aderen in. Daarnaast speelt het een belangrijke rol bij het afweersysteem in het lichaam.
42
New cards
Lymfeknopen
Hier worden bepaalde delen van de overtollige extracellulaire vloeistof, die de lymfevaten verzamelen, opgeslagen.
43
New cards
Primaire organen (lymfoïde systeem)
De organen waar de immuun cellen voor de afweer worden geproduceerd. Dit zijn de thymus en het beenmerg.
De organen waar de immuun cellen voor de afweer worden geproduceerd. Dit zijn de thymus en het beenmerg.
44
New cards
Secundaire organen (lymfoïde systeem)
De organen waar de immuun cellen bewaard worden. Wanneer er kwade cellen gedetecteerd zijn worden de cellen die in deze organen liggen geactiveerd. Dit zijn de lymfeknopen, milt, slijmvliezen en amandelen.
De organen waar de immuun cellen bewaard worden. Wanneer er kwade cellen gedetecteerd zijn worden de cellen die in deze organen liggen geactiveerd. Dit zijn de lymfeknopen, milt, slijmvliezen en amandelen.
45
New cards
Centrale zenuwstelsel (CZS)
Bestaat uit de hersenen en het ruggenmerg.
Bestaat uit de hersenen en het ruggenmerg.
46
New cards
Perifere zenuwstelsel (PZS)
Bestaat uit alle zenuwen voor gevoel en beweging die door het lichaam lopen.
Bestaat uit alle zenuwen voor gevoel en beweging die door het lichaam lopen.
47
New cards
Neuronen
Dit zijn de zenuwcellen waaruit het zenuwstelsel is opgebouwd. Ze bestaan uit een aantal verschillende onderdelen. In het cellichaam, het perikaryon, liggen alle onderdelen om de cel in leven te houden. De zenuwcel heeft verschillende uitlopers. De dendrieten geven signalen door aan het perikaryon. Dit noemt met afferente signalen. Axonen geven signalen door vanaf het perikaryon. Dit noemt men efferente signalen. De axonen splitsen in een aantal kleine uitlopers die men telodendria noemt. Deze telodendria kunnen zich verspreiden over een bepaald weefsel of kunnen aan andere zenuwcellen binden. Aan de uiteinden van de telodendria liggen synapsen.
Dit zijn de zenuwcellen waaruit het zenuwstelsel is opgebouwd. Ze bestaan uit een aantal verschillende onderdelen. In het cellichaam, het perikaryon, liggen alle onderdelen om de cel in leven te houden. De zenuwcel heeft verschillende uitlopers. De dendrieten geven signalen door aan het perikaryon. Dit noemt met afferente signalen. Axonen geven signalen door vanaf het perikaryon. Dit noemt men efferente signalen. De axonen splitsen in een aantal kleine uitlopers die men telodendria noemt. Deze telodendria kunnen zich verspreiden over een bepaald weefsel of kunnen aan andere zenuwcellen binden. Aan de uiteinden van de telodendria liggen synapsen.
48
New cards
Perikaryon
Dit is het cellichaam van een neuron, hierin liggen alle onderdelen om de cel in leven te houden.
49
New cards
Dendrieten
Deze uitlopers van de neuron geven signalen door aan het perikaryon. Dit noemt men afferente signalen.
Deze uitlopers van de neuron geven signalen door aan het perikaryon. Dit noemt men afferente signalen.
50
New cards
Afferente signalen
Signalen die worden doorgegeven aan het perikaryon.
51
New cards
Axonen
Deze uitlopers van de neuron geven signalen door vanaf het perikaryon. Dit worden efferente signalen genoemd.
52
New cards
Efferente signalen
Signalen die worden doorgegeven vanaf het perikaryon.
53
New cards
Telodendria
Dit zijn de kleine uitlopers waarin het axon zich splitst. Deze verspreiden zich over een bepaald weefel of kunnen aan andere zenuwcellen binden.
