Send a link to your students to track their progress
131 Terms
1
New cards
Autotroof
Autotrofe planten bouwen zelfstandig van lichtenergie hun organische
verbindingenop.
2
New cards
Heterotroof
Heterotrofe planten zijn voor water en voeding geheel of gedeeltelijk van andere
organismenafhankelijk.
3
New cards
Boom
Een houtige plant met een enkele stam, in de regel hoger dan 5 m.
4
New cards
Struik
Houtige plant die zich al vanaf de grond vertakt.
5
New cards
Dwergstruik
Een lage struik, minder dan 50 cm hoog, met dikwijls kruidachtige takken.
6
New cards
Eenjarige plant
Een plant waarvan de levenscyclus zich binnen de 12 maanden afspeelt. Dit hoeft
niet binnen een kalenderjaar te zijn.
7
New cards
Tweejarige plant
Een plant waarvan de levenscyclus meer dan 1, maar minder dan 2 jaar duurt en
dienietinhet1stejaarbloeit.
8
New cards
Overblijvende plant
Kruidachtige plant die langer dan 2 jaar leeft, in de winter boven de grond afsterft,
maar in het voorjaar weer uitloopt.
9
New cards
Kruidachtig
Niet-houtig, met zachte, dunne, buigzame, saprijke stengels die afsterven na het
groeiseizoen.
10
New cards
Houtig/houtachtig
Boom, struik of dwergstruik met een harde structuur, sap arm. Stengels en takken zijn zelden groen.
Blijft meerdere seizoenen functioneren.
11
New cards
Geofyt
Een overblijvende plant waarvan de winteringsknoppen zich in de bodem
bevinden.
\ Bijvoorbeeld: door middel van wortelstok.
12
New cards
Helofyt
Overblijvende plant van de waterkant, waarvan de bladeren en de bloeiwijze boven
water uitsteken, maar waar van de overwinteringsknoppen ondergedoken blijven.
13
New cards
Hydrofyt
Overblijvende plant, drijvend of ondergedoken.
De overwinteringsorganen blijven onder water.
14
New cards
Epifyt
Een plant die op andere planten groeit zonder daaraan voedsel te onttrekken
15
New cards
Parasiet
Plant die leeft ten koste van andere planten, waardplanten of gastheren genaamd.
De plant neemt uit wortels of stengels, zouten en andere voedingsstoffen op met zuigwortels. Parasieten hebben geen groene bladeren en assimileren niet.
16
New cards
Halfparasiet
Plant die gedeeltelijk leeft ten koste van andere planten. De plant neemt uit wortels of stengels, zouten en andere voedingsstoffen op met zuigwortels. Zelf
heeft deze ook groene bladeren en assimileert dus.
17
New cards
Saprofiet
Organismen die zich voeden met de rest van dode planten/dieren. Hiertoe behoren
paddenstoelen, schimmels en bacteriën.
18
New cards
Halofyt
Een zoutplant, een plant die zodanig is aangepast dat deze in brak of zuur milieu
kan leven.
19
New cards
Lithofyt
Een plant die op stenen groeit
20
New cards
Xerofyt
Een plant die aangepast is aan zeer droge omstandigheden. Die aanpassingen bestaan vooral uit beperking van verdamping, mogelijkheid tot wateropslag in
boven-en ondergrondse delen of uit rustperiodes in het droge seizoen.
21
New cards
Bedektzadigen
= angiospermen
Planten waarbij de vruchtbladen zodanig gevouwen en aaneen gegroeid
zijn dat de zaadknoppen in een gesloten ruimte zitten.
22
New cards
Naaktzadigen
= gymnospermen
Planten waarbij de vruchtbladen niet aan de randen zijn aaneen gegroeid
zodat de zaadknoppen niet in een gesloten ruimte zitten.
23
New cards
Hybride
Een nageslacht van 2 verschillende soorten of ondersoorten van planten. Hoe groter de verschillen zijn tussen de soorten of de ondersoorten, hoe
groter de kans dat dit nageslacht onvruchtbaar is.
24
New cards
Monocotylen
= eenzaadlobbigen
Een plant waarbij uit de kiem 1 zaadlob of kiemblad ontstaan. Deze
zaadlob zijn anders gevormd dan een gewoon blad.
25
New cards
Dicotylen
= tweezaadlobbigen
Een plant waarbij uit de kiem 2 zaadlobben of kiembladeren ontstaan.
Deze zaadlobben zijn anders gevormd dan een gewoon blad.
26
New cards
Sporenplant
= lagere landplanten
Alle planten die zich met sporen kunnen voortplanten.
27
New cards
Zaadplant
= spermatofyten
Deze omvatten alle naaktzadigen en bedektzadigen
28
New cards
Aëroob
Een milieu dat met de atmosfeer in contact staat en daardoor zuurstof
bevat
29
New cards
Anaëroob
Een milieu dat volstrekt zuurstofloos is.
