lijst onregelmatige werkwoorden

0.0(0)
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
Card Sorting

1/143

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

layout: infinitief -> verleden tijd(enkelvoudig), verleden tijd(meervoudig), voltooide tijd -- vb. : eten -> at, aten, gegeten(heb) (= ik heb gegeten)

Study Analytics
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced

No study sessions yet.

144 Terms

1
New cards

bakken

bakte, bakten, bakken (heb)

2
New cards

bederven

bedierf, bedierven, bedorven (heb/ben)

3
New cards

bedriegen

bedroog, bedrogen, bedrogen (heb)

4
New cards

beginnen

begon, begonnen, begonnen (ben)

5
New cards

begrijpen

begreep, begrepen, begrepen (heb)

6
New cards

bevallen

beviel, bevielen, bevallen (ben)

7
New cards

bewegen

bewoog, bewogen, bewogen (heb)

8
New cards

bezoeken

bezocht, bezochten, bezocht (heb)

9
New cards

bidden

bad, baden, gebeden (heb)

10
New cards

bieden

bood, boden, geboden (heb)

11
New cards

bijten

beet, beten, gebeten (heb)

12
New cards

binden

bond, bonden, gebonden (heb)

13
New cards

blazen

blies, bliezen, geblazen (heb)

14
New cards

blijken

bleek, bleken, gebleken (ben)

15
New cards

blijven

bleef, bleven, gebleven (ben)

16
New cards

braden

braadde, braadden, gebraden (heb)

17
New cards

breken

brak, braken, gebroken (heb)

18
New cards

brengen

bracht, brachten, gebracht (heb)

19
New cards

buigen

boog, bogen, gebogen (heb)

20
New cards

denken

dacht, dachten, gedacht (heb)

21
New cards

doen

deed, deden, gedaan (heb)

22
New cards

dragen

droeg, droegen, gedragen (heb)

23
New cards

drijven

dreef, dreven, gedreven (heb)

24
New cards

drinken

dronk, dronken, gedronken (heb)

25
New cards

duiken

dook, doken, gedoken (ben)

26
New cards

dwingen

dwong, dwongen, gedwongen (heb)

27
New cards

ervaren

ervoer, ervoeren, ervaren (heb)

28
New cards

eten

at, aten, gegeten (heb)

29
New cards

fluiten

floot, floten, gefloten (heb)

30
New cards

gaan

ging, gingen, gegaan (ben)

31
New cards

genezen

genas, genazen, genezen (ben)

32
New cards

genieten

genoot, genoten, genoten (heb)

33
New cards

geven

gaf, gaven, gegeven (heb)

34
New cards

gieten

goot, goten, gegoten (heb)

35
New cards

glijden

gleed, gleden, gegleden (ben)

36
New cards

glimmen

glom, glommen, geglommen (heb)

37
New cards

graven

groef, groeven, gegraven (heb)

38
New cards

hangen

hing, hingen, gehangen (heb)

39
New cards

hebben

had, hadden, gehad (heb)

40
New cards

helpen

hielp, hielpen, geholpen (heb)

41
New cards

heten

heette, heetten, geheten (heb)

42
New cards

houden

hield, hielden, gehouden (heb)

43
New cards

kiezen

koos, kozen, gekozen (heb)

44
New cards

kijken

keek, keken, gekeken (heb)

45
New cards

klimmen

klom, klommen, geklommen (ben)

46
New cards

klinken

klonk, klonken, geklonken (heb)

47
New cards

knijpen

kneep, knepen, geknepen (heb)

48
New cards

komen

kwam, kwamen, gekomen (ben)

49
New cards

kopen

kocht, kochten, gekocht (heb)

50
New cards

krijgen

kreeg, kregen, gekregen (heb)

51
New cards

krimpen

kromp, krompen, gekrompen (ben)

52
New cards

kruipen

kroop, kropen, gekropen (ben)

53
New cards

kunnen

kon, konden, gekund (heb)

54
New cards

lachen

lachte, lachten, gelachen (heb)

55
New cards

laden

laadde, laadden, geladen (heb)

56
New cards

laten

liet, lieten, gelaten (heb)

57
New cards

lezen

las, lazen, gelezen (heb)

58
New cards

liegen

loog, logen, gelogen (heb)

59
New cards

liggen

lag, lagen, gelegen (heb)

60
New cards

lijden

leed, leden, geleden (heb)

61
New cards

lijken

leek, leken, geleken (heb)

62
New cards

lopen

liep, liepen, gelopen (ben)

63
New cards

meten

mat, maten, gemeten (heb)

64
New cards

moeten

moest, moesten, gemoeten (heb)

65
New cards

mogen

mocht, mochten, gemogen (heb)

66
New cards

nemen

nam, namen, genomen (heb)

67
New cards

ontbijten

ontbeet, ontbeten, ontbeten (heb)

68
New cards

ontwerpen

ontwierp, ontwerpten, ontworpen (heb)

69
New cards

overlijden

overleed, overleden, overleden (ben)

70
New cards

raden

raadde, raadden, geraden (heb)

71
New cards

rijden

reed, reden, gereden (heb)

72
New cards

roepen

riep, riepen, geroepen (heb)

73
New cards

ruiken

rook, roken, geroken (heb)

74
New cards

scheiden

scheidde, scheidden, gescheiden (heb)

75
New cards

schelden

schold, scholden, gescholden (heb)

76
New cards

schenken

schonk, schonken, geschonken (heb)

77
New cards

scheren

schoor, schoren, geschoren (heb)

78
New cards

schieten

schoot, schoten, geschoten (heb)

79
New cards

schijnen

scheen, schenen, geschenen (heb)

80
New cards

schrijven

schreef, schreven, geschreven (heb)

81
New cards

schrikken

schrok, schrokken, geschrokken (ben)

82
New cards

schuiven

schoof, schoven, geschoven (heb)

83
New cards

slaan

sloeg, sloegen, geslagen (heb)

84
New cards

slapen

sliep, sliepen, geslapen (heb)

85
New cards

slijpen

slepe, slepen, geslepen(heb)

86
New cards

sluipen

sloop, slopen, geslopen (ben)

87
New cards

sluiten

sloot, sloten, gesloten (heb)

88
New cards

smelten

smolt, smolten, gesmolten (heb)

89
New cards

snijden

sneed, sneden, gesneden (ben)

90
New cards

snuiten

snoot, snoten, gesnoten(heb)

91
New cards

snuiven

snoof, snoven, gesnoven (heb)

92
New cards

spijten

speet (het), /, gespeten (heeft)

93
New cards

spreken

sprak, spraken, gesproken (heb)

94
New cards

springen

sprong, sprongen, gesprongen (heb)

95
New cards

spuiten

spoot, spoten, gespoten (heb)

96
New cards

staan

stond, stonden, gestaan (heb)

97
New cards

steken

stak, staken, gestoken (heb)

98
New cards

stelen

stal, stalen, gestolen (heb)

99
New cards

sterven

stierf, stierven, gestorven (ben)

100
New cards

stijgen

steeg, stegen, gestegen (ben)