Dit zijn de kleine uitlopers waarin het axon zich splitst. Deze verspreiden zich over een bepaald weefel of kunnen aan andere zenuwcellen binden.
54
New cards
Synapsen
Deze zitten aan de uiteinden van de telodendria.
Deze zitten aan de uiteinden van de telodendria.
55
New cards
Actiepotentiaal
Dit zijn de signalen die een neuron doorgeeft. Het verloopt via een alles of niets principe. Dit houdt in dat de signalen alleen lopen wanneer er een bepaalde spanning wordt afgegeven aan de cel. Deze spanning noemt men het postsynaptisch signaal. De spanning dooft niet uit en is dus aan het begin even sterk als aan het einde. Als de zenuw een postsynaptisch signaal krijgt van een synaps van een andere zenuwcel kan het actiepotentiaal veranderen. Er kan een positief of negatief signaal gegeven worden. De som van het aantal positieve en negatieve signalen dat de neuron krijgt bepaalt of er wel of niet een actiepotentiaal wordt afgegeven. Wanneer het signaal vanaf de axon bij de synaps is aangekomen komen er neurotransmitters vrij die het signaal doorgeven aan een andere cel.
56
New cards
Postsynaptisch signaal
Dit is de spanning die doorgegeven moet worden door een neuron om een actiepotentiaal te laten lopen.
57
New cards
Myelineschede
Dit zit om axonen heen. Het zorgt ervoor dat het signaal sneller wordt doorgegeven. De cellen van de myelineschede zitten om het axon als opgerolde pannenkoekjes.
Dit zit om axonen heen. Het zorgt ervoor dat het signaal sneller wordt doorgegeven. De cellen van de myelineschede zitten om het axon als opgerolde pannenkoekjes.
58
New cards
Knopen van Ranvier
Dit zijn de plekken waar de myelineschede ophoudt. Het signaal springt van knoop naar knoop.
Dit zijn de plekken waar de myelineschede ophoudt. Het signaal springt van knoop naar knoop.
59
New cards
Saltatoische conductie
Dit is hoe de constructie van myelineschede en knopen van Ranvier heet.
60
New cards
Afferent neuron (sensibele neuronen)
Dit zijn de zintuigen. Met deze neuronen neem je de wereld waar. De prikkels die deze neuronen ontvangen worden doorgegeven richting de hersenen. Wanneer zo'n neuron beschadigt is kan men de prikkels niet meer waarnemen. Er zijn twee soorten: somatosensibele neuronen en viscero-sensibele neuronen. Afferente en efferente neuronen zitten vaak samen in een zenuw.
Dit zijn de zintuigen. Met deze neuronen neem je de wereld waar. De prikkels die deze neuronen ontvangen worden doorgegeven richting de hersenen. Wanneer zo'n neuron beschadigt is kan men de prikkels niet meer waarnemen. Er zijn twee soorten: somatosensibele neuronen en viscero-sensibele neuronen. Afferente en efferente neuronen zitten vaak samen in een zenuw.
61
New cards
Somatosensibele neuronen
Afferente neuronen waarmee je oppervlakkige prikkels waarneemt.
62
New cards
Viscero-sensibele neuronen
Afferente neuronen waarmee je de prikkels van je organen waarneemt.
63
New cards
Efferent neuron (motorische neuronen)
Deze neuronen laten je bewegen. Ze kunnen in twee categorieën worden ingedeeld: neuronen die je spieren laten bewegen (somatomotoren) en neuronen die je ingewanden laten bewegen (visceromotoren). Afferente en efferente neuronen zitten vaak samen in een zenuw.
Deze neuronen laten je bewegen. Ze kunnen in twee categorieën worden ingedeeld: neuronen die je spieren laten bewegen (somatomotoren) en neuronen die je ingewanden laten bewegen (visceromotoren). Afferente en efferente neuronen zitten vaak samen in een zenuw.
