'Mot en de metaalvissers' - słownictwo | Quizlet

0.0(0)
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
Card Sorting

1/75

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Study Analytics
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced

No study sessions yet.

76 Terms

1
New cards

duikboot, de; duikboten

onderzeeer; łódź podwodna

2
New cards

kleermakerszit, de

houding waarbij je zit met de benen onder je gekruist; siad po turecku

3
New cards

kaarsrecht

recht als een kaars; prosty jak świeca

4
New cards

vaal

verbleekt, flets; wyblakły wypłowiały

5
New cards

opleveren, leverde op, h. opgeleverd

voortbrengen, al resultaat hebben; dostarczać

6
New cards

glanzen, glansde, h. geglansd

zacht blinken, stralen; błyszczeć

7
New cards

golvend

deinend; falujący

8
New cards

glommen, glom, h. geglommen

glanzen, blinken; błyszczeć

9
New cards

stralen, straalde, h. gestraald

blinken, schitteren; promieniować, promienieć

10
New cards

naar achteren

do tyłu

11
New cards

pashokje, het; pashokjes

paskamer; przymierzalnia

12
New cards

gedrocht, het; gedrochten

monster; okropność, monstrum

13
New cards

roerloos

onbeweeglijk, zonder roer; w bezruchu

14
New cards

afkeurende blik, de; afkeurende blikken

ontmoedigende/veroordelende blik; niechętne spojrzenie

15
New cards

iem. met rust laten

niet lastigvallen; zostawić w pokoju

16
New cards

ermee door kunnen

tevreden/voldoende zijn; coś jest zadowalające, wystarczające; ujdzie

17
New cards

dreumes, de; dreumesen

een kind van 1 tot 2/2.5 jaar; dziecko między 1. a 2. rokiem życia

18
New cards

peuter, de; peuters

een kind van 2/2.5 tot 4 jaar; dzięcko między 2. a 4. rokiem życia, malec, brzdąc

19
New cards

vingerverf, de; vingerverven

verf die met de vingers wordt gebruikt; farba do malowania palcami

20
New cards

toekijken, keek toe, h. toegekeken

naar iets kijken; przyglądać się

21
New cards

maten opnemen, nam op, h. opgenomen

maen (het resultaat) vaststellen; dokonać pomiaru

22
New cards

strikje, het; strikjes

verbinding van de einden van twee linten; wstążeczka

23
New cards

overeenkomen, kwam overeen, z. overeengekomen

gelijk zijn aan, overeenstemmen; zgadzać się, być podobnym

24
New cards

gruwel, de; gruwelen

iets afschuwelijks, iets waar je een afkeer van hebt; coś okropnego, przerażającego

