1/57
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No study sessions yet.
adaptatie
een verandering in de leefwijze van een soort, vaak gekoppeld aan een mutatie van het DNA 247
anorganische stoffen
Stoffen zonder C-H-verbindingen, komen vrij in de natuur voor. 235
biobrandstof
Brandstof afkomstig van plantaardige producten, die hiervoor apart zijn geteeld. 251
biodiversiteit
het aantal soorten, en de relaties tussen die soorten en de genetische verscheidenheid in een bepaald gebied 251
biologische reiniging
afbraak van organische stoffen door bacteriën 249
chemo-autotrofe organismen
Organismen die met behulp van energie uit oxidaties van anorganische stoffen organische stoffen maken uit anorganische stoffen. 237
chemosynthese
Het opbouwen van organische stoffen uit anorganische met behulp van energie die vrijkomt bij een chemische reactie met anorganische stoffen. 237
denitrificerende bacteriën
Bacteriën die NO3- omzetten in N2-gas. 249
duurzame voedselproductie
een manier van voedsel produceren zonder schade aan het milieu 255
ecosysteem
een begrensd gebied met een wisselwerking tussen de organismen onderling (biotische factoren) en hun omgeving (abiotische factoren) 235
eilandtheorie
Beschrijft het verband tussen de biodiversiteit en factoren als de grootte van een eiland en de afstand die organismen moeten afleggen om er te komen. 241
exoten
Soorten afkomstig uit een ander gebied die zich vestigen in een ecosysteem. 247
extremofielen
Organismen die leven onder extreme omstandigheden. 247
fitness
het vermogen om bepaalde allelen door te geven aan de volgende generatie 240
flessenhalseffect
(bottleneck-effect) Een verandering in allelfrequenties na een epidemie, brand of andere ramp waarbij het aantal individuen/allelen sterk is afgenomen. 242
foto-autotrofe organismen
Organismen die met behulp van lichtenergie organische stoffen maken uit anorganische stoffen. 235
fotosynthese
Proces waarmee planten (en sommige bacteriën) met behulp van zonlicht energierijke C6H12O6 (glucose) maken uit CO2 en H2O 235
founder effect
Bij kolonisatie is de allelensamenstelling van de nieuwe populatie minder gevarieerd dan de allelensamenstelling van de oorspronkelijke populatie. 242
gradiëntecosysteem
Ecosysteem met geleidelijke veranderingen van soortensamenstelling en milieufactoren dat zorgt voor grote biodiversiteit. 241
heterotrofe organismen
Organismen die voor hun organische stoffen afhankelijk zijn van hun voedsel, de consumenten en reducenten in een ecosysteem. 237
inteelt
Kruisen van nauwverwante dieren, waarbij afwijkingen kunnen ontstaan. 240
invasieve exoot
Een soort die oorspronkelijk niet in een gebied voorkomt, maar zich nu snel vermeerdert en een ernstige verstoring teweegbrengt in het ecosysteem. 248
microklimaat
Klimaatomstandigheden die gelden voor (een deel) van een ecosysteem en afwijken van het klimaat in de rest van het gebied, bijvoorbeeld het microklimaat in een stad. 255
nitraatbacteriën
Chemo-autotrofe bacteriën die energie halen de oxidatie van NO2- tot NO3-. 237
nitrietbacteriën
Chemo-autotrofe bacteriën die energie halen de oxidatie van NH4+ tot NO2-. 237
organische stoffen
Stoffen met het element C waaraan H-atomen gekoppeld zijn, gemaakt door een organisme. 235
plaagorganismen
Planten of dieren die schadelijk of ongewenst zijn. 247
producenten
Organismen aan het begin van een voedselketen die energie vastleggen in organische verbindingen vanuit anorganische stoffen. 235, 256
recycling
hergebruik van de grondstoffen 253
reducenten
Organismen aan het eind van de voedselketen die leven van gestorven organismen en hun organische afvalproducten. 237
algenbloei
explosieve toename van algen ten gevolge van eutrofiëring van het oppervlaktewater 281
biologisch afbreekbaar
het omzetten van organische stoffen in anorganische stoffen door schimmels en bacterien. 291
broeikaseffect
natuurlijk warmte-isolerend effect van het broeikasgas CO2 274
broeikasgas
gas in de atmosfeer met een warmte-isolerende werking 274
cyanobacteriën
(blauwalgen) foto-autotrofe bacteriën met een blauwgroene kleur 282
eutrofiëring
verrijking van het oppervlaktewater met (an)organische voedingsstoffen 281
fosfaat accumulerende organismen (PAO's)
Bacteriën die veel fosfaat kunnen opnemen. 288
fossiele brandstoffen
organische stoffen in de bodem (sinks) in de vorm van bruin- en steenkool, aardolie en aardgas 271, 275, 282
groenbemesting
het verrijken van de bodem met stikstof afkomstig uit plantenresten 280
GWP
(global warming potential) De mate waarin een broeikasgas sterker is dan CO2. 275
hypoxie
tekort aan O2 282
indicatorsoorten
Soorten die een bepaald kenmerk van het milieu laten zien. Biologen gebruiken indicatorsoorten om de mate van vervuiling van een ecosysteem aan te geven. 289
kalkgesteenten
sink van CaCO3, resten van schelpen 271
langzame koolstofkringloop
kringloop van C van miljoenen jaren 272
lithosfeer
gesteenten en de bodem 286
microplastics
plastic bolletjes tot een paar mm groot 291
mycorrhiza
Symbiose van schimmel en plant, waardoor planten Pi (en andere voedingsstoffen) makkelijker opnemen. 287
nanoplastics
plastic deeltjes, vele malen kleiner dan een cel 291
omslagpunt
(kantelpunt) Een fase waarbij veranderingen in biotische en abiotische factoren in het ecosysteem dat de stabiliteit van een ecosysteem dusdanig ontregelen dat er een nieuw evenwicht ontstaat, met andere waarden voor biotische en abiotische factoren. Een omslagpunt kan ook ontstaan door menselijke invloed, bijvoorbeeld door waterverontreiniging. 292
permafrostgebieden
Toendra's rond de Noordpool, waarvan de bodems het hele jaar bevroren zijn. 271
persistent
Niet of niet gemakkelijk afbreekbaar; de stoffen hopen zich op in het lichaam en de voedselketen. 291
Pi
anorganische fosfaat, H2PO4-, HPO42- en PO43- 287
rhizosfeer
de directe omgeving van de wortels 287
sinks
bodemvoorraden organische stoffen, bijvoorbeeld koolstofverbindingen 271
snelle koolstofkringloop
kringloop van C van minuten tot enkele duizenden jaren 272
systeem Aarde
alle complexe voedselwebben en ecosystemen op aarde tezamen 271
vermesting
extra stikstof in de bodem via kunstmest, NOx en NH3 283
versterkt broeikaseffect
Het meer dan normaal vasthouden van warmte door de atmosfeer, vooral door een verhoogde CO2-concentratie in de atmosfeer ten gevolge van de verbranding van fossiele brandstoffen. 274