1/48
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No study sessions yet.
Angst als symptoom
Angst = normale reactie op angst opwekkende prikkel (‘bescherming’)
Pathologische angst = ongewoon intense of langdurige angst die buiten proporties is of angst zonder angstprikkel
Angst gaat gepaard met
met specifieke gedachten, lichamelijke symptomen en gedragingen
Mentale en fysieke klachten gerelateerd aan angst:
– Psychologisch arousal: angstige anticipatie, piekeren, prikkelbaarheid, gevoelig voor geluid, rusteloosheid, slechte concentratie
– Lichamelijke arousal:
Gastro-intestinaal: droge mond, misselijkheid, slikproblemen, buikpijnklachten, diarree
Respiratoir: benauwd gevoel op borstkast, moeilijke ademhaling
Cardiovasculair: hartkloppingen, ongemak in de borst, gevoel van ES
Genito-urinair: frequente mictie, erectiestoornissen, amenorroe
Autonoom: transpireren, koude rillingen
Motorisch: beven, spierpijnen
Neurologische: tintelingen, draaierigheid, hoofdpijn
DSM-5 Angststoornissen
Paniekstoornis
Agorafobie
Specifieke fobie
Sociale fobie
Gegeneraliseerde angststoornis (GAD)
Angststoornis door een somatische aandoening
Angststoornis door een middel
Separatieangststoornis
Selectief mutisme
Criteria van een paniekaanval
Een periode van intense angst en ongemak, met 4 of meer van volgende
13 symptomen, acuut opgekomen, met een piek binnen minuten
Cardiopulmonaal
Hartkloppingen of versnelde hartslag
Pijn of ongemak op de borst
Gevoel van ademnood/stikken
Naar adem snakken
Autonoom
Zweten
Koude rillingen of warmte-opwellingen
Gastro-intestinaal
Misselijkheid of buikklachten
Neurologisch
Beven
Duizeligheid, onvastheid, lichthoofdig of gevoelens van flauwvallen
Paresthesieën (doof gevoel of tintelingen)
Psychologisch
Derealisatie of depersonalisatie
Angst de zelfbeheersing te verliezen of gek worden
Angst te sterven
Bij verschillende psychiatrische stoornissen
paniekaanval – Spontaan versus situationeel
Spontaan: zonder duidelijke aanleiding, ook tijdens slaap (duur: enkele 10 tal minuten)
Situationeel: uitgelokt door fobische situatie (duur = duur van confrontatie)
Paniekstoornis DSM-5 Diagnostische criteria
A. Recidiverende onverwachte paniekaanvallen
B. Na tenminste één van de aanvallen was er ≥ 1 maand ≥ 1 van de volgende symptomen:
(a) Voortdurende bezig zijn met of bezorgdheid over het krijgen van een volgende aanval of over de gevolgen van een aanval (vb. controleverlies, hartaanval, “gek worden”)
(b) Belangrijke gedragsverandering in samenhang met de aanvallen (vermijdingsgedrag: lichamelijke inspanningen, onbekende situaties)
Paniekstoornis: paniekcirkel

Agorafobie DSM-5 Diagnostische criteria
A. Angst over 2 of meer van de 5 volgende situaties
gebruik van openbaar vervoer (auto, bus, vliegtuig, trein, schip)
in open plaatsen zijn (parking, brug, marktplein)
in afgesloten ruimte zijn (winkel, cinema, theaterzaal)
in rij staan of in menigte bevinden
alleen buitenhuis zijn
B. Angstig over of vermijding van deze situaties door gedachten dat ontsnappen moeilijk kan zijn of waar geen hulp beschikbaar zou kunnen zijn in het geval dat men een paniekachtige of beschamende verschijnselen krijgt.
