1/286
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced |
---|
No study sessions yet.
verschillende soorten anatomie
systematische anatomie
behandeling van verschillende functionele stelsels → skelet als ‘raamwerk’ van het menselijk lichaam
topografische anatomie
uiteengerafelde stelsels geplaatst in hun topografisch verband
regionale anatomie
obv ‘natuurlijke’ gebieden van het lichaam → bv. arm, been, thorax, abdomen, hoofd & hals, handpalm…
oppervlakteanatomie
waarnemen van anatomische structuren bij levende personen
osteologie
= studie van het skelet
artrologie
= studie van de onderlinge beenverbindingen (articulatio of junctura)
verbindingen houden 2 of meer botstukken tegen elkaar
maken weinig of veel beweging mogelijk
maken het ‘staan’ mogelijk
myologie
= studie van de skeletspieren
systeem stelt het lichaam in staat zichzelf of delen van het lichaam te bewegen
innervatie
= studie van de zenuwen die de spieren bevelen
vascularisatie
= studie van de bloedvaten van de ledematen, vereist voor de voeding van het bot, spieren enzovoort
de anatomische positie
= rechtop met ogen naar de horizon gericht, armen langs het lichaam met de handpalmen naar voren, voeten staan tegen elkaar en de tenen wijzen naar voren
assen
cephalo-caudale as
as van boven naar onderen
dorso-ventrale as = sagittale as
as van rugzijde naar buikzijde
latero-laterale as = transversale as
van de ene zijde van het lichaam naar de andere → as van rechts naar links of omgekeerd
vlakken
microscopische bouw spierweefsel: 3 soorten spierweefsel
dwarsgestreepte spieren
gladde spiercellen
hartspier
microscopische bouw spierweefsel: dwarsgestreepte spieren
= willekeurige spieren → contractie is onderworpen aan onze wil, we kunnen de werking ervan controleren
microscopisch beeld: brede banden met veel dwarsstreepjes erop
functionele & contractiele bouwwstenen van spiervezels: myosine & actine in sacromeren (zorgt voor rangschikking)
heel snel & krachtige samentrekking, maar raken snel uitgeput → tijd nodig om weer op krachten te komen (fatigue)
besturen van spiercontracties: via info die we krijgen over houding van lichaam & veranderingen van houding
informatie = proprioceptie → wordt via receptoren in huid, gewrichtskapsels, spieren & pezen doorgeseind naar centrale zenuwstelsel
microscopische bouw spierweefsel: uitzonderingen soort spieren!
dwarsgestreepte spieren die we niet bewust kunnen samentrekken:
bv. kleine spiertjes in het middenoor
dwarsgestreepte spieren die thuishoren bij andere stelsels:
bv. tongspieren, de willekeurige spieren van de uitwendige geslachtsorganen, willekeurige sphincterspieren van anus (aars) & urethra (urinewegkanaal)
microscopische bouw spierweefsel: gladde spiercellen
= onwillekeurige spieren → niet afhankelijk van onze wil
geïnnerveerd door autonome/ sympathische/ vegetatieve zenuwstelsel
trekken vrij langzaam samen, maar kunnen aan één stuk door blijven werken → raken niet uitgeput
zorgen voor automatische handelingen
bv. spiercellen in wand van bloedvaten, spiercellen in wand van maag-darmkanaal
microscopische bouw spierweefsel: hartspier
contraheert niet afhankelijk van onze wil, maar microscopische structuur is net als die van dwarsgestreepte spierweefsel
contractie: niet afhankelijk van autonome innervatie, maar door automatisme in het hart zelf (eigenschap van hartspiercellen)
macroscopische bouw van een spier & omgevende structuren: macroscopische bouw van een spier
spier → spierbuik + pezen
spierbuik: opgebouwd uit spiervezels of spiercellen
spiervezels/ spiercellen: omgeven door bindweefsellaagje = endomysium
verschillende spiervezels samen = ‘fasciculus’: door perimysium omgeven
→ alle fasciculi: omgeven door epimysium
vliezen komen allemaal samen & eindigen in de pees
van klein naar groot:
myofibril → spiercel (spiervezel) → fasiculus → spier
macroscopische bouw van een spier & omgevende structuren: aanhechting van de spieren
aan het skelet
aan de diepe zijde van de huid → bij contractie verplaatst de huid
bv. spieren van de mimiek in het aangezicht, m. palmaris brevis thv de handpalm
aan andere pezen, vliezen (fascia) of gewrichtskapsel
functie: ondersteuning en opstimalisatie van werking van andere spieren of ligamenten
bv. m. quadratus plantae, m. tensor fascia lata, mm. lumbricalis
aan vliezen (fascia)
bv. m. gluteus maximus
macroscopische bouw van een spier & omgevende structuren: fascia
fascia = dun glad bindweefselvliesje → zorgt ervoor dat spier verschuifbaar blijft tov andere spieren + verhindert al te sterke vormveranderingen bij contractie
3 soorten:
fascia propria
fascia communis
fascia generalis
fascia propria
→ omgeeft 1 spier
fascia communis
→ omringt een groep van spieren
fascia generalis
→ omgeeft een volledig onderdeel van het lichaam (kan stevig zijn)
macroscopische bouw van een spier & omgevende structuren: vagina synovialis/ peesschede
= dubbelwandige buizen, kokers, gevuld met synovia (slijm of smeer)
waar pezen langs skeletdelen lopen & onderworpen zijn aan wrijvingskrachten → omgeven door vagina synovialis/ peesschede
vergemakkelijken het glijden van pezen
macroscopische bouw van een spier & omgevende structuren: bursa synovialis/ slijmbeurs
= zakvormige structuur waarin een visceuze vloeistof zit
vaak in regio’s waar veel wrijving voorkomt → nabij gewrichten
vergemakkelijken het glijden van spierpezen