64
New cards
Somatomotoren
De efferente neuronen die je spieren laten bewegen. Deze neuronen kan je uit jezelf bewegen. Wanneer zo'n neuron beschadigt, kan je de spier die hij innerveert niet meer gebruiken.
65
New cards
Visceromotoren
De efferente neuronen die je organen laten bewegen. Deze neuronen kan je niet uit jezelf laten bewegen. Wanneer zo'n neuron beschadigt, kan het orgaan zijn werk niet goed meer doen.
66
New cards
Verloop van een waarneming
Een afferent neuron neemt iets waar en stuurt dit door naar de zogenaamde black box (zenuwstelsel). In de black box wordt er een betekenis gegeven aan de prikkel. Daarna geeft de black box door aan een efferent neuron wat er met de waarneming moet gebeuren. De efferente neuron reageert op de waargenomen prikkel.
67
New cards
gliacellen
Dit zijn de cellen die naast de neuroncellen het zenuwstelsel opbouwen. Deze verschillen in het CZS en PZS.
68
New cards
Astrocyten
Dit is een type gliacel van het CZS. Ze bedekken de buitenkant van het brein. Dit noemt men de glia limitans superficialis. Deze laag vormt de brein vloeistof barrière. Daarnaast bedekken ze ook de buitenkant van de bloedvaten die richting het brein lopen. Dit noemt men de glia limitans perivascularis. Deze laag vormt de bloed brein barrière. Bovendien bedekken ze alle stukken neuron die niet bedekt zijn door myelineschede. Dit beschermt de zenuw tegen een surplus van kalium. Als laatst bedekken ze ook de ongemyliniseerde cellen.
69
New cards
Glia militans superficialis
Dit zijn de astrocyten die de buitenkant van het brein bedekken. Deze laag vormt de brein vloeistof barriere.
70
New cards
Glia militans perivascularis
Dit zijn de astrocyten die de buitenkant van de bloedvaten die richting het brein lopen bedekken. Dit vormt de bloed brein barriere.
71
New cards
Oligodendrocyten
Dit is een type gliacel van het CZS. Ze vormen de myelineschede door zich om de axonen te wikkelen.
72
New cards
Ependymale cellen
Dit is een type gliacel van het CZS? Deze maken de cerebrospinale vloeistof waarmee de ventrikels gevuld zijn. Met hun trilharen circuleren ze vloeistof. Ze vormen bovendien een barriere tussen verschilende compartimenten.
73
New cards
microglia cel
Dit is een type gliacel van het CZS. Deze cellen doen aan fagocytose in het CZS. Ze zoeken naar cellen die opgeruimd moeten worden.
74
New cards
Satelliet cel
Dit is een type gliacel van het PZS. Deze bedekken alle stukken neuron die niet bedekt zijn door myelineschede. Ze bedekken bijvoorbeeld het cellichaam.
75
New cards
Schwann cel
Dit is een type gliacel van het PZS. Deze vormen de myelineschede door zich om de axonen te wikkelen. Daarnaast bedekken ze ongemyeliniseerde cellen. Dit fenomeen noemt men een Remakbundel.
76
New cards
Spinale zenuw
Dit is de naam van de zenuw die uit de ruggenwervelkolom komt. Ze lijken allemaal op elkaar. De cervicale zenuwen krijgen de naam boven welke wervel ze uittreden. Vanaf de thoracale wervels krijgen de zenuwen de naam onder welke wervel ze uittreden. Al deze zenuwen komen voort uit twee wortels die ter hoogte van het foramen intervertebrale samenvoegen. De wortel aan de ventrale zijde is de wortel waarin alle motorische zenuwen zitten. De wortel aan de dorsale zijde is de wortel waarin alle sensorische zenuwen zitten. Zodra de zenuw het ruggenwervel verlaat splitst hij weer op in tweeën. Het ene deel van de zenuw innerveert de ventrale spieren van het lichaam, de hypaxiale spieren. Het andere deel de dorsale spieren van het lichaam, de epaxiale spieren.