Specifieke Fobie
Angst = kernsymtoom
Angst enkel in bep. omstandigheden, dus in andere omstandigheden geen angst
Vermijden van angst uitlokkende omstandigheden
Anticipatorische angst
Omstandigheden: situaties, dieren, bloed/injectie/verwonding, natuurfenomenen
Specifieke Fobie DSM-5 Diagnostische criteria (BELANGRIJK)
A. Duidelijke en aanhoudende angst over specifiek object of situatie (bvb vliegen, hoogten, dieren, een injectie krijgen, bloed zien)
Opm. bij kinderen: huilen, woede-uitbarsting, verstijven, vastklampen
B. Blootstelling aan de fobische prikkel veroorzaakt bijna zonder uitzondering een onmiddellijke angstreactie
Specifieke Fobie Epidemiologie
Vier types:
Diertype: honden, katten, muizen, insecten
Bloed-injectie-verwondingstype: bloed, wonden, ondergaan van medische ingrepen
Natuurtype: onweer, storm, grote hoogten, water
Situationele type: liften, vliegtuigen, afgesloten ruimten
Andere:
slikfobie (vb bang om vast voedsel door te slikken)
braakfobie (angst om te gaan braken)
Sociale Angststoornis DSM-5 Diagnostische criteria
A. Een duidelijke angst voor één of meer sociale situaties waarin men blootgesteld is aan een mogelijke kritische beoordeling door anderen (gesprek voeren, onbekende ontmoeten, presteren sociaal moet functioneren
B. De betrokkene is bang dat hij/zij zich op een manier zal gedragen of angstklachten zal vertonen die negatief beoordeeld worden (vernederend of beschamend worden, afwijzing)
Sociale Angststoornis
Angst voor en vermijden van sociale situaties, zoals:
Gesprekken (bekenden/onbekenden)
Iets drinken in bijzijn van anderen
Spreken in het openbaar, voordracht houden
Sociale samenkomsten, op bezoek gaan
Het middelpunt van de aandacht zijn
Screening bij patiënten die:
Schuchter, teruggetrokken, zwijgzaam
Psychologische symptomen: angst, verlegenheid, gespannen, vermijdend
Fysiologische symptomen: blozen, zweten, beven, hartkloppingen, GI-last
Misbruik van alcohol/geneesmiddelen/drugs
Depressieve symptomen
Sociale Angststoornis Probleem van herkenning
Sociale angststoornis is vaak te weinig herkend en te weinig behandeld
Patiënten met SAD
Geloven zelf vaak dat ze enkel “beschaamde mensen” zijn en dat dit deel uitmaakt van hun persoonlijkheid
Vermijden contacten met ongekende mensen en dit houdt ook vaak een consultatie bij een arts in
Sociale Angststoornis Impact op algemeen functioneren
Lager opleidingsniveau
Minder scholing
Werken beneden opleidingsniveau
Vaker werkloos
Hebben vaker geen partner
Gegeneraliseerde Angststoornis (GAD) DSM-5 diagnostische criteria
A. Buitensporige angst en bezorgdheid (bange voorgevoelens), gedurende 6 maanden vaker wel dan niet voorkomend, over een aantal gebeurtenissen of activiteiten (zoals werk of schoolprestaties)
B. Betrokkene vindt het moeilijk om de bezorgdheid onder controle te houden
C. Angst en bezorgdheid gaan samen met ≥ 3 symptomen (bij kinderen: ≥ 1)
1) rusteloos of gespannen gevoel (“opgedraaid”)
2) Snel vermoeid zijn
3) spierspanning
4) prikkelbaarheid
5) Moeilijke concentratie of zich niets kunnen herinneren
6) Slaapstoornis
Angststoornis door een middel/medicatie

Angststoornis door een somatische ziekte

Etiologie van angststoornissen
Genetische factoren
40%: Meer angststoornissen bij familieleden
Premorbiede gedragsinhibitie of angstgevoeligheid
Psychologische factoren
Voorkomen van ingrijpende gebeurtenissen
Vermijding onderhouden van angststoornis
Biologische factoren