bv. bursa olecrani (studentenelleboog), bursa prepatellaris (patersknie)
macroscopische bouw van een spier & omgevende structuren: retinaculum
= verdikt deel van de fascia thv pols & enkel
hecht zich vast op bot-uitsteeksel & houdt de pezen van de spieren op hun plaats
beschrijving en soorten spieren: oorsprong (O) & insertie (I)
= aanhechtingsplaatsen van elke spier aan verschillende botstukken
in armen & benen:
verbinding met proximale botstuk = oorsprong
meer distaal gelegen botstuk = insertie
in theorie: oorsprong blijft bij contractie onbeweeglijk, insertie verplaatst zich
in werkelijkheid: hangt af van houding & werking van andere spieren
→ beweging door spier opgewekt = gevolg van verkorting van spiervezels
richting & zin van beweging kunnen afgeleid worden uit kennis van aanhechtingspunten
oorsprong van spieren → vaak niet alleen bot, MAAR:
septum intermusculare = bindweefseltussenschot tussen spiergroepen
bv. flexoren & extensoren van onderarm en onderbeen
oorsprong of insertie op fascia
bv. m. tensor fascia lata (insereert op fascia lata), m. palmaris longus (insereert op aponeurosis palmaris)
beschrijving en soorten spieren: verloop (V)
= ligging van de spier tussen oorsprong & insertie
beschrijving en soorten spieren: werking/ functie (W)
= gevolg van samentrekking van de spier = beweging die plaatsvindt tgv contractie van de spier
beschrijving en soorten spieren: innervatie/ bezenuwing (Inn)
= elke spier wordt door bepaalde zenuw geïnnerveerd
→ belangrijk naar pathologie toe
beschrijving en soorten spieren: soorten spieren
aantal oorsprongskoppen bepaalt of een spier eenkoppig of meerkoppig is
meerkoppig? → meer dan een spierbuik heeft een zelfstandige oorsprong
meestal op verschillende botstukken
meerkoppigheid komt voor in de naam van de spier: bv. m. biceps brachii, m. triceps brachii, m. quadriceps femoris
meerbuikige spieren: meer dan 1 spierbuik ligt achter elkaar tussen oorsprong en insertie
spierbuiken verbonden door een tussenpees
bv. m. rectus abdominis, m. digastricus
beschrijving en soorten spieren: variaties
soms heeft een spier een extra spierbuik of spierkop
bij sommige individuen: supplementaire spier
= variaties → sommige zijn frequent, andere minder frequent
bv. spieren die vaak ontbreken: m. palmaris longus, m. peroneus tertius, m. psoas minor
beschrijving en soorten spieren: spierlengte & relatie met kracht
beschreven door Huxley & Niedergerke → Sliding filament theory
optimale spierlengte waarbij een maximale kracht bij contractie wordt uitgevoerd
actieve krachtproductie neemt af bij inkorten of verlengen van de spier
vuistregel: optimale lengte = lengte waarop spier het meest actief is tijdens normale dagelijkse activiteiten
verschillende spieren hebben bijzonder verloop of ondersteunende mechanismen waardoor spierlengte optimaal wordt gehouden
bv. deltoïdspier: ondervindt door simultane rotatie van schouderblad minder lengteverlies bij elevatie & kan zo krachtiger blijven contraheren
bv. iliopsoasspier thv de heup: behoudt door bijzondere verloop een gunstige lengte bij flexie van de heup
beschrijving en soorten spieren: richting van de spiervezels → soorten (macroscopisch obv richting van hun vezels)
parallelvezelige/ fusiforme spieren
gevederde/ pennate spieren
parallelvezelige/ fusiforme spieren
= spieren waarvan richting van de spiervezels dezelfde is als die waarin de kracht wordt uitgeoefend
parallelvezelig = convergerende spieren
spiervezels convergeren van een brede oorsprong naar een smalle pees
bv. pectoralis major
gevederde/ pennate spieren
= spieren waarvan de richting van de spiervezels een hoek vertoont met de richting van de uitgeoefende kracht
unipennate → alle vezels maken dezelfde hoek
bipennate → 2 soorten vezelrichtingen
multipennate → verscheidene vezelrichtingen
kringspieren/ sfincters → afsluiten van buisvormig kanaal
→ gevederde spieren hebben grotere maximale krachtproductie (meer vezels op doorsnede), maar verliezen sneller hun gunstige lengte-krachtrelatie (maar korter) in vgl met parallelvezelige spieren
beschrijving en soorten spieren: samentrekking/ contractie van de spier
beweging = samenwerking van spieren
synergisten = spieren die samenwerken om een bepaalde beweging uit te voeren
antagonisten = spieren die een beweging in tegengestelde zin veroorzaken
→ bij uitvoeren van beweging: synergisten trekken samen, maar antagonisten werken tezelfdertijd tegen of geven toe
bv. buiging in de elleboog gaat gepaard met relaxatie van de strekkers
soorten contractie
isotonische contractie = constante spierkracht waarbij oorsprong & insertie naar elkaar toe gebracht worden
isometrische contractie = oorsprong & insertie blijven ter plaatse
beschrijving en soorten spieren: bloedvoorziening van de spier
zeer goed van bloed voorzien
bij contracties: debiet kan enorm toenemen (tot 10x) → door arteriële vasodilatatie = arteriën of slagaders verwijden
bij een spierscheur → °groot hematoom/ bloeduitstorting
op echografie: ‘bell-clapper sign’ → een groot hematoom omgeeft het geruptureerde spiergedeelte = beeld van een klepel in een klok
innervatie van de gestreepte spieren: vezels/ zenuwen
motorische vezels
sensibele vezels
autonome vezels
→ vormen samen een ruggenmergzenuw/ spinale zenuw
°uit ruggenmerg
hersenzenuwen/ craniale zenuwen
→ °uit hersenen & hersenstam