Dit is de naam van de zenuw die uit de ruggenwervelkolom komt. Ze lijken allemaal op elkaar. De cervicale zenuwen krijgen de naam boven welke wervel ze uittreden. Vanaf de thoracale wervels krijgen de zenuwen de naam onder welke wervel ze uittreden. Al deze zenuwen komen voort uit twee wortels die ter hoogte van het foramen intervertebrale samenvoegen. De wortel aan de ventrale zijde is de wortel waarin alle motorische zenuwen zitten. De wortel aan de dorsale zijde is de wortel waarin alle sensorische zenuwen zitten. Zodra de zenuw het ruggenwervel verlaat splitst hij weer op in tweeën. Het ene deel van de zenuw innerveert de ventrale spieren van het lichaam, de hypaxiale spieren. Het andere deel de dorsale spieren van het lichaam, de epaxiale spieren.
77
New cards
Craniale zenuw
Dit is de naam van de zenuwen die uit de hersenen komen. Ze verschillen allemaal van elkaar.
78
New cards
Spinale kanaal
Het kanaal waar het ruggenmerg zich bevindt.
79
New cards
Meningen
De drie vliezen die zich om het ruggenmerg bevinden. De dura mater, het arachnoïde membraan en de pia mater.
80
New cards
Opbouw van wervel tot ruggenmerg
Het ruggenmergkanaal bestaat uit bot. Tegen het bot aan zit een vlies. Dit vlies heet dura mater. Het vlies volgt de contouren van het bot. Tussen het bot en het vlies zit een ruimte waarin een vetlichaam zit. Deze ruimte noemt men de epidurale ruimte. Aan de andere kant van de dura mater zit een membraan. Dit membraan is het arachnoïd membraan (spinnenwebvlies). Tussen het membraan en dura mater zou ook een ruimte kunnen bestaan. Deze zit daar normaliter niet, maar zou in theorie daar kunnen zitten. De naam voor deze ruimte is de subdurale ruimte. Het laatste vlies voor het ruggenmerg noemt met de pia mater. Dat vlies volgt de contouren van het brein en van het ruggenmerg. Tussen het arachnoïd membraan en pia mater zit ook een ruimte. Deze ruimte heet de subarachnoïdale ruimte. In deze ruimte zit de cerebrospinale vloeistof. Deze vloeistof zorgt voor schokabsorptie. Daarnaast zitten de bloedvaten die het CZS van voeding voorzien in deze ruimte. In de pia mater zit het ruggenmerg.
81
New cards
Dura mater
Het vlies dat tegen het bot van het ruggenmergkanaal aan ligt. Het volgt de contouren van het bot. Dit vlies loopt niet door tot het einde van de ruggenwervels, maar houdt op ter hoogte van wervel S2. Om deze te verankeren, zit deze vast met een touwtje. Ook gaat dit vlies bij het uittreden van de spinale zenuwen een stukje mee om het ruggenmerg nog meer op zijn plek te houden.
Het vlies dat tegen het bot van het ruggenmergkanaal aan ligt. Het volgt de contouren van het bot. Dit vlies loopt niet door tot het einde van de ruggenwervels, maar houdt op ter hoogte van wervel S2. Om deze te verankeren, zit deze vast met een touwtje. Ook gaat dit vlies bij het uittreden van de spinale zenuwen een stukje mee om het ruggenmerg nog meer op zijn plek te houden.
82
New cards
Epidurale ruimte
De ruimte tussen het dura mater en het bot van het ruggenmergkanaal. Hierin zit een vetlichaam.
83
New cards
Arachnoïd membraan
Het membraan aan de andere kant van dura mater.
Het membraan aan de andere kant van dura mater.
84
New cards
Subdurale ruimte
Dit is de ruimte die tussen de dura mater en het arachnoïd membraan zou kunnen zitten. Deze zit er normaliter niet, maar het zou er in theorie kunnen zitten.
85
New cards
Pia mater
Het laatste vlies voor het ruggenmerg. Dit vlies volgt de contouren van het brein en van het ruggenmerg. Hierin zit het ruggenmerg.