dorsolaterale PFC, amygdala (emotionele waarde), hippocampus
Angststoornissen: epidemiologie
Lifetime prevalentie: 19%
Vrouwen > mannen
Hoge prevalentie in somatische klinieken: 60% (cardiologie), 10-30% (ORL, pneumo, neuro)
Hoge co-morbiditeit stemmingsstoornissen en alcohol- en middelenmisbruik
Angststoornissen behandeling
Medicamenteus
> Serotonerge antidepressiva
Start met lage doses en zeer trage opbouw
bij stop zonder psychotherapie: 50% herval
Benzodiazepines (vb Alprazolam)
cave afhankelijkheid
in begin van AD, of als geen andere behandeling effectief
> Cognitieve gedragstherapie
exposure in vivo of in vitro (in gedachten) + response preventie (veiligheidsgedrag die angst reduceren, nalaten)
identificatie van catastrofale cognities identificeren en uitdagen
Overige
Sociale vaardigheidstraining
Applied Relaxation
Applied tension (bloed/verwonding/injectie): spieren opspannen om niet flauw te vallen
Obsessief-Compulsieve en gerelateerde stoornissen
> personen in kindertijd vertonen dwangmatig gedrag (tussen lijntjes lopen, toetsen,…): controle geeft een gevoel van veiligheid in situatie met risico
Als risico groter wordt: meer gevoel van onveiligheid, angst waardoor meer controle gedrag (vb vakantie)
Bij OCS: negatieve gevolgen voor sociaal en beroepsmatig functioneren
Obsessief-Compulsieve en gerelateerde stoornissen: Welke?
Obsessief-compulsieve stoornis
Morfodysfore stoornis (‘stoornis in lichaamsbeleving’)
Verzamelstoornis (‘hoarding disorder’)
Trichotillomanie (‘haaruittrekstoornis’)
Excoriatiestoornis (‘huidpulkstoornis’)
OCS en gerelateerde stoornis door somatische aandoening
OCS en gerelateerde stoornis door middelen/medicatie
Obsessief-compulsieve stoornis (OCD) DSM-5 diagnostische criteria
A. De aanwezigheid van dwanggedachten (obsessies) en/of dwanghandelingen (compulsies)
B. De obsessies en compulsies kosten veel tijd (meer dan één uur per dag) of verstoren significant het sociale, beroepsmatig functioneren of andere gebieden van functioneren
Obsessief-compulsieve stoornis (OCD) DSM-5 diagnostische criteria
Dwanggedachten (obsessies)
1) Recidiverende en aanhoudende gedachten, impulsen of voorstellingen, die gedurende bepaalde momenten van de stoornis als intrusief en ongewenst beleefd worden en die in de meeste personen een duidelijke angst of lijdensdruk veroorzaken
2) Betrokkene probeert deze te negeren of onderdrukken, of te neutraliseren met een andere gedachte of handeling (een compulsie)
Obsessief-compulsieve stoornis (OCD) DSM-5 Diagnostische Criteria
Dwanghandelingen (compulsies)
1) Repetitieve handelingen (bvb handenwassen, ordenen, controleren) of psychische activiteit (bvb bidden, tellen, in stilte woorden herhalen) waartoe betrokkene zich gedwongen voelt in reactie op een dwanggedachte, of volgens regels die rigide moeten worden toegepast
2) De gedragingen of psychische activiteiten zijn gericht op het voorkomen of verminderen van angst of lijdensdruk of op het voorkomen van een bepaalde gevreesde gebeurtenis of situatie; deze gedragingen of psychische activiteiten tonen echter geen realistische samenhang met de gebeurtenis die geneutraliseerd of voorkomen moet worden, of zijn duidelijk overdreven
Obsessieve-compulsieve stoornis (OCS): voorbeelden obsessie en compulsies
Obsessies: dwanggedachten, dwangimpulsen en/of dwangbeelden
Ego-dystoon (ik-vreemd): niet-eigen, opgedrongen en onwenselijk
Moeilijk om van zich af te zetten
Gaan gepaard met angst of onrust
Hinder en schaamte!
