1/75
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced |
---|
No study sessions yet.
duikboot, de; duikboten
onderzeeer; łódź podwodna
kleermakerszit, de
houding waarbij je zit met de benen onder je gekruist; siad po turecku
kaarsrecht
recht als een kaars; prosty jak świeca
vaal
verbleekt, flets; wyblakły wypłowiały
opleveren, leverde op, h. opgeleverd
voortbrengen, al resultaat hebben; dostarczać
glanzen, glansde, h. geglansd
zacht blinken, stralen; błyszczeć
golvend
deinend; falujący
glommen, glom, h. geglommen
glanzen, blinken; błyszczeć
stralen, straalde, h. gestraald
blinken, schitteren; promieniować, promienieć
naar achteren
do tyłu
pashokje, het; pashokjes
paskamer; przymierzalnia
gedrocht, het; gedrochten
monster; okropność, monstrum
roerloos
onbeweeglijk, zonder roer; w bezruchu
afkeurende blik, de; afkeurende blikken
ontmoedigende/veroordelende blik; niechętne spojrzenie
iem. met rust laten
niet lastigvallen; zostawić w pokoju
ermee door kunnen
tevreden/voldoende zijn; coś jest zadowalające, wystarczające; ujdzie
dreumes, de; dreumesen
een kind van 1 tot 2/2.5 jaar; dziecko między 1. a 2. rokiem życia
peuter, de; peuters
een kind van 2/2.5 tot 4 jaar; dzięcko między 2. a 4. rokiem życia, malec, brzdąc
vingerverf, de; vingerverven
verf die met de vingers wordt gebruikt; farba do malowania palcami
toekijken, keek toe, h. toegekeken
naar iets kijken; przyglądać się
maten opnemen, nam op, h. opgenomen
maen (het resultaat) vaststellen; dokonać pomiaru
strikje, het; strikjes
verbinding van de einden van twee linten; wstążeczka
overeenkomen, kwam overeen, z. overeengekomen
gelijk zijn aan, overeenstemmen; zgadzać się, być podobnym
gruwel, de; gruwelen
iets afschuwelijks, iets waar je een afkeer van hebt; coś okropnego, przerażającego
kraagje, het; kraagjes
bekleedsel van hals, keel; de kreeg van een jas; kołnierzyk
afknippen, knipte af, h. afgeknipt
met een schaar afsnijden; odciąć, obciąć
redelijk
met rede begaafd; rozsądny
kwast, de; kwasten
borstel aan een stok als gereedschap; pędzel
fladderig
lichthoofdig, levend; żywy, radosny
stoer
leuk, vlot, flitsend; efektowny, krzykliwy
schuiven, schoof, z. geschoven
zonderoptillen door duwen voortbewegen over een vlak; przesuwać, popychać, sunąć
gitzwart
pikzwart; czarny jak noc
wennen aan
gewoon;/normaal vinden; przyzwyczaić się do
dartelend
zich uitgelaten of speels gedragend; rozbrykany
de bloemwei
grasveld met bloemen; łąka kwiatowa
tot afgrijzen van
hevige afkeer tegen iets hebben; ku zgrozie
mollig
zacht aanvoelend en niet hoekig van omtrek en lijnen; pulchny, pyzaty
droevig
treurig, bedroefd; smutny
broeierig
drukkend heet; zatłoczony; gorąco i duszno
rokerig
vol rook, met veel rook; zadymiony
uitstoot, de; uitstoten
het afstoten; wyziewy, spaliny, wyrzut
takelen, takelde, h. getakeld
met een takel ophijsen; wciągać przez wciągnik, rozładowywać
stevig
hecht sterk, flink; solidny, mocny
graan, het; granen
zaadkorrel van een korensoort; ziarno, zboże
plukje, het; plukjes
klein handvol, toef, bosje; kłaczek
keurig
met veel zorg voor netheid en goede manieren, smaakvol, mooi; schludnie, ładnie
verstoord
(door storing) uit zijn humeur, niet meer in balans; wzburzona, nieswoja
opschepper, de; opscheppers
iemand die opschept; chwalipięta
schutting, de; schuttingen
afsluiting, bv. van een tuin, meestal van planken; ogrodzenie, płot
schommestoel, de; schommelstoelen
stoel op gebogen onderstel waarin je kunt schomelen; bujany fotel
stokoud
hoogbejaard; stary jak świat
krakerige stem
krakend geluid stem; łamiący się, skrzeczący głos
pakhuis, het; pakhuizen
bergplaats van koopwaren enz. (itp.); magazyn
langskomen, kwam lang, z. langsgekomen
op bezoek komen; wpaść, przyjść
golf, de; golven
het op- enneergaan van water; fale
leunen, leunde, h. geleund (+naar voren)
rusten op, steunen tegen; pochylć się (do przodu)
opknappen, knapte op, h./z. opgeknapt
mooier, beter maken; odnowić, przeprowadzić renowację
knikken, knikte, h./z. geknikt
(door)buigen; tu: kiwnąc głową
steeg, de; stegen
nauw straatje; alejka, ścieżka
opkopen, kocht op, heeft opgekocht
alles kopen wat je van een artikel krijgen kunt; wykupić
lantaarnpaal, de; lantaarnpalen
paal van een straatlantaarn; latarnia
vrijmarkt, de; vrijmarkten
markt znder beprkingen of regels; wolny rynek
racen, racete, z. geracet
zeer snel lopen, rijden (enz.); ścigać się, sunąć
(+aan het) roer, het; roeren
onderdeel van een schip of vliegtuig dat dient om te sturen; ster (za sterem)
wapperen, wapperde, h. gewapperd
uitwaaien, fladderen door de wind; łopotać, powiewać na wietrze
razend
woedend, dol; szalona
vaart, de vaarten
het varen, de scheepvaart; gang, snelheid; prędkość
inslaan, sloeg in, h./z. ingeslagen
door slaan stukmaken; ingaan; met kracht in iets dringen; uderzyć, wedrzeć się, wpaść
brommen, bromde, h. gebromd
een dof grommend geluid laten horen; burczeć, mamrotać
speeltuin, de; speeltuinen
omheinde speelplaats met wippen, schommels, enz.; plac zabaw
spetter, de; spetters
spat; pluśnięcie
patser, de; patsers
iemand dieal te duikelijk laat blijken rijk te zijn; pozer
wier, het; wieren
(in het meervoud) lagere planten in water en op vochtige plaatsen = algen; wdorosty
verpieteren
podupaść, pogorszyć
neuriën
nucenie
korrel, de; korrels
rondachtig, vast lichaampje; ziarno, ziarenko