1/99
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced |
|---|
No study sessions yet.
de
the (masculine/feminine singular, plural)
en
and
in
in
van
of
op
on
zijn
to be
het
the (singular neutral); it
een
a
voor
for; in front of
die
that; those; that/who
met
with
te
to
hebben
to have
niet
not
aan
to
ook
also
er
there
als
when
veel
much
kunnen
to be able to
dat
that
om
(a)round
worden
to be / to become
nog
still
bij
near; by
zij, ze
she; they
naar
to
uit
from
gaan
to go
komen
to come
zullen
will
of
or
over
over; about
moeten
must; to have to
door
through
al
already
geen
no
dan
then
goed
good
wel
rather
maken
to make; to repair
tot
to
hij
he
wat
what
zo
so
nu
now
zijn
his
het jaar
year
ander
other
doen
to do
dit
this
willen
to want
zich
herself/himself/itself/themselves
staan
to stand
zien
to see
zeggen
to say
krijgen
to get
wij, we
we
groot
big; great
na
after
hun
their; (to) them
ik
I
deze
this; these
daar
there
jij, je
you
vinden
to find
laten
to let
al, alle, alles
all
tegen
against; towards
twee
two
een, één
one
geven
to give
heel
whole
blijven
to remain
waar
where; true
toch
yet
ons
us; our
onder
under
weten
to know
zitten
to sit
dan
then
maar
but; only; just
de mens
human
omdat
because
alleen
alone
nemen
to take
houden
to hold
nieuw
new
mogen
to be allowed
weer
again
de tijd
time
lang
long; tall
af
off
liggen
to lie
dus
so
haar
her
drie
three
tussen
between
mij, me
me
eens
once; (not) eve