Weerstand: negeren, neutraliseren of stoppen, bv door compulsies
Compulsies: dwanghandelingen (ook psychische activiteiten!)
Dwanghandelingen: handen wassenen, ordenen, controleren
Geruststellende psychische activiteiten: bidden, tellen, woorden in stilte herhalen

Obsessief-Compulsieve Stoornis Epidemiologie en beloop
Lifetime prevalentie is 1%
Mannen = vrouwen
Begin: adolescentie of jong-volwassenheid (20J)
Duurtijd tot diagnose is gemiddeld 10 jaar.
Tics (20%)
1/3 comorbiede cluster C persoonlijkheidsstoornis
Obsessie van symmetrie/orde, besmetting/cleaning, gevaarlijke gebeurtenis/controle, aggressieve/seksuele obsessies
Obsessief-Compulsieve Stoornis Behandeling
Farmacologisch
Serotonerge AD: SSRI, clomipramine
+ blokkage dopamine in lage dosis: risperdone, quetiapine
Stop medicatie: 50-70% herval binnen 1 jaar
Slechts 80% positieve respons bij herstart
Psychotherapeutisch: CBT
Neurochirurgie (‘cingulotomie’ , ‘capsulotomie’) en DBS
Morfodysfore stoornis Stoornis in de lichaamsbeleving
A. Preoccupatie met één of meer onvolmaaktheden in het uiterlijk die niet of minimaal observeerbaar zijn door anderen
B. Op bepaald moment tijdens de stoornis zijn er herhaaldelijke gedragingen (controle met spiegel, huidplukken, geruststelling zoeken) of mentale activiteiten (vergelijken met anderen) als reactie op de bezorgdheden ivm het uiterlijk
Hoarding/verzamelstoornis
A. Persistente moeilijkheid om bezittingen weg te doen of van afscheid te nemen, ongeacht hun waarde
B. Deze moeilijkheid is het gevolg van de noodzaak om zaken te sparen en van de stress bij het wegdoen ervan
C. De moeilijkheden om zaken weg te doen leiden tot accumulatie, waardoor leefruimte verstopt en rommelig wordt en hun gebruik hypothekeert. Als leefruimten ontruimd worden, komt dit enkel door derden
> mannen: epidemiologische studies > vrouwen: klinische samples
> 55-94j
Trichotillomanie
A. Herhaaldelijk uittrekken van haar, met haarverlies tot gevolg
B. Herhaaldelijke pogingen om haar uittrekken te verminderen of stoppen
Diff. Diagnose
normale haar wegname
OCD: haar uittrekken in kader van symmetrische rituelen
ontwikkelingsstoornissen
sychotische stoornissen: als reactie op waan:hallucinatie
medische aandoening
middelenmisbruik: stimulantia
Excoratie stoornis (skin picking)
A. Herhaaldelijk skin picking met huidwonde tot gevolg
B. Herhaaldelijke pogingen om skin picking te verminderen of stoppen
3/4 vrouwen
OCS en gerelateerde stoornis door middelen/medicatie
Amfetamines - cocaine
Aandoeningen van de basale ganglia/striatum: Gilles de la Tourette, Ziekte van Huntington, Ziekte van Parkinson
Trauma en stress gerelateerde stoornissen
Posttraumatische stressstoornis (PTSS)
Acute stress stoornis (ASS)
Aanpassingsstoornis
Reactieve hechtingsstoornis
Ontremd-sociaalcontactstoornis
Traumatische ervaring
A. Blootstelling aan een feitelijke of dreigende dood, een ernstige verwonding of seksueel geweld op één of meer dan de volgende manieren
Zelf ondergaan van de gebeurtenis
Persoonlijke getuige van de gebeurtenis bij anderen
Vernemen van traumatische gebeurtenissen (geweldadig/ongeval) bij naaste familieleden of goede vriend(en)
Herhaaldelijke en zeer belangrijke blootstelling aan afkerige details van traumatische gebeurtenis (stoffelijke resten verzamelen, politieagenten tgv kindmisbruik verhoren)
Meest frequente traumatische gebeurtenissen
Verkrachting
gevechtssituaties
Verwaarlozing en fysiek misbruik als kind
Fysiek geweld en dreiging met een vuurwapen (vrouwen)
Foltering
POW/concentratiekampen
<< natuurrampen, VKO,...
