vwo5 nectar h9 Duurzaamheid

full-widthCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/57

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Study Analytics
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No study sessions yet.

58 Terms

1

adaptatie

een verandering in de leefwijze van een soort, vaak gekoppeld aan een mutatie van het DNA 247

2

anorganische stoffen

Stoffen zonder C-H-verbindingen, komen vrij in de natuur voor. 235

3

biobrandstof

Brandstof afkomstig van plantaardige producten, die hiervoor apart zijn geteeld. 251

4

biodiversiteit

het aantal soorten, en de relaties tussen die soorten en de genetische verscheidenheid in een bepaald gebied 251

5

biologische reiniging

afbraak van organische stoffen door bacteriën 249

6

chemo-autotrofe organismen

Organismen die met behulp van energie uit oxidaties van anorganische stoffen organische stoffen maken uit anorganische stoffen. 237

7

chemosynthese

Het opbouwen van organische stoffen uit anorganische met behulp van energie die vrijkomt bij een chemische reactie met anorganische stoffen. 237

8

denitrificerende bacteriën

Bacteriën die NO3- omzetten in N2-gas. 249

9

duurzame voedselproductie

een manier van voedsel produceren zonder schade aan het milieu 255

10

ecosysteem

een begrensd gebied met een wisselwerking tussen de organismen onderling (biotische factoren) en hun omgeving (abiotische factoren) 235

11

eilandtheorie

Beschrijft het verband tussen de biodiversiteit en factoren als de grootte van een eiland en de afstand die organismen moeten afleggen om er te komen. 241

12

exoten

Soorten afkomstig uit een ander gebied die zich vestigen in een ecosysteem. 247

13

extremofielen

Organismen die leven onder extreme omstandigheden. 247

14

fitness

het vermogen om bepaalde allelen door te geven aan de volgende generatie 240

15

flessenhalseffect

(bottleneck-effect) Een verandering in allelfrequenties na een epidemie, brand of andere ramp waarbij het aantal individuen/allelen sterk is afgenomen. 242

16

foto-autotrofe organismen

Organismen die met behulp van lichtenergie organische stoffen maken uit anorganische stoffen. 235

17

fotosynthese

Proces waarmee planten (en sommige bacteriën) met behulp van zonlicht energierijke C6H12O6 (glucose) maken uit CO2 en H2O 235

18

founder effect

Bij kolonisatie is de allelensamenstelling van de nieuwe populatie minder gevarieerd dan de allelensamenstelling van de oorspronkelijke populatie. 242

19

gradiëntecosysteem

Ecosysteem met geleidelijke veranderingen van soortensamenstelling en milieufactoren dat zorgt voor grote biodiversiteit. 241

20

heterotrofe organismen

Organismen die voor hun organische stoffen afhankelijk zijn van hun voedsel, de consumenten en reducenten in een ecosysteem. 237

21

inteelt

Kruisen van nauwverwante dieren, waarbij afwijkingen kunnen ontstaan. 240

22

invasieve exoot

Een soort die oorspronkelijk niet in een gebied voorkomt, maar zich nu snel vermeerdert en een ernstige verstoring teweegbrengt in het ecosysteem. 248

23

microklimaat

Klimaatomstandigheden die gelden voor (een deel) van een ecosysteem en afwijken van het klimaat in de rest van het gebied, bijvoorbeeld het microklimaat in een stad. 255

24

nitraatbacteriën

Chemo-autotrofe bacteriën die energie halen de oxidatie van NO2- tot NO3-. 237

25

nitrietbacteriën

Chemo-autotrofe bacteriën die energie halen de oxidatie van NH4+ tot NO2-. 237

26

organische stoffen

Stoffen met het element C waaraan H-atomen gekoppeld zijn, gemaakt door een organisme. 235

27

plaagorganismen

Planten of dieren die schadelijk of ongewenst zijn. 247

28

producenten

Organismen aan het begin van een voedselketen die energie vastleggen in organische verbindingen vanuit anorganische stoffen. 235, 256

29

recycling

hergebruik van de grondstoffen 253

30

reducenten

Organismen aan het eind van de voedselketen die leven van gestorven organismen en hun organische afvalproducten. 237

31

algenbloei

explosieve toename van algen ten gevolge van eutrofiëring van het oppervlaktewater 281

32

biologisch afbreekbaar

het omzetten van organische stoffen in anorganische stoffen door schimmels en bacterien. 291

33

broeikaseffect

natuurlijk warmte-isolerend effect van het broeikasgas CO2 274

34

broeikasgas

gas in de atmosfeer met een warmte-isolerende werking 274

35

cyanobacteriën

(blauwalgen) foto-autotrofe bacteriën met een blauwgroene kleur 282

36

eutrofiëring

verrijking van het oppervlaktewater met (an)organische voedingsstoffen 281

37

fosfaat accumulerende organismen (PAO's)

Bacteriën die veel fosfaat kunnen opnemen. 288

38

fossiele brandstoffen

organische stoffen in de bodem (sinks) in de vorm van bruin- en steenkool, aardolie en aardgas 271, 275, 282

39

groenbemesting

het verrijken van de bodem met stikstof afkomstig uit plantenresten 280

40

GWP

(global warming potential) De mate waarin een broeikasgas sterker is dan CO2. 275

41

hypoxie

tekort aan O2 282

42

indicatorsoorten

Soorten die een bepaald kenmerk van het milieu laten zien. Biologen gebruiken indicatorsoorten om de mate van vervuiling van een ecosysteem aan te geven. 289

43

kalkgesteenten

sink van CaCO3, resten van schelpen 271

44

langzame koolstofkringloop

kringloop van C van miljoenen jaren 272

45

lithosfeer

gesteenten en de bodem 286

46

microplastics

plastic bolletjes tot een paar mm groot 291

47

mycorrhiza

Symbiose van schimmel en plant, waardoor planten Pi (en andere voedingsstoffen) makkelijker opnemen. 287

48

nanoplastics

plastic deeltjes, vele malen kleiner dan een cel 291

49

omslagpunt

(kantelpunt) Een fase waarbij veranderingen in biotische en abiotische factoren in het ecosysteem dat de stabiliteit van een ecosysteem dusdanig ontregelen dat er een nieuw evenwicht ontstaat, met andere waarden voor biotische en abiotische factoren. Een omslagpunt kan ook ontstaan door menselijke invloed, bijvoorbeeld door waterverontreiniging. 292

50

permafrostgebieden

Toendra's rond de Noordpool, waarvan de bodems het hele jaar bevroren zijn. 271

51

persistent

Niet of niet gemakkelijk afbreekbaar; de stoffen hopen zich op in het lichaam en de voedselketen. 291

52

Pi

anorganische fosfaat, H2PO4-, HPO42- en PO43- 287

53

rhizosfeer

de directe omgeving van de wortels 287

54

sinks

bodemvoorraden organische stoffen, bijvoorbeeld koolstofverbindingen 271

55

snelle koolstofkringloop

kringloop van C van minuten tot enkele duizenden jaren 272

56

systeem Aarde

alle complexe voedselwebben en ecosystemen op aarde tezamen 271

57

vermesting

extra stikstof in de bodem via kunstmest, NOx en NH3 283

58

versterkt broeikaseffect

Het meer dan normaal vasthouden van warmte door de atmosfeer, vooral door een verhoogde CO2-concentratie in de atmosfeer ten gevolge van de verbranding van fossiele brandstoffen. 274