= perifere zenuwstelsel
gemengde of niet gemengde zenuwen opgebouwd uit motorische & sensibele vezels en vezels vanuit het autonome zenuwstelsel
(centrale zenuwstelsel: prikkels bereiken de spieren via uitlopers (axonen) van de zenuwcellen (neuronen), gelegen in de ventrale hoorn van het ruggenmerg (medulla spinalis)
innervatie van de gestreepte spieren: motorische vezels
bewuste contractie → beweging
rusttonus → aanwezig zonder bewust gebruik te maken van een spier
reflexen zijn verantwoordelijk → worden uitgelokt door lichte uitrekking van de spier
posturale reflexen handhaven houding van het lichaam
trofische (‘voedende’) invloed op de spier, ten gevolge van de rusttonus
bv. bij denervatie (= wanneer spier geen innervatie meer ontvangt): totale atrofie (= wegsmelten) van een spier
bv. hypertrofie bij verrichten van zware arbeid: toenemen van het volume van de spier, toename van de contractiekracht & het uithoudingsvermogen
innervatie van de gestreepte spieren: sensibele innervatie
proprioceptoren = receptoren die informatie in de vorm van prikkels doorsturen naar het centrale zenuwstelsel
info over het bewegingsapparaat & over de positie van het lichaam
bv. veranderingen in de lengte van de spierbuik, spanning in de pees, krachtontwikkeling van de spier, bewegingen in het gewricht, snelheid, richting & bereiken van de grenzen van de beweging
bij een spierrekkingsreflex/ rekreflex: passieve uitrekking van de spier → prikkelt de sensibele zenuwvezeltjes
prikkel naar ruggenmerg → activeert de motorische zenuwvezels van de spier → spier trekt kortstondig samen
bv. kniepeesreflex: korte tik op de kniepees onder de patella/ knieschijf → contractie van de spier → knie wordt gestrekt
antagonisten tezelfdertijd geremd
proprioceptieve vezels bereiken meeste spieren langs nervi spinales => samen met motorische vezels in dezelfde zenuwen
proprioceptieve prikkel: als bewust ervaren in de grote hersenen, maar in cerebellum (kleine hersenen) onbewuste coördinatie
3 types beenverbindingen
junctura fibrosa
junctura cartilaginea
junctura synovialis
junctura fibrosa
→ botstukken verbonden door middel van fibreus bindweefsel
weinig of geen beweeglijkheid mogelijk
soorten:
sutuur → zeer weinig bindweefsel
bv. suturen tussen de schedelbeenderen
syndesmose → meer bindweefsel aanwezig
bv. syndesmosen tussen sacrum & ilium, fibula & tibia, membrana interossea tussen ulna & radius
synostose → verbening van de fibreuze structuren
kan door een normale natuurlijk evolutie
bv. craniale beenderen
kan door afwijkende evolutie
bv. tibiofibulaire synostosis na enkelchirurgie, craniosynostose van schedel bij de geboorte
junctura cartilaginea
→ botstukken verbonden door middel van kraakbeen
soorten:
synchondrose → verbinding door hyalien kraakbeen
bv. tussen ribben & sternum, tussen manubrium & corpus sterni
bv. epifysaire plaat (groeiplaatembryologie)
symfyse → beenderen verbonden door fibrocartilago (met soms een holte)
bv. symphysis pubica, tussenwervelschijven
synostose → verbening van de cartilagineuze structuren
bv. tussen processus xyphoideus & corpus sterni
junctura synovialis (synoviaal gewricht)
= articulatio → eigenlijke gewrichten
vrij beweeglijk
botten door een gewrichtsholte (cavum articulare) of een gewrichtsspleet van elkaar gescheiden
holte: gevuld met synovia/ gewrichtsvocht/gewrichtssmeer
gewrichtskapsel (capsula articularis) rond het gewricht
gewrichtsvlakken met kraakbeen bedekt → bot komt nooit ik contact met de holte
= beenderige articulatievlakken die meestal in elkaar passen
gewrichtskop = convex
gewrichtspan/ -kom = concaaf
labrum articulare
fibrocartilagineuze rand langs de buitenzijde van de kom, om de gewrichtspan dieper te maken
bv. labrum glenoidale, labrum acetabulare
meniscus articulare/ discus articulare
fibrocartilagineuze/ bindweefsel kraakbeen-tussenschot dat een deel van het gewricht afscheidt = meniscus articulare
bv. kniegewricht, acromioclaviculaire gewricht, polsgewricht
volledige afscheiding tussen de botuiteinden = discus articulare
bv. wervelzuil
→ uit vezelig kraakbeen of vezelig bindweefsel
→ verdelen holte in twee en heffen discongruente oppervlakken op (kop gaat dan beter in kom passen)
→ schokdemping & lastverdeling
→ vervorming van discus of meniscus = betere uitvoering van bepaalde bewegingen
junctura synovialis (synoviaal gewricht) → gewrichtskapsel
op de botuiteinden, vormt een zak rond het gewricht
binnenste laag = membrana synovialis
bedekt de membrana fibrosa naar binnen toe
losmazig bindweefsel, scheidt gewrichtsvocht/ synovia af in de gewrichtsholte
vastgehecht langs de rand van het gewrichtskraakbeen → begint waar het kraakbeen eindigt op het ene bot & eindigt waar het kraakbeen begint op het andere bot
buitenste laag = membrana fibrosa
dikke collageenvezels, hecht zich vast op het bot → loopt soms verder als periost
ligamenten/ gewrichtsbanden versterken het kapsel/ overspannen het gewricht op zekere afstand → sturen of remmen bewegingen in bepaalde richtingen
soms ligamenten midden door gewrichtsholte (kunnen in 2 verdelen) → bv. kruisbanden thv de knie
tussen beide membranen: ophoping vetweefsel → membrana synovialis wordt voor zich uitgeduwd
°plicae of villi synoviales
bursa synovialis = uitstulping van de membrana synovialis doorheen de membrana fibrosa