Prevalentie van traumatische gebeurtenissen
Approximately 20% of individuals exposed to a traumatic event will go on to develop PTSD
Post Traumatische Stress Stoornis (PTSD) Relatie traumatische gebeurtenis en risico op PTSD

ost Traumatische Stress Stoornis (PTSD) Prevalentie van “Probable PTSD” Post-September 11

Post Traumatische Stress Stoornis (PTSD) DSM-5 diagnostische criteria
A. Blootstelling aan een feitelijke of dreigende dood, een ernstige verwonding of seksueel geweld op één of meer dan de volgende manieren (zie traumatische gebeurtenis)
B. De aanwezigheid of één of meer intrusieve symptomen gelinkt aan de traumatische gebeurtenis en gestart na de traumatische gebeurtenis (³1)
Recidiverende, onvrijwillige, en zich intrusieve pijnlijke herinneringen aan de gebeurtenissen (bij kinderen: soms repetitief spel)
Recidiverend onaangename dromen met inhoud en affect gelinkt aan de traumatische gebeurtenis (bij kinderen: angstdromen zonder herkenbare inhoud)
Dissociatieve reacties (eg flashbacks) waarbij de persoon handelt of voelt alsof de traumatische gebeurtenis opnieuw plaatsvindt
Intens psychisch lijden bij blootstelling aan interne of externe stimuli die een aspect van de traumatische gebeurtenis symboliseren of erop lijken
Fysiologische reacties bij blootstelling aan interne en externe stimuli die een aspect van de traumatische gebeurtenis symboliseren of erop lijken
C. Aanhoudend vermijden van de prikkels gelinkt aan de traumatische gebeurtenis, met start na de traumatische gebeurtenis (1 of 2)
Vermijding of pogingen om pijnlijke herinneringen, gedachten, gevoelens horend bij het trauma te vermijden
Vermijding of pogingen om externe aspecten (personen, plaatsen, conversaties, activiteiten, objecten, situaties) die stresserende herinneringen, gedachten en gevoelens horend bij het trauma oproepen te vermijden
D. Negatieve veranderingen in cognitie en stemming gelinkt met de traumatische gebeurtenis beginnend en verslechterend na het trauma (waarvan minstens 2)
Onvermogen om belangrijke aspecten van het trauma te herinneren (dissociatieve amnesie)
Voortdurende en overdreven negatieve beliefs en verwachtingen over zichzelf, anderen en de wereld (ik ben slecht, niemand is te vertrouwen, de wereld is gevaarlijk)
Voortdurende en vertekende cognities over de oorzaak of gevolgen van het trauma die leiden tot het beschuldigen van zichzelf of anderen
Voortdurende negatieve gemoedstoestand (angst, kwaadheid, schuld, schaamte)
Verminderd interesse of deelname aan belangrijke activiteiten
Gevoelens van onthechting en vervreemding van anderen
Voortdurende onmogelijkheid om positieve gevoelens te beleven (geluk, ...)