25
New cards

kraagje, het; kraagjes

bekleedsel van hals, keel; de kreeg van een jas; kołnierzyk

26
New cards

afknippen, knipte af, h. afgeknipt

met een schaar afsnijden; odciąć, obciąć

27
New cards

redelijk

met rede begaafd; rozsądny

28
New cards

kwast, de; kwasten

borstel aan een stok als gereedschap; pędzel

29
New cards

fladderig

lichthoofdig, levend; żywy, radosny

30
New cards

stoer

leuk, vlot, flitsend; efektowny, krzykliwy

31
New cards

schuiven, schoof, z. geschoven

zonderoptillen door duwen voortbewegen over een vlak; przesuwać, popychać, sunąć

32
New cards

gitzwart

pikzwart; czarny jak noc

33
New cards

wennen aan

gewoon;/normaal vinden; przyzwyczaić się do

34
New cards

dartelend

zich uitgelaten of speels gedragend; rozbrykany

35
New cards

de bloemwei

grasveld met bloemen; łąka kwiatowa

36
New cards

tot afgrijzen van

hevige afkeer tegen iets hebben; ku zgrozie

37
New cards

mollig

zacht aanvoelend en niet hoekig van omtrek en lijnen; pulchny, pyzaty

38
New cards

droevig

treurig, bedroefd; smutny

39
New cards

broeierig

drukkend heet; zatłoczony; gorąco i duszno

40
New cards

rokerig

vol rook, met veel rook; zadymiony

41
New cards

uitstoot, de; uitstoten

het afstoten; wyziewy, spaliny, wyrzut

42
New cards

takelen, takelde, h. getakeld

met een takel ophijsen; wciągać przez wciągnik, rozładowywać

43
New cards

stevig

hecht sterk, flink; solidny, mocny

44
New cards

graan, het; granen

zaadkorrel van een korensoort; ziarno, zboże

45
New cards

plukje, het; plukjes

klein handvol, toef, bosje; kłaczek

46
New cards

keurig

met veel zorg voor netheid en goede manieren, smaakvol, mooi; schludnie, ładnie

47
New cards

verstoord

(door storing) uit zijn humeur, niet meer in balans; wzburzona, nieswoja

48
New cards

opschepper, de; opscheppers

iemand die opschept; chwalipięta

49
New cards

schutting, de; schuttingen

afsluiting, bv. van een tuin, meestal van planken; ogrodzenie, płot

50
New cards

schommestoel, de; schommelstoelen

stoel op gebogen onderstel waarin je kunt schomelen; bujany fotel

51
New cards

stokoud

hoogbejaard; stary jak świat

52
New cards

krakerige stem

krakend geluid stem; łamiący się, skrzeczący głos

53
New cards

pakhuis, het; pakhuizen

bergplaats van koopwaren enz. (itp.); magazyn

54
New cards

langskomen, kwam lang, z. langsgekomen

op bezoek komen; wpaść, przyjść

55
New cards

golf, de; golven

het op- enneergaan van water; fale

56
New cards

leunen, leunde, h. geleund (+naar voren)

rusten op, steunen tegen; pochylć się (do przodu)

57
New cards

opknappen, knapte op, h./z. opgeknapt

mooier, beter maken; odnowić, przeprowadzić renowację

58
New cards

knikken, knikte, h./z. geknikt

(door)buigen; tu: kiwnąc głową

59
New cards

steeg, de; stegen

nauw straatje; alejka, ścieżka

60
New cards

opkopen, kocht op, heeft opgekocht

alles kopen wat je van een artikel krijgen kunt; wykupić

61
New cards

lantaarnpaal, de; lantaarnpalen

paal van een straatlantaarn; latarnia

62
New cards

vrijmarkt, de; vrijmarkten

markt znder beprkingen of regels; wolny rynek

63
New cards

racen, racete, z. geracet

zeer snel lopen, rijden (enz.); ścigać się, sunąć

64
New cards

(+aan het) roer, het; roeren

onderdeel van een schip of vliegtuig dat dient om te sturen; ster (za sterem)

65
New cards

wapperen, wapperde, h. gewapperd

uitwaaien, fladderen door de wind; łopotać, powiewać na wietrze

66
New cards

razend

woedend, dol; szalona

67
New cards

vaart, de vaarten

het varen, de scheepvaart; gang, snelheid; prędkość

68
New cards

inslaan, sloeg in, h./z. ingeslagen

door slaan stukmaken; ingaan; met kracht in iets dringen; uderzyć, wedrzeć się, wpaść

69
New cards

brommen, bromde, h. gebromd

een dof grommend geluid laten horen; burczeć, mamrotać

70
New cards

speeltuin, de; speeltuinen

omheinde speelplaats met wippen, schommels, enz.; plac zabaw

71
New cards

spetter, de; spetters

spat; pluśnięcie

72
New cards

patser, de; patsers

iemand dieal te duikelijk laat blijken rijk te zijn; pozer

73
New cards

wier, het; wieren

(in het meervoud) lagere planten in water en op vochtige plaatsen = algen; wdorosty

74
New cards

verpieteren

podupaść, pogorszyć

75
New cards

neuriën

nucenie

76
New cards

korrel, de; korrels

rondachtig, vast lichaampje; ziarno, ziarenko