1/143
layout: infinitief -> verleden tijd(enkelvoudig), verleden tijd(meervoudig), voltooide tijd -- vb. : eten -> at, aten, gegeten(heb) (= ik heb gegeten)
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced |
---|
No study sessions yet.
bakken
bakte, bakten, bakken (heb)
bederven
bedierf, bedierven, bedorven (heb/ben)
bedriegen
bedroog, bedrogen, bedrogen (heb)
beginnen
begon, begonnen, begonnen (ben)
begrijpen
begreep, begrepen, begrepen (heb)
bevallen
beviel, bevielen, bevallen (ben)
bewegen
bewoog, bewogen, bewogen (heb)
bezoeken
bezocht, bezochten, bezocht (heb)
bidden
bad, baden, gebeden (heb)
bieden
bood, boden, geboden (heb)
bijten
beet, beten, gebeten (heb)
binden
bond, bonden, gebonden (heb)
blazen
blies, bliezen, geblazen (heb)
blijken
bleek, bleken, gebleken (ben)
blijven
bleef, bleven, gebleven (ben)
braden
braadde, braadden, gebraden (heb)
breken
brak, braken, gebroken (heb)
brengen
bracht, brachten, gebracht (heb)
buigen
boog, bogen, gebogen (heb)
denken
dacht, dachten, gedacht (heb)
doen
deed, deden, gedaan (heb)
dragen
droeg, droegen, gedragen (heb)
drijven
dreef, dreven, gedreven (heb)
drinken
dronk, dronken, gedronken (heb)
duiken
dook, doken, gedoken (ben)
dwingen
dwong, dwongen, gedwongen (heb)
ervaren
ervoer, ervoeren, ervaren (heb)
eten
at, aten, gegeten (heb)
fluiten
floot, floten, gefloten (heb)
gaan
ging, gingen, gegaan (ben)
genezen
genas, genazen, genezen (ben)
genieten
genoot, genoten, genoten (heb)
geven
gaf, gaven, gegeven (heb)
gieten
goot, goten, gegoten (heb)
glijden
gleed, gleden, gegleden (ben)
glimmen
glom, glommen, geglommen (heb)
graven
groef, groeven, gegraven (heb)
hangen
hing, hingen, gehangen (heb)
hebben
had, hadden, gehad (heb)
helpen
hielp, hielpen, geholpen (heb)
heten
heette, heetten, geheten (heb)
houden
hield, hielden, gehouden (heb)
kiezen
koos, kozen, gekozen (heb)
kijken
keek, keken, gekeken (heb)
klimmen
klom, klommen, geklommen (ben)
klinken
klonk, klonken, geklonken (heb)
knijpen
kneep, knepen, geknepen (heb)
komen
kwam, kwamen, gekomen (ben)
kopen
kocht, kochten, gekocht (heb)
krijgen
kreeg, kregen, gekregen (heb)
krimpen
kromp, krompen, gekrompen (ben)
kruipen
kroop, kropen, gekropen (ben)
kunnen
kon, konden, gekund (heb)
lachen
lachte, lachten, gelachen (heb)
laden
laadde, laadden, geladen (heb)
laten
liet, lieten, gelaten (heb)
lezen
las, lazen, gelezen (heb)
liegen
loog, logen, gelogen (heb)
liggen
lag, lagen, gelegen (heb)
lijden
leed, leden, geleden (heb)
lijken
leek, leken, geleken (heb)
lopen
liep, liepen, gelopen (ben)
meten
mat, maten, gemeten (heb)
moeten
moest, moesten, gemoeten (heb)
mogen
mocht, mochten, gemogen (heb)
nemen
nam, namen, genomen (heb)
ontbijten
ontbeet, ontbeten, ontbeten (heb)
ontwerpen
ontwierp, ontwerpten, ontworpen (heb)
overlijden
overleed, overleden, overleden (ben)
raden
raadde, raadden, geraden (heb)
rijden
reed, reden, gereden (heb)
roepen
riep, riepen, geroepen (heb)
ruiken
rook, roken, geroken (heb)
scheiden
scheidde, scheidden, gescheiden (heb)
schelden
schold, scholden, gescholden (heb)
schenken
schonk, schonken, geschonken (heb)
scheren
schoor, schoren, geschoren (heb)
schieten
schoot, schoten, geschoten (heb)
schijnen
scheen, schenen, geschenen (heb)
schrijven
schreef, schreven, geschreven (heb)
schrikken
schrok, schrokken, geschrokken (ben)
schuiven
schoof, schoven, geschoven (heb)
slaan
sloeg, sloegen, geslagen (heb)
slapen
sliep, sliepen, geslapen (heb)
slijpen
slepe, slepen, geslepen(heb)
sluipen
sloop, slopen, geslopen (ben)
sluiten
sloot, sloten, gesloten (heb)
smelten
smolt, smolten, gesmolten (heb)
snijden
sneed, sneden, gesneden (ben)
snuiten
snoot, snoten, gesnoten(heb)
snuiven
snoof, snoven, gesnoven (heb)
spijten
speet (het), /, gespeten (heeft)
spreken
sprak, spraken, gesproken (heb)
springen
sprong, sprongen, gesprongen (heb)
spuiten
spoot, spoten, gespoten (heb)
staan
stond, stonden, gestaan (heb)
steken
stak, staken, gestoken (heb)
stelen
stal, stalen, gestolen (heb)
sterven
stierf, stierven, gestorven (ben)
stijgen
steeg, stegen, gestegen (ben)