vocabulaire la mobilité et le mouvement (copy)

studied byStudied by 2 people
0.0(0)
get a hint
hint

se déplacer / circuler

1 / 103

Tags and Description

French

5 economie / latijn - wiskunde

104 Terms

1

se déplacer / circuler

zich verplaatsen

New cards
2

le déplacement

de verplaatsing

New cards
3

la circulation, le trafic

het verkeer

New cards
4

choisir son mode de transport

zijn vervoersmiddel kiezen

New cards
5

se rendre à / aller à

gaan naar

New cards
6

traverser / franchir la frontière

de grens oversteken

New cards
7

l’essor de la mobilité douce, alternative responsable

de opkomst van zachte, alternatieve verantwoordelijke mobiliteit

New cards
8

se déplacer à pied

zich te voet verplaatsen

New cards
9

un piéton

een voetganger

New cards
10

une rue piétonne

een voetgangersstraat

New cards
11

un pas

een stap

New cards
12

se promener / se balader / déambuler

wandelen

New cards
13

la promenade / la balade / la déambulation

de wandeling

New cards
14

faire une promenade

een wandeling maken

New cards
15

marcher, la marche à pied

stappen, het stappen

New cards
16

une randonnée

een wandeltocht, een trektocht

New cards
17

rebrousser chemin / faire demi-tour / revenir sur ses pas

rechtsomkeer maken

New cards
18

traverser la rue

de straat oversteken

New cards
19

attendre au carrefour / aux feux rouges

wachten aan het kruispunt / aan het rode licht

New cards
20

renverser

omverrijden

New cards
21

ecrasser

overrijden

New cards
22

se déplacer à vélo

zich met de fiets verplaatsen

New cards
23

le guidon

het stuur (fiets)

New cards
24

la roue

het wiel (fiets)

New cards
25

le frein

de rem

New cards
26

la pédale

de pedaal

New cards
27

pédaler

trappen

New cards
28

les cyclistes

de fietsers

New cards
29

prendre le vélo pour aller à l’école

de fiets nemen om naar school te gaan

New cards
30

porter un casque pour sa sécurité

een helm dragen voor zijn veiligheid

New cards
31

porter un gilet fluo / jaune

een fluohesje dragen

New cards
32

être visible sur la route

zichtbaar zijn op de weg

New cards
33

aménager des pistes cycblables

fietspaden aanleggen

New cards
34

la trottinette électrique, trottiner

de elektrische step, steppen

New cards
35

le vélo électrique

de elektrische fiets

New cards
36

l’hoverboard

de hoverboard

New cards
37

le gyropode, la gyroroue

de gyropod, het gyrowiel

New cards
38

emprunter les transports en commun

het openbaar vervoer nemen

New cards
39

avoir un abonnement

een abonnement hebben

New cards
40

acheter / prendre un ticket / un billet

een ticket kopen / nemen

New cards
41

s’adresser à l’employé au guichet

zich richten tot de loketbediende

New cards
42

voyager en train, en bus, en métro

met de trein, de bus, de metro reizen

New cards
43

les usagers / passagers

de gebruikers / de passagiers

New cards
44

le réseau ferroviaire

het netwerk van de treinen

New cards
45

la gare

het station

New cards
46

le train

de trein

New cards
47

le conducteur de train

de treinconducteur

New cards
48

le quai (train et métro)

het perron

New cards
49

l’arrêt de bus

de bushalte

New cards
50

la gare des bus

de stelplaats

New cards
51

le chauffeur de bus

de buschauffeur

New cards
52

le contrôleur

de treinbegeleider

New cards
53

les lignes directes, les correspondances

de rechtstreekse verbindingen, de aansluitingen

New cards
54

les couloirs d’autobus

de busbanen

New cards
55

les lignes de tram / de métro

de tram / metrolijnen

New cards
56

les lignes ne desservent pas toute la ville

de lijnen stoppen niet overal in de stad

New cards
57

la ponctualité pose problème

de stiptheid is problematisch

New cards
58

se plaindre des retards fréquents

klagen over de veelvuldige vertragingen

New cards
59

les jeunes voyagent à tarif réduit

jongeren reizen met kortingen

New cards
60

un véhicule

een voertuig

New cards
61

une auto / voiture

een auto / wagen

New cards
62

le volant

het stuur (auto)