kapselspanners = spieren die plooien wegtrekken (plooivorming van het kapsel in bepaalde standen bij veel gewrichten)
bv. musculus articularis genu
bloedvoorziening in het kapsel = zeer goed
afwezig in het gewrichtskraakbeen → heeft dus geen regeneratievermogen bij een scheur
synoviale membraan is goed doorbloed
innervatie van kapsel & ligamenten: meestal door dezelfde zenuw als die voor de spieren die het gewricht overbruggen → meestal gemengd
proprioceptieve vezels: sturen informatie betreffende stand & beweging van gewricht door naar centrale zenuwstelsel
geen zenuwen in het kraakbeen
soorten synoviale gewrichten volgens hun vorm
voor bewegingen rond 1 as:
scharnier- of cilindergewrichten
articulatio trochoidea (draai- of pivotgewrichten)
articulatio plana (platte gewrichtsoppervlakken)
voor beweging rond 2 assen:
articulatio ellipsoidea (eigewricht of condylair gewricht)
articulatio sellaris (zadelgewricht)
voor beweging rond 3 assen:
articulatio spheroidea (kogelgewricht)
scharnier- of cilindergewrichten
→ voor bewegingen rond 1 as
scharniergewricht = ginglymus
bijkomende specifieke types:
articulatio trochlearis (scharnier met trochlea)
articulatio cochlearis = schroefgewricht = assymetrisch scharniergewricht
beweging: flexie/ extensie
bv. interphalangiale gewrichten, articulatio humeroulnaris, articulatio talocruralis
articulatio trochoidea (draai- of pivotgewricht)
→ voor bewegingen rond 1 as
as ligt evenwijdig met de lengteas van de beenderen
bv. rotatie tussen radius & ulna
articulatio plana (platte gewrichtsoppervlakken)
→ voor bewegingen rond 1 as
translaties (over elkaar schuiven) & rotaties
bv. tussen os naviculare & os cuneiforme laterale
articulatio ellipsoidea (eigewricht of condylair gewricht)
→ voor bewegingen rond 2 assen
beweging rond de kleine & de grote as
mogelijke bewegingen: flexie-extensie & adductie-abductie
bv. articulatio radiocarpea (tussen radius & scaphoid-lunatum), articulatio atlanto-occipitalis
articulatio sellaris (zadelgewricht)
→ voor bewegingen rond 2 assen
het ene uiteinde heeft de vorm van een zadel, het andere past erin
bewegingsmogelijkheden iets breder dan in het eigewricht
bv. tussen os trapezium & eerste metacarpaal
articulatio spheroidea (kogelgewricht)
→ voor bewegingen rond 3 assen
een concaaf & een convex sfeeroppervlak passen op elkaar
beweging volgens alle assen → circumductie
bv. articulatio humeri (schoudergewricht), articulatio coxae (heupgewricht)
bewegingen in de gewrichten van het bovenste lidmaat
werking van ligamenten & kapsel: ligamenten
ligamenten = stevige structuren fibreus bindweefsel
verbinden beenderige elementen
vergelijkbaar met pezen & fasciae, want allemaal gemaakt van bindweefsel
verschillen: ligamenten verbinden het ene bot met het andere bot, pezen verbinden spier met bot & fasciae verbinden spieren met andere spieren
intrinsieke ligamenten → indien de verbinding binnen eenzelfde osteologische structuur plaatsvindt
bv. ligamentum transversum humeri tussen tuberculum majus & minus humeri
sporadisch inta-articulaire gewrichten
bij synoviale gewrichten, als gewrichtsbanden naast de klassieke capsulaire verdikkingen
fungeren als mechanische versterkingen
zorgen voor gewrichtsstabiliteit
belangrijke functie van ligamenten: passieve energieopslag & -vrijgave
bv. cyclische bewegingen (bv. stappen) halen tot 70% van de nodige energie uit die fenomenen
bv. ook bij speer- & balwerpen
elastische eigenschappen van ligamenten → rek-spanningscurve (stress-strain curve)
uitgedrukt in elasticiteit modulus (modulus van Young)
ligamenten: visco-elastisch
rekken geleidelijk uit wanneer onder spanning, keren terug naar oorspronkelijke vorm wanneer de spanning wordt verwijderd (elastische eigenschappen)
kunnen oorspronkelijke vorm niet behouden als ze over een bepaald punt of gedurende een langere periode worden uitgestrekt (visceus karakter)
→ reden dat ontwrichte gewrichten snel moeten worden teruggeplaatst: als ligamenten te veel langer worden, zal het gewricht verzwakken & vatbaar worden voor toekomstige ontwrichtingen
hypermobiliteit = kenmerk van mensen met abnormaal elastische ligamenten → gewrichten kunnen verder uitrekken & verplaatsen
collageen → fibrillen → vezels → fasiculi → ligament
samenvatting H3 myologie & artrologie
het ruggenmerg & de spinale zenuw: wervelkolom
= motorisch & functioneel geheel
uit botstukken, gewrichten, ligamenten, spieren
achter wervellichamen: opeengestapelde wervelbogen → vormen vertebrale kanaal
daarin ligt ruggenmerg (medulla spinalis), binnen de durazak & omringd door cerebrospinaal vocht
ruggenmerg = centrale bewegingsapparaat
het ruggenmerg & de spinale zenuw: ruggenmerg
oorspronkelijk (in embryologische & vergelijkende anatomische zin) segmentair opgebouwd
weerspiegeld in spinale zenuwen
spinale zenuwen
zenuwbundels die aan weerszijden, tussen elke 2 opeenvolgende wervels door het foramen intervertebrale uittreden
bevatten zowel afferente (centripetale) als efferente (centrifugale) vezels
ontspringen uit of komen van de medulla spinalis (ruggenmerg)
het ruggenmerg & de spinale zenuw: spinale zenuw
binnen durazak, vanuit laterale zijde van het ruggenmerg, ontspringen fijne vezels (fila radicularia → anterolateraal & posterolateraal uit ruggenmerg
versmelten tot 1 dorsale wortel (radix posterior/ sensoria) & 1 ventrale (radix anterior/ motoria)