Het laatste vlies voor het ruggenmerg. Dit vlies volgt de contouren van het brein en van het ruggenmerg. Hierin zit het ruggenmerg.
86
New cards
Subarachnoïdale ruimte
De ruimte tussen pia mater en het arachnoïd membraan. In deze ruimte zit cerebrospinale vloeistof. Deze vloeistof zorgt voor schokabsorptie. Daarnaast zitten de bloedvaten die het CZS van voeding voorzien in deze ruimte.
87
New cards
Durale deel van het filum terminale
Dit is het touwtje dat de dura mater op zijn plek houdt, omdat dura mater op hoogte van wervel S2 ophoudt.
Dit is het touwtje dat de dura mater op zijn plek houdt, omdat dura mater op hoogte van wervel S2 ophoudt.
88
New cards
Dural sleeve
Om dura mater extra te verankeren gaat het vlies een stukje mee bij het uittreden van de spinale zenuw. Dit stuk vlies om de zenuw krijgt een andere naam. Dit stuk vlies verankert zich aan het bot van de wervel.
89
New cards
piale deel van het filum terminale
Het ruggenmerg is nog korter dan de dura mater. Dit komt omdat de dura mater harder groeit dan het ruggenmerg. Het ruggenmerg stopt al ter hoogte van wervel L2. Om het ruggenmerg op zijn plaats te houden zit het vast met een touwtje. Dit touwtje is hetzelfde touwtje als van de dura mater, maar dit gedeelte heeft een andere naam.
Het ruggenmerg is nog korter dan de dura mater. Dit komt omdat de dura mater harder groeit dan het ruggenmerg. Het ruggenmerg stopt al ter hoogte van wervel L2. Om het ruggenmerg op zijn plaats te houden zit het vast met een touwtje. Dit touwtje is hetzelfde touwtje als van de dura mater, maar dit gedeelte heeft een andere naam.
90
New cards
L2 - S2
Hierin bevinden zich veel axonen. Deze axonen komen onderaan samen en vormen een spinale zenuw.
91
New cards
Ruggenmerg
Het is een deel van het CZS en bestaat uit witte en grijze stof. De grijze stof zit aan de binnenkant en heeft de vorm van een vlinder. De witte stof zit aan de buitenkant.
Het is een deel van het CZS en bestaat uit witte en grijze stof. De grijze stof zit aan de binnenkant en heeft de vorm van een vlinder. De witte stof zit aan de buitenkant.
92
New cards
Grijze stof (ruggenmerg)
Dit zit aan de binnenkant van het ruggenmerg en heeft vorm van een vlinder. Het bestaat uit neuronen. De hoeveelheid hangt af van de hoeveelheid lichaam die geïnnerveerd moet worden ter hoogte van de desbetreffende wervel. Ter hoogte van de extremiteiten is het groter dan ter hoogte van de romp (want meer zenuwen nodig). Motorische neuronen ontspringen uit de voorhoorn, het ventrale gedeelte. De sensorische neuronen ontspringen uit de achterhoorn, het dorsale gedeelte. Een signaal reist vanaf de achterhoorn naar de voorhoorn via het integratiecentrum.
Dit zit aan de binnenkant van het ruggenmerg en heeft vorm van een vlinder. Het bestaat uit neuronen. De hoeveelheid hangt af van de hoeveelheid lichaam die geïnnerveerd moet worden ter hoogte van de desbetreffende wervel. Ter hoogte van de extremiteiten is het groter dan ter hoogte van de romp (want meer zenuwen nodig). Motorische neuronen ontspringen uit de voorhoorn, het ventrale gedeelte. De sensorische neuronen ontspringen uit de achterhoorn, het dorsale gedeelte. Een signaal reist vanaf de achterhoorn naar de voorhoorn via het integratiecentrum.