New cards
63

les rétroviseurs

de achteruitkijkspiegels

New cards
64

le pneu

het wiel (auto)

New cards
65

avoir un pneu crevé

platte band hebben

New cards
66

une voiture de société

een bedrijfswagen

New cards
67

une voiture électrique

een elektrische wagen

New cards
68

recharger la voiture

de wagen opladen

New cards
69

une borne de recharge

een oplaadpunt

New cards
70

un conducteur, conduire

een bestuurder, besturen

New cards
71

rouler en voiture

met de auto rijden

New cards
72

aller au travail en voiture

met de auto naar het werk gaan

New cards
73

faire la navette

pendelen

New cards
74

le covoiturage, covoiturer

carpooling, carpoolen

New cards
75

les heures de pointe

de piekuren

New cards
76

le réseau routier est saturé

het wegennetwerk is verzadigd

New cards
77

le trafic est dense

het verkeer is druk

New cards
78

une file, un embouteillage / bouchon

een file, een opstopping

New cards
79

les parcs de stationnement

de parkeerplaatsen

New cards
80

les parkings couverts

de overdekte parkings

New cards
81

se garer

parkeren

New cards
82

les routes sont mal entretenues

de wegen zijn slechts onderhouden

New cards
83

l’entretien des routes

de onderhoud van de wegen

New cards
84

il y a beaucoup de chantiers en cours

er zijn veel werven bezig

New cards
85

il faut suivre les déviations

men moet de omleidingen volgen

New cards
86

il faut contourner / éviter les travaux

men moet de werken vermijden

New cards
87

s’effondrer / s’écrouler / s’affaisser

instorten

New cards
88

un effondrement / un affaissement

een instorting

New cards
89

la route s’est affaisée

de weg is ingestort

New cards
90

il y a eu un affaissement de la chaussée

er is een wegverzakking

New cards
91

le tunnel sous la Manche, l’Eurotunnel

de tunnel onder het kanaal

New cards
92

les navettes pour voitures et passagers

de pendeltrein voor auto’s en passagiers

New cards
93

le trajet entre la France et l’Angleterre

het traject tussen Frankrijk en Engeland

New cards
94

les long-courriers

de lange afstandsvlucht

New cards
95

les moyen-courriers

de middellange afstandsvlucht

New cards
96

décoller, atterrir

opstijgen, landen

New cards
97

un vol, voler

een vlucht, vliegen

New cards
98

un aéroport

een luchthaven

New cards
99

l’espace aérien

een luchtruim

New cards
100

une compagnie aérienne

een luchtvaartmaatschappij

New cards

Explore top notes

note Note
studied byStudied by 25 people
Updated ... ago
5.0 Stars(2)
note Note
studied byStudied by 9 people
Updated ... ago
5.0 Stars(1)
note Note
studied byStudied by 13 people
Updated ... ago
5.0 Stars(1)
note Note
studied byStudied by 30 people
Updated ... ago
5.0 Stars(1)
note Note
studied byStudied by 3359 people
Updated ... ago
5.0 Stars(5)
note Note
studied byStudied by 27 people
Updated ... ago
5.0 Stars(2)
note Note
studied byStudied by 6 people
Updated ... ago
4.5 Stars(2)
note Note
studied byStudied by 1504 people
Updated ... ago
4.8 Stars(9)

Explore top flashcards

flashcards Flashcard116 terms
studied byStudied by 4 people
Updated ... ago
5.0 Stars(1)
flashcards Flashcard112 terms
studied byStudied by 3 people
Updated ... ago
5.0 Stars(1)
flashcards Flashcard66 terms
studied byStudied by 7 people
Updated ... ago
5.0 Stars(1)
flashcards Flashcard70 terms
studied byStudied by 3 people
Updated ... ago
5.0 Stars(1)
flashcards Flashcard108 terms
studied byStudied by 36 people
Updated ... ago
5.0 Stars(1)
flashcards Flashcard58 terms
studied byStudied by 18 people
Updated ... ago
5.0 Stars(1)
flashcards Flashcard41 terms
studied byStudied by 17 people
Updated ... ago
4.3 Stars(3)
flashcards Flashcard63 terms
studied byStudied by 39 people
Updated ... ago
5.0 Stars(1)