1/384
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced |
|---|
No study sessions yet.
een afspraak maken
fixer/prendre rendez-vous
De patiënt maakt een afspraak bij de dokter
Le patient prend rendez-vous chez le médecin
De dokter legt een afspraak met hem vast
Le médecin lui fixe rendez-vous
een afspraak annuleren
annuler un rendez-vous
een afspraak bevestigen
confirmer un rendez-vous
een afspraak uitstellen
reporter un rendez-vous
telefonisch bereikbaar zijn
être joignable par téléphone
opbellen
téléphoner à quelqu’un
ik bel hem op
je lui téléphone
terugbellen
retéléphoner
blijf aan de lijn
ne quittez pas/ restez en ligne
ik verbind u met hem door
je vous le passe
luider praten
parler plus fort
stiller praten
parler plus bas
met wie spreek ik
c’est de la part de qui
met wie heb ik de eer
a qui ai-je l’honneur
past dat voor u
ça vous convient/ça vous arrange
huisarts
un médecin de famille/unmédecin généraliste
een dokter raadplegen
consulter un médecin
dokter van wacht
le médecin de garde
naar de dokter gaan
aller voir le médecin
groepspraktijk
le cabinet de groupe
wachtkamer
la salle d’attente
spreekkamer
le cabinet
huisbezoek
la visite à domicile
symptoom
le symptôme
een symptoom verschijnt
un symptôme apparaît/se manifeste
de symptomen verergeren
les symptômes s’aggravent
de patiënt vertoont symptomen
le patient présente des symptomes
de dokter stelt symptomen vast
le médecin constate des symptômes
de dokter verbindt de symptomen met een ziekte
le médecin rattache les symptômes à une maladie
zich niet goed voelen
se sentir mal
pijn hebben
avoir mal
aankomen, verdikken
prendre du poids/grossir
afvallen, vermageren
perdre du poids/maigrir
braken
vomir
diarree hebben
avoir la diarrhée
geconstipeerd zijn
étre constipé
harde stoelgang hebben
avoir des selles dures
vloeibare stoelgang hebben
avoir des liquides
duizelig zijn
avoir un vertige/avoir la tête qui tourne
hees zijn
être enroué/avoir la voix rauque
een droge keel hebben
avoir la gorge sèche
hoesten
tousser
een dorge hoest hebben
avoir une toux sèche
een vette hoest, slijmhoest hebben
avoir une tousse grasse
een hoestbui hebben
avoir un accès de toux
fluimen ophoesten
cracher des glaires
gezwollen, opgezette klieren hebben
avoir des ganglions
hartkloppingen hebben
avoir des palpitations
de hik hebben
avoir le hoquet
huiduitslag hebben
avoir des éruptions cutanées
puist
le bouton
koortsblaas
le bouton de fièvre
eczema hebben
avoir l’eczéma
acne hebben
avoir de l’acné
jeuk hebben
avoir des démangeaisons
zich krabben
se gratter
kloven hebben
avoir des gerçures
koorts hebben
avoir de la fièvre
de koorts stijgt
la fièvre monte
de koorts daalt
la fièvre descend/baisse/diminue
kortademig zijn
avoir le souffle court
moeilijkheden hebben om te ademen
avoir des difficultés à respirer
een loopneus hebben
avoir le nez qui coule
zijn neus snuiten
se moucher
een verstopte neus hebben
avoir le nez bouché
misselijk zijn
avoir la nausée/mal au coeur
niezen
éternuer
gezondheid
a tes souhaits
rillen
grelotter/frissonner
rillingen hebben
avoir des frissons
slaperigheid
l’insomnie
stuipen hebben
avoir des convulsions
tintelingen hebben
avoir des forumillements
vermoeidheid
la fatigue
weinig eetlust hebben
avoir peu d’appétit
winderigheid
la flatulence
zure oprispingen hebben
avoir des remontées acides
zweten
suer/transpirer
zweet
la sueur/tanspiration
nat zijn van het zweet
être en sueur/ être en nage
pijn
la douleur
pijnloos
indolore
gevoelig
sensible
pijnlijk
douloureux
pijn hebben
avoir mal
zich pijn doen
se faire mal
kleinzerig zijn
être sensible à la douleur
acute pijn
une douleur aiguë
chronische pijn
une douleur chronique
brandende pijn
une douleur qui brûle
drukkende pijn
une douleur qui serre
erge pijn
une forte douleur
lichte pijn
une douleur faible
fantoompijn
une douleur de membre fantôme
kloppende pijn
une douleur pulsative
matige pijn
une douleur modérée
ondraaglijke pijn
une douleur intolérable
periodieke pijn
une douleur périodique