93
New cards
Witte stof (ruggenmerg)
Dit zit aan de buitenkant van het ruggenmerg. Hierin zitten de axonen van de neuronen uit de grijze stof. De hoeveelheid hangt af van de hoeveelheid lichaam die nog(!) geïnnerveerd moet worden (bovenin zijn er nog geen aftakkingen geweest). Bovenin het ruggenmerg is de hoeveelheid veel groter dan onderaan in het ruggenmerg.
Dit zit aan de buitenkant van het ruggenmerg. Hierin zitten de axonen van de neuronen uit de grijze stof. De hoeveelheid hangt af van de hoeveelheid lichaam die nog(!) geïnnerveerd moet worden (bovenin zijn er nog geen aftakkingen geweest). Bovenin het ruggenmerg is de hoeveelheid veel groter dan onderaan in het ruggenmerg.
94
New cards
Dermatoom
Dit is de naam voor een somiet in het menselijk lichaam. Uit het ruggenmerg vertakt boven elke wervel een spinale zenuw. Elke spinale zenuw innerveert een somiet. Deze geven aan dat het lichaam gesegmenteerd is. Het ruggenmerg is niet gesegmenteerd.
Dit is de naam voor een somiet in het menselijk lichaam. Uit het ruggenmerg vertakt boven elke wervel een spinale zenuw. Elke spinale zenuw innerveert een somiet. Deze geven aan dat het lichaam gesegmenteerd is. Het ruggenmerg is niet gesegmenteerd.
95
New cards
spinale ganglion
Net voor het ruggenmerg zit bij de dorsale wortel een verdikking (10a). Hierin zitten de cellichamen van de sensorische zenuwen.
Net voor het ruggenmerg zit bij de dorsale wortel een verdikking (10a). Hierin zitten de cellichamen van de sensorische zenuwen.
96
New cards
hypaxiale spieren
De ventrale spieren van het lichaam. Een deel van de spinale zenuw innerveert dit. Hierin zitten zowel motorische als sensorische zenuwen.
97
New cards
epaxiale spieren
De dorsale spieren van het lichaam. Een deel van de spinale zenuw innerveert dit. Hierin zitten zowel motorische als sensorische zenuwen.
98
New cards
Voorhoorn
Het ventrale gedeelte van de grijze stof. Hieruit ontspringen de motorische neuronen. Hierin wonen motorneuronen.
Het ventrale gedeelte van de grijze stof. Hieruit ontspringen de motorische neuronen. Hierin wonen motorneuronen.
99
New cards
Achterhoorn
Het dorsale gedeelte van de grijze stof. Hieruit ontspringen de sensorische neuronen. Hierin wonen dendrieten die fungeren als axonen. De zogenaamde axonen ontvangen signalen vanuit de cellichamen in de spinale ganglia. Dit soort neuronen noemt men pseudo-unipolaire neuronen.
Het dorsale gedeelte van de grijze stof. Hieruit ontspringen de sensorische neuronen. Hierin wonen dendrieten die fungeren als axonen. De zogenaamde axonen ontvangen signalen vanuit de cellichamen in de spinale ganglia. Dit soort neuronen noemt men pseudo-unipolaire neuronen.
100
New cards
Pseudo-unipolaire neuronen
Deze liggen in de achterhoorn van de grijze stof. Deze neuronen hebben dendrieten die fungeren als axonen (geven signalen door vanaf het perikaryon). De zogenaamde axonen ontvangen signalen vanuit de cellichamen in de spinale ganglia. De cellichamen van dit soort neuronen hebben geen functie. Het signaal wordt gelijk doorgegeven van het perifere axon naar het centrale axon.
Deze liggen in de achterhoorn van de grijze stof. Deze neuronen hebben dendrieten die fungeren als axonen (geven signalen door vanaf het perikaryon). De zogenaamde axonen ontvangen signalen vanuit de cellichamen in de spinale ganglia. De cellichamen van dit soort neuronen hebben geen functie. Het signaal wordt gelijk doorgegeven van het perifere axon naar het centrale axon.