1/19
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Analogie (Analogy)
Een waargenomen gelijkenis tussen objecten of situaties die verder van elkaar verschillen; de basis voor het begrijpen van nieuwe concepten.
Inductief redeneren / Hypothesis construction (Inductive reasoning)
'Bottom-up' denken; het proberen te komen tot een algemene regel op basis van specifieke feiten of waarnemingen.
Beschikbaarheids-bias (Availability bias)
De neiging om te sterk te vertrouwen op informatie die makkelijk uit het geheugen op te roepen is.
Bevestigingsvooroordeel (Confirmation bias)
De natuurlijke neiging om informatie te zoeken die je huidige hypothese bevestigt in plaats van deze te ontkrachten.
Voorspelbare-wereld-bias (Predictable-world bias)
De neiging om patronen te zien in situaties die eigenlijk compleet willekeurig zijn, zoals bij gokken.
Deductief redeneren (Deductive reasoning)
'Top-down' denken; logische conclusies trekken uit stellingen (premissen) die als waar worden aangenomen.
Syllogisme (Syllogism)
Een klassiek deductief probleem bestaande uit een major-premisse (algemene regel), een minor-premisse (specifieke regel) en een conclusie.
Inzichtproblemen (Insight problems)
Problemen die onoplosbaar blijven tot je de situatie vanuit een totaal andere hoek bekijkt.
Mentale set (Mental set)
Een ingesleten gewoonte of starre manier van denken die het vinden van een nieuwe oplossing kan blokkeren.
Functionele gefixeerdheid (Functional fixedness)
Het onvermogen om een andere functie voor een object te zien dan de gebruikelijke (bijv. een hamer alleen als gereedschap zien).
Incubatieperiode (Incubation period)
Een pauze nemen van een probleem; hierdoor kunnen onbewuste processen leiden tot een plotseling inzicht.
Intelligentie (Intelligence)
De variabele capaciteit die ten grondslag ligt aan individuele verschillen in redeneren en probleemoplossing.
IQ (Intelligence Quotient)
Een score die je intelligentie aangeeft ten opzichte van het gemiddelde (100) van de populatie.
Algemene intelligentie / g (General intelligence)
De onderliggende mentale factor die bijdraagt aan prestaties op alle soorten mentale testen.
Vloeibare intelligentie (Fluid intelligence)
Het vermogen om logische relaties te zien tussen nieuwe stimuli, onafhankelijk van eerdere instructie.
Gekristalliseerde intelligentie (Crystallized intelligence)
Mentale capaciteit die direct voortkomt uit eerder geleerde informatie en ervaringen.
Nature-nurture debate
De discussie of verschillen in mensen primair komen door genen (nature) of door de omgeving (nurture).
Erfelijkheid (Heritability)
De mate waarin variatie in een eigenschap binnen een groep wordt veroorzaakt door genetische verschillen.
Flynn effect
De historische trend waarbij de gemiddelde IQ-scores elke 30 jaar met ongeveer 9 tot 15 punten stijgen.
Stereotype-dreiging (Stereotype threat)
Het fenomeen waarbij mensen slechter presteren omdat ze bang zijn een negatief stereotype over hun groep te bevestigen.