30
New cards
Allopatrisch
Betreft soorten of ondersoorten die geografisch gescheiden worden.
31
New cards
Sympatrisch
Betreft soorten of ondersoorten die geografisch in hetzelfde gebied of
overlappende gebieden voorkomen.
32
New cards
Assimilatie
= fotosynthese
Het proces waarbij groene planten koolzuurgas en water onder invloed van licht omzetten in complexe verbindingen, zijnde zetmeel en suikers en
zuurstof. Dit gebeurt door de groene stof chlorofyl.
33
New cards
Dissimilatie
= celademhaling
Het proces waarbij complexe stoffen, zijnde zetmeel en suikers afgebroken worden tot koolzuurgas en energie onder de vorm van AP. Dit gebeurt in
de mitochondriën.
34
New cards
Dichotoom
Verdeeld in 2 gelijke takken/delen
35
New cards
Fenotype
De uiterlijke verschijningsvorm van een plant of organisme
36
New cards
Genotype
Het totaal van erfelijke eigenschappen van een plant of een organisme
37
New cards
Populatie
Alle individuen van één soort die in een bepaald gebied voorkomen
38
New cards
Syntaxonomie
Wetenschap van het classificeren van vegetaties.
39
New cards
Vegetatiekunde
De studie van de vegetaties waarbij de classificering of syntaxonomie een
belangrijke rol speelt
40
New cards
Biotoop
= habitat
Het woongebied van een levensgemeenschap
41
New cards
Fycologie = algologie
De wetenschap die de algen of de wieren bestudeert
42
New cards
Euglenophyta
Geselwieren
43
New cards
Phaecophyta
Bruinwieren
44
New cards
Rhodophyta
Roodwieren
45
New cards
Chlorophyta
Groenwieren
46
New cards
Fototroof/chemotroof
Energie opbouwen vanuit lichtenergie/energie opbouwen vanuit chemische
energie
47
New cards
Hypoxie in water
Een zuurstoftekort in water
48
New cards
Fototaxis
Beweging naar het licht toe
49
New cards
Palmellastadium
Een toestand waarbij het oogwiertje zich bevindt in een droog milieu, de flagellen
verdwijnen en er is slijmproductie als ook een ongeslachtelijke voortplanting
50
New cards
Thallus
Een plant waaraan niet duidelijk wortel, stengel en bladeren kunnen
gedifferentieerd worden = ongedifferentieerd weefsel
51
New cards
Een dichotome
vertakking
Een vertakking die steeds in 2 delen verder loopt
52
New cards
Polymorf
Veelvormig
53
New cards
Sporofyt
Een sporofyt vormt sporen, het is de diploïde fase van een plant
54
New cards
Gametofyt
Een gametofyt vormt gameten, gametofyten en gameten zijn haploïd
55
New cards
Diploid
Een diploïde cel bevat 2 groepen ‘gelijke’ chromosomen, worden aangeduid met
2n
56
New cards
Haploid
Een haploïde cel bevat slechts 1 groep chromosomen, wordt aangeduid met n
57
New cards
Gameet
Een geslachtscel bestaande uit een eicel of een spermacel, beide zijn haploïd
58
New cards
Spore
Een haploïde voortplantingscel die in staat is om een andere plant te vormen
door middel van een aseksuele voortplanting, ontstaan door een reductiedeling
59
New cards
Generatiewisseling
De wisseling tussen 2 levensvormen in de voortplantingscyclus van een plant, de
wisseling tussen de diploïde en haploïde generatie
60
New cards
Isomorfe
generatiewisseling
Een generatiewisseling waarbij de sporofyt er hetzelfde uitziet als de gametofyt
61
New cards
Heteromorfe
generatiewisseling
Een generatiewisseling waarbij de sporofyt er helemaal anders uitziet als de gametofyt
62
New cards
Zygote
Een bevruchte cel, het product van de fusie van 2 gameten
63
New cards
Haplonte fase/diplonte fase
Fase waarbij een plant of plantencel in een haploïde fase is/fase waarbij een plant of plantencel in een diploïde fase is, de beide fasen samen vormen een
diplohaplonte levenscyclus
64
New cards
Regeneratievermogen
Het vermogen om zich ongeslachtelijk te vermeerderen = vegetatieve
vermeerdering
65
New cards
Isogamie
Versmelting van 2 morfologisch dezelfde gameten
66
New cards
Anisomgamie
= heterogamie = versmelting van 2 beweeglijke gameten met een verschillende
grootte, zijnde een micro-en macrogameet
67
New cards
Oögamie
Versmelting van een onbeweeglijke eicel met een mannelijke gameet, zijnde spermatozoïden die beweeglijk zijn en spermatiën die onbeweeglijk zijn, een
