1/61
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Argumentatie
Een complexe taalhandeling met als specifiek communicatief doel het oplossen van een meningsverschil.
Deugdelijk argumenteren
Het op een correcte manier verdedigen van een stelling, waarbij wordt voldaan aan drie voorwaarden: aanvaardbare premissen, geldige/plausibele redeneringen en naleving van de tien discussieregels.
Protagonist
De persoon die een stelling naar voren brengt en deze moet verdedigen wanneer daarom wordt gevraagd (draagt de bewijslast).
Antagonist
De persoon die twijfel uit of kritiek levert op de stelling van de protagonist.
Pragma-dialectische theorie
Een normatieve theorie die argumentatie beschouwt als een complexe taalhandeling met als doel het oplossen van een meningsverschil, en die een kader biedt om argumentatieve gedachtewisselingen te beoordelen aan de hand van tien regels.
Presumptiebeginsel
Het principe dat de status quo (de bestaande situatie) vermoedelijk correct is. In geval van conflicterende stellingen rust de bewijslast op de uitdager (degene die de verandering wil).
Enthymeem
Een redenering waarin niet alle premissen expliciet worden vermeld; er wordt een premisse verzwegen.
Vrijheidsregel
Regel 1: Niemand mag zijn gesprekspartner beletten een andere stelling te verdedigen. Iedereen moet vrijuit kunnen spreken.
Bewijslastregel
Regel 2: Wie een stelling poneert (de protagonist), moet die verdedigen als daarom wordt gevraagd.
Standpuntregel
Regel 3: Een aanval moet gericht zijn op de stelling die de andere partij daadwerkelijk naar voren heeft gebracht.
Relevantieregel
Regel 4: Je mag je stelling alleen onderbouwen met argumenten die relevant zijn voor die stelling.
Verzwegen-premisseregel
Regel 5: Men mag geen verantwoordelijkheid ontkennen voor een premisse die men impliciet heeft gelaten, en mag ook niet ten onrechte een verzwegen premisse aan de gesprekspartner toeschrijven.
Uitgangspuntregel
Regel 6: Je moet je argumentatie baseren op uitgangspunten die beide partijen aanvaarden.
Geldigheidsregel
Regel 7: Als je deductief redeneert, moet die redenering geldig zijn (of geldig gemaakt kunnen worden door verzwegen premissen te expliciteren). Bij andere redeneringen is plausibiliteit vereist.
Argumentatieschemaregel
Regel 8: De overgang van onderbouwing naar stelling moet via een weg gebeuren die aanvaardbaar is voor je gesprekspartner (via een aanvaardbaar argumentatieschema).
Afsluitingsregel
Regel 9: Men moet bereid zijn de uitkomst van de discussie te aanvaarden.
Helderheidsregel
Regel 10: Gebruik geen onduidelijke of dubbelzinnige formuleringen en interpreteer formuleringen van de andere partij zo accuraat mogelijk.
Welwillendheidsprincipe
Het principe dat je, wanneer een gesprekspartner zich dubbelzinnig uitdrukt, diens bewoordingen welwillend moet proberen te begrijpen.
Argumentum ad hominem
Een persoonlijke aanval waarbij men de stelling bekritiseert door de persoon van de steller aan te vallen (beledigend, omstandigheids- of inconsistentievariant). Schendt de vrijheidsregel wanneer onterecht.
Argumentum ad baculum
Een argument waarbij men een stelling probeert af te dwingen door te verwijzen naar een dreiging of nadelige gevolgen voor de tegenpartij ("met de stok").
Argumentum ad misericordiam
Een argument waarbij men inspeelt op het medelijden van de deelnemer om deze zijn stelling te laten varen.
Stroman-argument
Het vervormen van andermans stelling tot een karikatuur (een "man van stro") om deze gemakkelijker te kunnen weerleggen. Schendt de standpuntregel.
Ignoratio elenchi
Een afleidingsmanoeuvre waarbij men een ander onderwerp ter sprake brengt en het debat een andere richting uitstuurt. Letterlijk: "ontwetendheid van wat moet worden weerlegd". Schendt de relevantieregel.
Rode haring
Synoniem voor ignoratio elenchi: een irrelevante afleiding in een discussie.
Genetische drogreden
Een specifieke vorm van de omstandigheidsvariant van het argumentum ad hominem, waarbij men een stelling enkel beoordeelt op basis van de oorsprong of herkomst van de steller.
Tu quoque-drogreden
De inconsistentievariant van het argumentum ad hominem, waarbij men de geloofwaardigheid van een stelling ondermijnt door erop te wijzen dat de steller zelf het tegenovergestelde doet ("jij ook").
Argumentum ad verecundiam
Een onterecht beroep op ontzag, waarbij men zich beroept op een expert buiten diens vakgebied of zonder dat er consensus bestaat.
Halo-effect
De cognitieve bias waarbij men meer waarde hecht aan de mening van een expert, zelfs buiten diens eigen vakgebied.
Argumentum ad populum
Een argument waarbij men stelt dat een standpunt juist is omdat het volk of de meerderheid het deelt.
Valseconsensuseffect
De cognitieve bias waarbij mensen de neiging hebben om te overschatten hoeveel andere mensen denken zoals zij.
Bandwagon effect
De cognitieve bias waarbij mensen overhaast meespringen op de kar van de meerderheid.
Post hoc, ergo propter hoc
Een redeneerfout waarbij men ten onrechte concludeert dat omdat gebeurtenis A voorafging aan gebeurtenis B, A de oorzaak is van B ("na dit, dus door dit").
