1/290
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Speciële anamnese
Een gesprek over de ziektegeschiedenis van de hoofdklacht.
Heteroanamnese
Het uitvragen van de ziektegeschiedenis bij een bekende van de patiënt.
Inspectie
Kijken
Percussie
Kloppen
Differentiaal diagnose
Een aantal mogelijke diagnosen
Curatieve behandeling
Een behandeling die gericht is op het genezen van een ziekte.
Etiologie
leer van de ziekteoorzaken
Endogeen
Een ziekte ontstaat van binnenuit.
Exogeen
Een ziekte ontstaat van buitenaf.
Multifactorieel
Een ziekte ontstaat deels van binnenuit en deels van buitenaf.
Virus
Bestaan uit RNA of DNA omgeven door een eiwitkapsel. Virussen hebben een gastheercel nodig om zich voort te planten.
Bacterie
Eencellige organismen zonder celkern. Bacteriën zijn te doden met antibiotica.
Schimmels
1 of meercellige micro-organismen. Schimmels worden behandeld met antimycotica.
Mycose
Een schimmelinfectie
Parasieten
Organismen die leven ten koste van andere organismen. Parasieten komen meestel binnen via de huid of de mond.
Medische diagnose
De diagnose van de arts.
Verpleegkundige diagnose
De diagnose van een verpleegkundige waarin alles staat over de gevolgen van een ziekte.
Algemene anamnese
Een gesprek over de ziektegeschiedenis, niet gerelateerd aan de hoofdklacht.
Auscultatie
Luisteren
Palpatie
Voelen
Palliatieve behandeling
Een behandeling die bedoeld is om het leven van een patiënt zo draaglijk mogelijk te maken.
Causale behandeling
De oorzaak van de ziekte wordt aangepakt.
Symptomatische behandeling
Een behandeling die gericht is op het behandelen van de symptomen van een ziekte.
Substitutie
Een behandeling aanvullen met behulp van medicatie.
Complimentair
Aanvulling op de behandeling.
Alternatieve behandeling
Een behandeling die niet wetenschappelijk bewezen is.
Prognose
Voorspelling
Acute ziekte
Ziekte die plotseling ontstaat en kort duurt.
Chronische ziekte
Ziekte die nooit meer overgaat.
Remissie
Een periode waarin de symptomen van een chronische ziekte verminderen.
Exacerbatie
Verergering van de symptomen van een chronische ziekte.
Recidief
Ziekte lijkt te genezen, maar komt toch weer terug.
Complicatie
Bijkomende moeilijkheid, probleem.
Restverschijnselen
Blijvende afwijkingen na het doormaken van een ziekte.
Terminaal
Als de levensverwachting van een ziekte korter is dan 3 jaar.
Anatomische houding
Geeft exact aan waar ieder lichaamsdeel zich bevindt.
Frontaal vlak
Verdeelt het lichaam in voor en achter
Sagittaal vlak
Verdeelt het lichaam in links en rechts
Transversaal vlak
Verdeelt het lichaam in boven en onder
Superior - inferior
Van het midden van het lichaam naar boven - naar beneden
Mediaal
Vanaf de zijkant gerekend naar het midden toe.
Lateraal
Vanaf het midden naar de zijkant toe.
Proximaal - Distaal
Naar de romp toe gelegen - van de romp afgelegen
Dorsaal - Ventraal
Rugzijde - Buikzijde
Posterior - Anterior
Achter - Voor een lichaamsdeel
craniaal - caudaal
Richting het hoofd - richting de staart
Flexie - Extensie
Buigen - Strekken
Rotatie
Draaien
Abductie - Adductie
Beweging van de middellijn af - naar de middellijn toe
Endorotatie - Exorotatie
Draaiing naar binnen - naar buiten
Anteflexie - retroflexie
Voorover buigen - achterover buigen
Cyto
Cel
Mitose
Deling van lichaamscellen.
Stamcellen
Kunnen zich blijven delen en ze kunnen zich differentiëren tot iedere andere soort cel.
Stofwisseling
Alle chemische reacties in het lichaam.
Katabolisme
Afbraakreacties van complexe moleculen.
Anabolisme
Bouwen van nieuwe verbindingen.
Lysosoom
Een blaasje met enzymen: breekt versleten organellen af.
Celmembraan
Dun vlies rondom cel bestaande uit twee lagen fosfolipiden: scheidt het binnenmilieu van het buitenmilieu.
Mitochondriën
Structuur in de cel die de energievoorziening van de cel verzorgt.