anterior wortel (radix anterior/ motoria) → motorische, uittredende, efferente of centrifugale vezels voor gestreepte spieren
posterior wortel (radix posterior/ sensoria) → sensibele, intredende, afferente of centripetale vezels die gewaarwordingen vanuit periferie van het lichaam naar het ruggenmerg brengen
→ voorste & achterste wortel samen: truncus nervi spinalis = spinale zenuw
=> spinale zenuw is gemengd motorisch & sensibel
spinale zenuw loopt verder door de canalis vertebralis & wordt omhuld door een tuitvormige uitloper van de durazak
spinale zenuw scheidt zich in rami/ takken
nervus spinalis verlaat canalis vertebralis langs het foramen intervertebrale
foramen intervertebrale: gelegen vóór de processus articularis, ontstaat door incisura intervertebralis van 2 opeenvolgende wervels
thv sacrum: foramen intervertebrale = foramen sacrale anterius
motorneuronen = motorische zenuwcellen waarvan de uitlopers of axonen de vezels van de ventrale wortels zijn → liggen in ruggenmerg
sensibele neuronen/ zenuwcellen → liggen in spinale ganglion
ganglion bevat cellichamen (perikarya) van afferente (of sensibele) vezels
spinale ganglion: omgeven door tamelijk taai bindweefsel → uitloper van vliezen rond het ruggenmerg
ganglion ligt op verloop van dorsale wortel
dermatoom
= bandvormig huidgebied
→ sensibele innervatie van en huidgebied
perifeer verloop van de spinale zenuw: nummering spinale zenuwen
31 paar spinale zenuwen:
8 cervicale (1 boven de atlas & 7 onder de pedikels van de cervicale wervels)
12 thoracale
5 lumbale
5 sacrale
1 coccygeale
→ spinale zenuwen: genummerd naar de bovenliggende wervel, behalve in het cervicale gebied (daar: nummering komt overeen met onderliggende wervel)
ruggenmerg: 1 cervicaal segment meer dan er cervicale wervels zijn => 8 cervicale zenuwen & 7 cervicale wervels
cervicale zenuw C1: verlaat het ruggenmerg tussen schedel & atlas
8e cervicale segment → 8e spinale zenuw => verlaat canalis vertebralis tussen C7 & Th1
1e thoracale zenuw → verlaat canalis vertebralis caudaal van thoracaalwervel 1
→ meer naar caudaal liggen de spinale zenuwen telkens caudaal van de pedikel van de wervel met het overeenkomstige nummer
S1 treedt uit langs het eerste foramen sacrale anterius
perifeer verloop van de spinale zenuw: verhouding ruggenmerg & durale zak
ruggenmerg is bij volwassenen (in tegenstelling tot de foetus) korter dan de durale zak
durale zak: reikt tot de 2e sacrale wervel
onderste uiteinde ruggenmerg: reikt tot de discus tussen 1e & 2e lumbale wervel
→ wortels van spinale zenuwen krijgen van boven naar beneden toe een schuiner (verticaler) verloop
wervelzuil groeit sneller in lengte dan medulla spinalis => medulla spinalis wordt relatief steeds korter tov wervelzuil
medulla spinalis loopt aan craniale zijde voort in medulla oblongata/ verlengde merg & zo in de hersenen → ruggenmerg zit vast in de schedel
nervi spinales lopen door het foramen intervertebrale → zitten daar vast
gevolg bij volwassen individu: wortels van nn. spinales moeten eerst naar caudaal verlopen om hun overeenkomstige foramen intervertebrale te bereiken
perifeer verloop van de spinale zenuw: cauda equina/ paardenstaart
= in het onderste gedeelte van de canalis vertebralis
daar geen ruggenmerg aanwezig → wortels met verticaal verloop
caudale uiteinde van de medulla spinalis = conus medullaris/ terminalis → reikt tot lumbaalwervel 1-2
durale zak loopt tot S1-S2
→ lumbaalpunctie: uitgevoerd tussen lumbaalwervels 3 & 4 of tussen 4 & 5 => caudaal van het onderuiteinde van de medulla spinalis
medulla spinalis is met zijn uiteinde, via een fibreuze streng gefixeerd met het uiteinde van de wervelzuil (de coccyx)
bindweefselstreng = filum terminale externum/ coccygeale ligament
binnen durazak = filum terminale internum
bij benadering: in het cervicale gebied verlaten de spinale zenuwen de wervelkolom 1 segment lager dan hun uittrede uit het ruggenmerg
bij benadering: in het thoracale gebied verlaten de spinale zenuwen de wervelkolom 2 à 3 segmenten lager dan hun uittrede uit het ruggenmerg
bij benadering: in het lumbale gebied verlaten de spinale zenuwen de wervelkolom 4 segmenten lager dan hun uittrede uit het ruggenmerg
de wortels van de sacrale segmenten: lopen van het onderste uiteinde van het ruggenmerg (thv van L2) verticaal naar beneden & treden door de sacrale foramina uit
perifeer verloop van de spinale zenuw: tuitvormige dura-uitlopers
in sacrale gebied: tuitvormige dura-uitlopers die de uittredende wortels omgeven, zijn langer dan in hoger gelegen gebieden → eindigen in sacrale kanaal
voorbij de duraschede liggen de sacrale spinale ganglia
ganglia & een stukje van bijbehorende spinale zenuwen liggen ‘bloot’ in sacrale kanaal (in tegenstelling tot bij de andere spinale zenuwen) → kunnen hier rechtstreeks worden geïnfiltreerd met een lokaal anestheticum (verdovingstechniek = sacrale epidurale anesthesie)
perifeer verloop van de spinale zenuw: nervus spinalis
nervus spinalis = zeer kort → splitst bijna onmiddelijk distaal van het spinale ganglion:
ramus communicans
dorsale tak
ventrale tak
ramus communicans
verbindt elke nervus spinalis met de truncus sympathicus
truncus sympahticus = streng van het autonome zenuwstelsel
loopt lateraal van de wervellichamen & lateraal van de vena azygos/ hemiazygos
in de thorax: truncus sympathicus loopt tegen het collum van de ribben