Cum hoc, ergo propter hoc
Een redeneerfout waarbij men ten onrechte concludeert dat omdat twee gebeurtenissen samenvallen, de ene de oorzaak is van de andere ("met dit, dus door dit").
Hellend vlak (slippery slope)
Een variant van het argument op basis van gevolgen, waarbij men stelt dat het toelaten van A zal leiden tot een onvermijdelijke keten van gebeurtenissen die eindigt in het onwenselijke Z, dus A mag niet worden toegelaten.
Argumentum ad ignorantiam
Een argument op basis van gebrek aan informatie, waarbij men een stelling onderbouwt door te verwijzen naar onwetendheid of het ontbreken van bewijs van het tegendeel.
Equivocatie
Een redeneerfout waarbij een begrip met meerdere betekenissen wordt gebruikt in een redenering, waardoor een betekenisverschuiving ontstaat die de redenering ongeldig maakt.
Is/ought-drogreden
De foutieve redenering waarbij men uit een feitelijke toestand (is) alleen een normatief oordeel (ought) afleidt, zonder een extra normatieve premisse.
Argumentum ad lapidem
Het wegzetten van een stelling als absurd zonder deze inhoudelijk te weerleggen.
Argumentatieschema
Een herkenbaar patroon of type verband dat wordt gebruikt om een argument op te bouwen van premissen naar conclusie. Elk schema gaat gepaard met kritische vragen om de deugdelijkheid te beoordelen.
Argument op basis van bijzondere geplaatstheid
Een schema waarbij men zich beroept op een persoon die door zijn positie of toevallige, ongestructureerde ervaring bijzonder goed geplaatst is om de relevante informatie te kennen.
Argument op basis van (inhoudelijke) deskundigheid
Een schema waarbij men zich beroept op een persoon met systematische, gestructureerde expertise om een stelling aannemelijk te maken.
Argument op basis van de persoon
Een schema dat wordt gebruikt om een stelling te bekritiseren door de steller te bekritiseren. Kan deugdelijk zijn (bv. bij partijdigheid) maar vaak een drogreden. Kent vier varianten: beledigend, omstandigheids-, inconsistentie- en onbekwaamheidsvariant.
Argument op basis van gedeelde overtuiging
Een schema waarbij men een stelling ondersteunt door te wijzen op het feit dat velen (de meerderheid, "de man in de straat") die stelling delen.
Argument op basis van gevolgen
Een schema waarbij men een stelling onderbouwt door te wijzen op de positieve of negatieve gevolgen ervan.
Argument op basis van regelmaat
Een schema waarbij men een conclusie afleidt uit een regelmatig optredend verband tussen gebeurtenissen (voor voorspelling of verklaring).
Argument op basis van gelijkenis (analogie)
Een schema (a simile of a pari) waarbij men stelt dat wat geldt voor het brongeval ook moet gelden voor het doelgeval omdat er een relevante gelijkenis bestaat.
Argument op basis van verschil (a contrario)
Een schema waarbij men een stelling onderbouwt door te verwijzen naar een relevant verschil tussen het doelgeval en een brongeval, zodat het besluit anders moet luiden.
Argument a fortiori
Een schema waarbij men stelt dat wat geldt voor een bepaald geval, des te meer moet gelden voor een sterker, zwaarder of evidenter geval binnen dezelfde categorie.
Argument op basis van regels
Een schema waarbij men een stelling verdedigt door haar voor te stellen als een toepassing van een algemene regel (gedrags-, waarderings- of betekenisregel) op een concreet geval.
Argument op basis van testresultaten
Een schema waarbij men een stelling onderbouwt door te verwijzen naar testresultaten, experimenten of wetenschappelijke analyses.
Argument op basis van gebrek aan informatie
Een schema (argumentum ad ignorantiam) waarbij men een stelling onderbouwt door te verwijzen naar onwetendheid of het gebrek aan bewijs van het tegendeel.
Brongeval (analogon)
Het geval waarnaar men verwijst in een analogie- of a contrario-argument; het geval waarvoor de regel of het oordeel al vaststaat.
Doelgeval
Het geval waarover men een conclusie wil trekken in een analogie- of a contrario-argument; het geval waarvan de status moet worden bepaald.
Analogiegevolg
Het resultaat van de analogie-redenering: de conclusie dat wat geldt voor het brongeval ook geldt voor het doelgeval.
Antecedens
Het "als"-deel van een conditionele uitspraak (als p, dan q). Belangrijk voor de beoordeling van de deugdelijkheid van a contrario-argumenten.
Consequens
Het "dan"-deel van een conditionele uitspraak (als p, dan q).
Voldoende voorwaarde
Een voorwaarde die, als ze aanwezig is, voldoende is om het gevolg te laten optreden. Bij een a contrario-argument leidt dit tot ondeugdelijkheid.
Noodzakelijke voorwaarde
Een voorwaarde die aanwezig moet zijn opdat het gevolg kan optreden. Bij een a contrario-argument leidt dit tot deugdelijkheid.
Correlatie
Een statistisch verband tussen twee variabelen. Correlatie impliceert geen causaliteit.
Causaliteit
Een oorzakelijk verband tussen twee gebeurtenissen of variabelen.
Ethosvariabelen
De drie aspecten van de spreker die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid: deskundigheid, onpartijdigheid en belangeloosheid.
Curse of knowledge
De cognitieve bias waarbij men zich moeilijk kan verplaatsen in iemand die minder kennis heeft, waardoor men onduidelijk kan formuleren