spermatium is een onbeweeglijke mannelijke gameet
68
New cards
Gymnospermen
Naaktzadigen
69
New cards
Cycadophyta
Cycaspalmen
70
New cards
Ginkgophyta
Ginkgoachtigen
71
New cards
Pinophyta
Naaldbomen
72
New cards
Angiospermen
Bedektzadigen
73
New cards
Monocotylen
Eenzaadlobbigen
74
New cards
Dicotylen
Tweezaadlobbigen
75
New cards
Strobilus
Kegelvormige groep sporofyllen
76
New cards
Ectotrofe mycorrhiza
Symbiotische samenlevingsvorm van fungi en wortels, zonder dat er
schade berokkend wordt
77
New cards
Eenslachtig
Bloem met enkel functionele meeldraden of functionele stamper(s)
78
New cards
Tweeslachtig
In de bloem zijn zowel functionele meeldraden als stamper(s) aanwezig
79
New cards
Eenhuizig
Mannelijke en vrouwelijke voortplantingsstructuren gescheiden, maar op
één zelfde individu
80
New cards
Tweehuizig
Mannelijke en vrouwelijke voortplantingsstructuren gescheiden, op twee
verschillende individuen
81
New cards
Endosperm
1. Primair endosperm: weefsel na de bevruchting ontstaan uit haploïd macroprothalliumweefsel (bij veel Gymnospermen); 2. Secundair endosperm: triploïd weefsel, gevormd door deling uit het versmeltingsproduct van de twee poolkernen en de tweede spermakern
82
New cards
Nucellusweefsel
Diploïd weefsel rond de vrouwelijke gametofyt of de embryozak
83
New cards
Micropyle
De kleine opening aan de top van een zaadknop, waardoorheen de
pollenbuis zal groeien net voor de bevruchting
84
New cards
Integumenten
Dun vliesje over de nucellus, dat aan de top de micropyle vormt
85
New cards
Zaadknop
Kleine knopvormige structuur op een placenta in het vruchtbeginsel, vóór
de bevruchting (wordt later een zaad)
86
New cards
Pollenbuis
Buisvormige uitgroei van een pollenkorrel, die op een compatibele
stempel is terecht gekomen, en groeit in de richting van de eicel
87
New cards
Bevruchting
Versmelting van twee gameten, tot vorming van een zygote
88
New cards
Cytologie
Celleer
89
New cards
Histologie
Weefselleer
90
New cards
Chromoplast
Kleurstofkorrels in planten
91
New cards
Chloroplast
Bladgroenkorrels, hierin vindt fotosynthese plaats
92
New cards
Leukoplast
Kleurloze korrels in planten, die zich nog kunnen ontwikkelen tot chromoplasten, chloroplasten of
zetmeelkorrels.
93
New cards
Het biologische eenheidsmembraan
Buitenste begrenzing van de cel en alle organellen. De membraan is opgebouwd uit fosfolipiden met daarin drijvend vele eiwitten met specifieke functies. De membraan is vloeibaar en zorgt dus niet voor stevigheid. De membraan is selectief permeabel. De membraan laat sommige
stoffen wel door en andere stoffen niet.
94
New cards
Diffusie
Verplaatsing van (opgeloste) stoffen vanaf een plaats met een hoge concentratie naar plaatsen
met een lage concentratie van die stof.
95
New cards
Osmose
Diffusie van water door een selectief permeabel membraan. De watermoleculen stromen van een gebied met een lage concentratie opgeloste stoffen (hypotoon) naar een gebied met een hoge concentratie (hypertoon). Je kan ook zeggen: watermoleculen stromen van een gebied met veel vrije watermoleculen naar een gebied met weinig
vrijewatermoleculen.
96
New cards
Plasmodesmata
Open kanaaltjes in een plantencelwand, die het
cytosol van 2 aanliggende cellen verbinden
97
New cards
Apoplastisch transport
Het transport in de plant buiten de levende cellen, hiertoe behoren het transport in
intercellulaire ruimtes.
98
New cards
Symplastisch transport
Het transport binnen de cel en van cel tot cel via
plasmodesmata.
99
New cards
Turgordruk
Druk op de celwand die ontstaat, omdat de cel water opneemt. De cel neemt water op indien deze hypertoon is ten opzichte van het omringende milieu. Turgor geeft stevigheid aan de plantencel. Heeft de cel een lagere osmotische waarde ten opzichte van het milieu, dan zal de cel
water afstaan aan het milieu.
100
New cards
Vesicel
Een organel van een cel. Het is een klein blaasje dat stoffen bevat en omgeven is door een membraan. De functie van een vesikel is het opslaan of het transporteren van bepaalde