in de hals: truncus sympathicus loopt tegen de prevertebrale spieren
lumbaal: truncus sympathicus loopt tegen de wervellichamen
→ hierlangs worden autonome zenuwvezels aangevoerd → gaan meelopen met de nervus spinalis naar de zweetklieren van de huid, naar de arteriën & venen (vasoconstrictie), & naar de musculi arrectores pilorum
ventrale & dorsale ramus
splitsing treedt embryologisch zeer vroeg op
lopen respectievelijk naar ventrale & dorsale mesoblast
ventrale & dorsale ramus voorzien ventrale respectievelijk dorsale gedeelte van de romp zowel motorisch als sensibel
grens tussen dorsaal & ventraal gebied ligt in het vlak door de processus transversi van de wervels
ventrale & dorsale rami werken zich tussen of door de ligamenten & spieren van de lichaamswand naar buiten, bezenuwen spieren (motorische vezels) & gewrichten en eindigen in de onderhuid als cutane takken die hoofdzakelijk sensibel zijn
perifeer verloop van de spinale zenuw: schematische verloop van de spinale zenuw
weergegeven in het thoracale gebied → segmentatie min of meer bewaard
hele huid van romp & ledematen wordt door eindtakken van dorsale & ventrale rami van de spinale zenuwen voorzien
dorsale rami → voor motorische & sensibele voorziening van een strook (max een handbreedte) van achterhoofd tot st
uit
perifeer verloop van de spinale zenuw: benaming dorsale takken (3 bovenste cervicale zenuwen)
ramus posterior van C1 → nervus suboccipitalis
innerveert de nekspieren
ramus posterior van C2 → nervus occipitalis major
innerveert de rugspieren & huid
ramus posterior van C3 → nervus occipitalis tertius
innerveert rugspieren & huid
perifeer verloop van de spinale zenuw: thv ledematen → plexus
plexus cervicalis → uit de ventrale rami C1 tem C4
innervatie van hoofd & hals
plexus brachialis → uit de ventrale rami C5 tem T1
innervatie van arm
plexus lumbalis → uit de ventrale rami L1-L2-L3-L4
innervatie van buikwand, lies & onderbeen
plexus sacralis → uit ventrale rami (L4) L5 tem S4
innervatie van gluteaal, perineaal, kleine bekken & onderbeen
→ pink: cervicaalwortel 8
→ ulnaire zijde van de arm: thoracaal 1
thoracale rami anteriores
thv de thorax: eenvoudige bouw van de ventrale tak
ventrale rami van thoracale spinale zenuwen vormen geen plexus
iedere ramus loopt in overeenkomende tussenribruimte naar voren → nervus intercostalis (loopt tussen ribben samen met de arteria & vena intercostalis)
12e thoracale spinale zenuw = nervus subcostalis → loopt onder de onderste rib
intercostale zenuw: verzorgt huid in bandvormige zone & de musculi intercostales (ademhalingsspieren)
bv. musculus gelegen tussen rib 3 & 4 ontvangt de ramus anterior van de nervus spinalis thoracaal 3
rami anteriores van de thoracale zenuwen geven ook rami musculares af voor de musculus serratus posterior & inferior, musculi subcostales, musculus transversus thoracis & buikspieren
de 2 takken van de eerste lumbale ventrale ramus (L1): nervus iliohypogastricus & ilioinguinalis (ontvangen bijdrage van T12) → hebben een gelijkaardig ruimtelijk verloop als de thoracale zenuwen doch in de schuine buikspieren
vormen eerste takken van de plexus lumbalis
lopen respectievelijk een tweetal centimeter boven de crista iliaca (n. iliohypogastricus) & net boven de crista iliaca (n. ilioinguinalis)
de wervelkolom (columna vertebralis)
vormt skelet van de rug & grootste gedeelte van het axiale skelet
belangrijke rol in houding, dragen van lichaamsgewicht, voortbeweging & bescherming van ruggenmerg en spinale zenuw
wervelkolom: van schedelbasis, over nek, tot onderuiteinde van de romp
uit 33 botstukken = wervels/ vertebrae → 5 gebieden/ regio’s:
7 cervicale (C)
12 thoracale (T)
5 lumbale (L)
5 sacrale (S)
versmelten tot os sacrum
4 coccygeale (Co)
fusioneren tot os coccygis/ coccyx
→ 24 aparte wervels geven beweeglijkheid aan wervelkolom
→ voor stabiliteit van wervelkolom: door vorm & sterkte van wervels, door tussenwervelschijven, ligamenten & spieren
wervellichamen: ¾ van lengte wervelkolom, tussenwervelschijven: ¼
de wervelkolom (columna vertebralis): krommingen van de wervelzuil
sagittaal/ profiel:
kyphose = convex naar achter
lordose = convex naar voor
coronaal/ frontaal:
scoliose = convex naar zijkant
normale krommingen in het sagittale vlak (voorachterwaarse curven)
krommingen in het sagittale vlak:
cervicale lordose (convex naar voor)
thoracale kyfose (concaaf naar voor)
lumbale lordose (convex naar voor)
een permanente sacrale kyfose (concaaf naar voor)
thoracale & sacrococcygeale curven = primair
waren als doorlopende kyfose aanwezig voor de geboorte
cervicale & lumbale curven = secundair/ fysiologisch
pas na geboorte duidelijke vorming als gevolg van spierwerking na geboorte
cervicale curve: wanneer kind het hoofd begint op te richten (6-8 weken)
lumbale lordose: vanaf rechtzitten tot staan (9 maanden tot 1 jaar)
→ secundaire curven = compensatoire curven => gaan lengteas van het lichaam aanpassen aan gravitatielijn bij rechtopstaande houding
lumbale curve meestal sterk uitgesproken bij vrouwen → eindigt thv lumbosacrale hoek
maat van lumbale lordose is afhankelijk van kanteling van bekken → als symfyse naar craniaal komt, neemt lordose af
naast tonus van spieren, lordose ook afhankelijk van houding
bv. bij zwangerschap (zwaar gewicht in abdomen) → lordose neemt toe => rest van lichaam wordt meer naar dorsaal gebracht