Endoplasmatisch reticulum
Netwerk van dubbele membranen dat is aangesloten op het kernmembraan: modificeert en verpakt nieuwe gesynthetiseerde eiwitten en vorming en opslag van vetten en koolhydraten.
Cytoplasma
Een vloeibaar medium waarin stoffen kunnen oplossen en niet worden afgebroken.
Kernmembraan
Buitenste laag om de kern en bestaat uit een dubbele laag fosfolipiden.
Kernporie
Opening met eiwitten die het transport van stoffen in en uit het kernplasma regelen.
Kern
Belangrijkste gedeelte van de cel met alle erfelijke informatie.
Kernlichaampje
Plaats in de celkern waar delen van ribosomen en rRNA worden gemaakt.
Ribosoom
Bolvormig organel dat een belangrijke rol speelt bij de eiwitsynthese. Ribosomen zijn veelal gelegen op de membranen van het endoplasmatisch reticulum.
Golgi-complex
Plek waar het eiwit helemaal wordt afgemaakt.
Centriolen
Celstructuren in het centrosoom die een rol spelen bij de kern- en celdeling.
Organellen
de organen van de cel die verschillende structuren bevatten en een specifieke functie hebben binnen de cel.
Hygiëne
Het in stand houden van de gezondheid door ziekteverwekkers op afstand te houden.
ziektekiem
Een ziektekiem is een micro-organisme, zoals een bacterie of virus, dat ziekten kan veroorzaken.
Besmettingsweg/overdracht
Het moment wanneer een ziekte wordt overgedragen.
Besmettingsbron/reservoir
Waar de micro-organismen zich bevinden.
Port de sortie
Hoe de micro-organismen zich verspreiden vanuit de gastheer.
Port d'entrée
Hoe de infectie wordt opgelopen.
Gastheer
De drager van het micro-organisme.
Directe besmetting
De bron en de gastheer hebben direct contact.
Indirecte besmetting
De bron en de gastheer hebben niet direct contact (bijvoorbeeld het eten van bedorven voedsel)
Momenten van handhygiëne
- voor contact met de patiënt
- voor een schone/steriele handeling
- na contact met lichaamsvloeistoffen van een patiënt
- na contact met de patient
- na aanraking van de omgeving van de patiënt.
Reinigen
Zichtbare en onzichtbare organische materialen worden verwijderd.
Desinfecteren
Het aantal ziekteverwekkers wordt verminderd.
Steriliseren
Alle micro-organismen op of in een voorwerp doden of inactiveren. Heeft altijd een houdbaarheidsdatum.
Isolatie
Het afschermen van een patiënt om het verspreiden van een infectie te voorkomen.
Contactisolatie
Vermijden van direct contact met de patiënt en zijn omgeving. (schort + handschoenen)
Druppelisolatie
Vermijden van direct contact met de lichaamsvloeistoffen van een patiënt. (Mondkapje + overschort)
Strikte isolatie
Combinatie tussen contactisolatie en druppelisolatie. (Schort met lange mouwen + handschoenen + haarnet + mondkapje)
Aerogene isolatie
Voorkomen dat je inademt wat de patiënt uitademt. De patiënt ligt bij deze vorm van isolatie in een sluis. (sterk mondkapje)
Beschermende isolatie
Voorkomen dat de patiënt beschermd raakt.
Weefsel
Een verzameling gespecialiseerde cellen en celproducten die een beperkt aantal functies verrichten.
Dekweefsel
Cellen die structuren bekleden en klierweefsels.
Kenmerken: dicht opeen geplakt, aan 1 kant vrij oppervlak, via basaal membraan verbonden, avasculair, voortdurende vervanging.
Functies: fysieke isolatie, reguleren doorlaatbaarheid, zintuigfunctie, klierproducten.
Indeling: eenlagig, meerlagig, plaveisel, kubisch, cilindrisch.
Bindweefsel
Gespecialiseerde cellen en de matrix (extracellulaire eiwitvezels en grondsubstantie).
Zenuwweefsel
Bestaat uit neuronen, zijn prikkelbaar voor elektrische signalen, hebben veel behoefte aan glucose en zuurstof.
Neurogliacellen
Ondersteunen de neuronen.
Carcinogenese
Het ontstaan van kanker.
Apoptose
Geprogrammeerde celdood. Signalen komen uit de omgeving of intern.
Necrosis
De cel laat zichzelf ontploffen. Dit vormt een ontstekingsreactie.
Carcinogenen
Risicofactoren voor kanker.
Benigne
Goedaardige tumor
Maligna
Kwaadaardige tumor