E. Belangrijke veranderingen arousal en reactiviteit gelinkt met de traumatische gebeurtenis beginnend en verslechterend na het trauma (waarvan minstens 2)
Verstoring van de slaap (Moeite met inslapen of onrustige slaap)
Prikkelbaar gedrag of woedeuitbarstingen (zonder veel of geen provocatie), typisch verbale en fysieke aggressie naar objecten en anderen
Concentratiemoeilijkheden
Hypervigilantie
Roekeloos of zelf-destructief gedrag
Overdreven schrikreacties
F. Klachten gedurende minstens één maand
Kort PTSS
A. Blootstelling: Feitelijke/dreigende dood, ernstige verwonding of seksueel geweld.
B. Intrusieve symptomen (≥1):
Herinneringen, dromen, flashbacks, disocciatie
Psychisch lijden of fysiologische reacties bij triggers
C. Vermijding (≥1):
Interne (gedachten/gevoelens)
Externe (personen, plaatsen, situaties)
D. Negatieve cognitie/stemming (≥2):
Amnesie, negatieve beliefs, schuld, vervreemding, geen positieve gevoelens
E. Arousal/reactiviteit (≥2):
Slaapproblemen, prikkelbaarheid, concentratie, hypervigilantie, schrikreacties, roekeloos gedrag
F. Duur: Minstens 1 maand
Complex PTSD
Aanhoudend, herhaaldelijk trauma: gevangenschap, seksueel misbruik → complex van patroon van symptomen met
Somatisatie
Dissociatie
Affect dysregulatie
Slechte impulscontrole
Zelfdestructief gedrag
Pathologische interactiepatronen
PTSD Epidemiologie
Lifetime prevalentie: mannen 5% en vrouwen 10%
Vrouwen meer high-impact trauma dan mannen: verkrachting,verwaarlozing en fysiek misbruik als kind
Meerderheid maakt >1 traumatische ervaring mee:
mannen (81%) > vrouwen (74%)
Kans op PTSD na psychotrauma (20%-25%)
Post Traumatische Stress Stoornis (PTSD) Comorbiditeit
Depressie
Alcoholmisbruik
Angststoornissen
Middelenmisbruik
Somatisatiestoornis
Risicofactoren voor PTSD
Demografisch
Vrouw
Minderheid
Jongere leeftijd
Lagere sociaaleconomische status
Cognitief
Lagere opleiding
Lagere IQ
Psychiatrisch en trauma VG
Peri-trauma
Ernst van trauma (kinderen betrokken)
Levensbedreiging
verlies van controle (‘helplessness’)
Gevoelens van schuld en schaamte
Dissociatie en numbing
Post-trauma – lage sociale steun
DIRECT na traumatische gebeurtenis Behandeling
Preventie
Psychological first aid: veiligheid en zekerheid (bescherming tegen verdere stress en bedreiging), comfort, steun en praktische hulp (onmiddellijke fysieke zorg), gebruik van eigen netwerk stimuleren (hereniging met ‘loved ones’, samen delen van ervaring, linken met steunbronnen), stimuleren van gevoel van controle, identificeren wie verder hulp nodig heeft
Debriefing: individueel of in groep 24-72 uur na trauma (doelstellingen, feiten, gedachten, gevoelens, assessment van reacties, educatie, samenvatting)
Iedereen tevreden
geen effect of verhoging PTSD, zeker als hoger emotioneel uitgeput en verhoogde arousal
NIET AANGEWEZEN
CBT (2 weken na CI): educatie, relaxatie, exposure, cognitieve herstructurering, in vivo exposure
Farmacologie
>SSRI
Propranalol? verlaging adrenaline en verlaging consolidatie van traumatische herrinneringen
Posttraumatische Stress Stoornis (PTSD) Behandeling
Psychotherapie: (67% geen PTSD)
CBT (Exposure imaginair en in vivo)
EMDR (eye movement desensitization reprocessing)
Medicatie
AD: >> Serotonerge AD
Acute stress stoornis (ASS) DSM-5 diagnostische criteria
A. Trauma = identiek PTSD
B. De betrokkene heeft tenminste 9 of meer symptomen van één van de 5 categorieën: intrusie, negatieve stemming, dissociatie, vermijding en arousal beginnend en verslechterend na het trauma.
C. Duur van de stoornis is 3 dagen tot 1 maand na het trauma
ASS → meer risico op PTSD (Cave: 50% van PTSD geen ASS)