lordose verminderen door contractie van buikspieren & dorsale dijspieren (doen bekken kantelen)
door lordose: vernauwing foramen intervertebrale → risico voor compressie van spinale zenuwen
niet zo bij gezonde persoon, want formania daar groot genoeg
in pathologische beenaangroeiingen = osteofyten, aan rand van corpora wel gevaarlijk → typisch voor artrose
artrose zorgt voor vernietiging kraakbeen => statiek verslechtert → dat wordt ‘verholpen door’ supplementaire beengroei
(spondylose = artrose van de wervel)
sacrale curve = permanente curve (zoals thoracale)
bij vrouwen: sacrum meestal minder sterk gekromd dan bij mannen → bekkenuitgang is breder
centrum van het lichaamsgewicht: net vóór promontorium van sacrum
gevolgen van een toegenomen lordose
uitpuilen discus
facies van kleine gewrichtjes botsen, ten gevolge van een gekantelde lengteas
truncus lumbosacralis (L4-5) die ventraal over sacrum afdaalt naar kleine bekken, wordt uitgerekt
pelvis moet kantelen (naar voren) zodat dorsale dijspieren (m. biceps, m. semitendinosus…) overdreven worden aangespannen (kan pijn veroorzaken: meestal ter hoogte van regio poplitea)
lordose spant m. psoas aan: verhoging axiale druk op disci
krommingen in het frontaal vlak (laterale curvatuur)
normaal: zeer lichte laterale curvatuur
lichte convexiteit naar rechts in thoracale streek & compensatoire curve in tegengestelde richting in lumbale gebied
meestal krommingen in frontale vlak → abnormaal = scoliose
pseudoscoliose: door schuine stand van bekken → bv. door verschil in lengte van benen
schuine stand dan gecompenseerd door spieren (zodat lichaam toch rechtop blijft staan) → veroorzaakt scoliose
kan weggaan door compensatie van lengteverschil van onderste ledematen door aangepaste schoenen die wervelzuil weer rechtop brengen
echte scoliose → makkelijk te differentiëren van pseudoscoliose via klinisch onderzoek
bij vooroverbuigen: bult = gibbus → bij scoliose treedt rotatie van wervels op
gewrichten van de wervelkolom
discus intervertebralis
facetgewrichten (= articulationes zygapophysiales)
tussen processus articulatris inferior van ene wervels & processus articularis superior van daaronder gelegen wervel
uncovertebrale gewrichten → cervicaal
tussen zijranden van 2 opeenvolgende wervellichamen
articulatio costovertebralis thoracaal (fovea costalis superior & inferior)
gewrichten van de wervelkolom: discus intervertebralis
samendrukbaarheid & elasticiteit van tussenwervelschijven bepalen in grote mate de mobiliteit van de wervelzuil
schokbrekend effect
verticale kracht wordt omgezet in druk in alle richtingen (door anulus)
anulus is vooraan dikker dan achteraan → middelpunt van nucleus pulposus is excentrisch naar achteren gelegen
discus intervertebralis = amphiarthrosen → secundair kraakbeengwricht/ symfyse
discus:
2 plaatjes van hyalien kraakeen (boven- & onderaan) = dekplaten/ eindplaten
scheidt 2 volgende componenten van het wervellichaam
met leeftijd verbenen ‘end-plates’
anulus fibrosus
concentrische platen van fibrocartilago → onderling verbonden door kruisende collageenvezels die naar centrum van discus toe minder dicht worden & geleidelijk overgaan in amorfe substantie (‘gel’) van nucleus pulposus
nucleus pulposus
uit waterrijk, niet-comprimeerbaar & zeer vervormbaar weefsel
wateraantrekkend & heeft zekere turgor
turgor vermindert met de leeftijd + ook bij langdurige compressie neemt volume van nucleus af
→ aan einde van (werk)dag is de mens 1 cm korter
→ tijdens nachtrust: discusvolume herstelt zich
vervormt bij flexie & extensie
laat toe het ene wervellichaam in alle richtingen te bewegen tov andere wervellichaam → beweeglijkheid wel beperkt door anulus fibrosus
dikte van tussenwervelschijven: afhankelijk van delen van wervelkolom
dunst in bovenste gedeelte van thoracale gebied, nemen geleidelijk in dikte toe tot L5
in cervicale gebied relatief dik
innervatie van de discus
via zijtakken van ventrale ramus, recurrente ramus sinovertebralis (zenuw van Luschka) & via ramus (griseus) communicans (→ verbindt ventrale ramus met autonoom zenuwstelsel)
ramus sinovertebralis = recurrent → keert via intervertebrale foramina terug & zorgt voor innervatie van posterieure deel van discus
discushernia van nucleus pulposus zal bijna altijd naar achter uitpuilen (want in lumbale gebied wordt nucleus pulposus naar posterior geduwd tijdens flexie)
aanwezigheid van ligamentum longitudinale posterius zorgt ervoor dat prolaps van nucleus pulposus gewoonlijk langs posterolateraal gebeurt, eerder dan zuiver posterieur
hernia nuclei pulposi → kan compressie van wortels van spinale zenuwen geven => geeft pijn in innervatiegebied van zenuw
lokale rugpijn (takken naar discus, facetgewrichten, dorsale ramus) als pijn op afstand (bv. in innervatiegebied van onderbeen)
disci: sensibel geïnnerveerd (in buitenste 1/3) → door sinuvertebrale zenuwen als vanuit truncus sympathicus & via grijze rami communicantes
in ligamentum longitudinale posterius & in anulus zelf: sensibele zenuwen → verklaat waarom hoge belasting tot pijn leidt
gewrichten van de wervelkolom: intervertebrale ligamenten
lig. longitudinale anterius
voorzijde corpora
lig. longitudinale posterius
in wervelkanaal
tegen dorsale zijde van corpora
ligg. flava
tussen opeenvolgende arci
ligg. intertransversaria
tussen processus transversi
ligg. interspinalia
tussen processus spinosi
lig. supraspinale
uitgesproken in de hals: tussen processus spinosi van wervels, protuberantia occipitalis externa & crista occipitalis externa
vormt het septum nuchae (in sagittaal vlak) → verlengt processus spinosus door vasthechting van krachtige spieren die het hoofd rechtop houden
→ ligamenten zijn passieve structuren: kunnen wervelzuil niet rechtop houden (daarvoor zijn spieren nodig)
→ in 1 geval wordt lichaamsgewicht grotendeels door ligamant gedragen: bij verst doorgedreven buiging van romp met volledige relaxatie van rugspieren => ligg. interspinale & supraspinale worden aangespannen
rechtkomen op 2 manieren:
eerst bekken kantelen dankzij buikspieren & dorsale dijspieren → romp richt zich gedeeltelijk op zonder belasting van rugspieren, wel dankzij lig. interspinale
daarna moeten rugspieren het vervolg van de strekking verwezenlijken
wervelzuil wordt gestrekt door spierwerking voor het bekken kantelt → veel grotere belasting van rugspieren
ligamentum longitudinale anterius
van tuberculum anterius van atlas naar voorzijde van sacrum
zit vast aan periost van wervellichamen & aan discussen
ligament verbreedt naar beneden toe
craniale gedeelte van ligament (tussen atlas & achterhoofd) = membrana atlanto-occipitalis anterior
ligamentum longitudinale posterius
smaller dan anterior
posterior tov wervellichaam, niet tov wervelkanaal
van voorrand van foramen magnum tot in sacrale kanaal
meest craniale gedeelte (tussen foramen magnum & axis) → bedekt achterzijde van dens axis
= membrana tectoria
venae basivertebrales verlaten wervellichamen achteraan & lopen tussen achterzijde van wervellichaam & ligamentum longitudinale posterius
ligamentum longitudinale posterius zit enkel aan randen van het wervellichaam vast → wel stevig met discussen verankerd
smal thv wervellichamen & verbreedt thv elke discus → in zijn geheel wordt het smaller naar onderen toe
ligamenta flava
fixatie wervelbogen
verticaal van binnenzijde van bovenliggende naar bovenzijde van onderliggende wervelboog
bogen krijgen onderling een beweeglijkheid vergelijkbaar met die van staartsegmenten van een kreeft
→ graad van flexie van wervelkolom mogelijk vooraleer ligamenten aangespannen raken
veel elastinevezels → geelachtige kleur
elastinevezels helpen bij terugveren van wervelkolom naar strekstand
ligamenta interspinalia
verbinden de bogen onderling
beperken de excursie van de facetgewrichten
voortzetting naar achteren van de ligamenta flava
ligamenta supraspinalia
in nekgebied = ligamentum nuchae
midsagittal bindweefselseptum tussen spieren van linker- & rechterhelft
ligamenta intertransversaria
ligamentair weefsel dat de processus transversi onderling verbindt
gewrichten van de wervelkolom: specialisatie binnen de wervelzuil
uncovertebrale gewrichten
articulationes zygapophysiales (facet-gewrichten)
atlanto-occipitale & atlanto-axiale gewricht
costovertebrale articulatie
uncovertebrale gewrichten
tussen lichamen van de cervicale wervels (behalve tussen atlas & axis)
opgeworpen zijranden (uncus corporis) van ene wervellichaam articuleren aan weerszijden door middel van synoviale gewrichten met zijranden van bovenliggende wervellichaam
nemen deel aan vorming van foramen intervertebrale
begrenzing in het nekgebied:
inferior: bovenvlak van onderliggende ‘gouttière’
anterior: uncovertebrale gewrichten
superior: onderzijde van de pediculi
posterior: zygapophyseale gewrichten
articulationes zygapophysiales (facetgewrichten/ intergewrichten)
tussen processus articulares inferiores van ene wervel & processus articulares superiores van de daaronder liggende wervel
geleidelijke overgang van ‘cervicale’ type naar ‘thoracale’ type
bv. op radiografie: gewrichtsspleet tussen C6 & C7 is meer naar voren & onderen gericht
overgang van ‘thoracale’ naar ‘lumbale’ type gebeurt abrupt in 1 wervel
T12: bovenste articulatiefacetten zijn (nog) thoracaal, onderste zijn (al) lumbaal
kapsels van facetgewrichten zijn laks → facetten kunnen zich een heel eind van elkaar verwijderen
synoviale gewrichten → synovia vormt villi
soortgelijke villi komen in de meeste gewrichten voor
BEZENUWING:
bezenuwd door takjes afkomstig van (mediale ramus van de) dorsale rami van de spinale zenuwen
zenuwtakjes lopen over achtervlak van mediale gedeelte van de processus transversus naar postero-inferior
elk gewrichtstakje bezenuwt behalve het meest nabijgelegen facetgewricht ook naburige gewrichten
PIJN:
facetgewrichten vangen 20% tot 30% van axiale druk op → pijn op 2 manieren:
pijnvezels van het gewricht zelf (hoofdzakelijk kapsel): bij artrose, ontsteking, overbelasting (= overdreven extensie)
pijn gelokaliseerd rond gewrichtje, ook drukpijn bij palpatie
irritatie/ compressie van de spinale zenuw waar die tegen het gewrichtskapsel loopt
frequent voor onderste 2 thoracale juncturae die de breedste rotaties moeten doorvoeren
pijn straalt uit in het inervatiegebied van de dorsale tak van de zenuw
articulationes zygapophysiales (facetgewrichten/ intergewrichten) → CERVICALE GEBIED
grosso modo horizontaal vlak
gewrichtsoppervlakken meer horizontaal georiënteerd
rotatie van 45°
door summatie kleine bewegingen:
lateroflexie
flexie-extensie
gekoppelde lateroflexie & ipsilaterale rotatie
articulationes zygapophysiales (facetgewrichten/ intergewrichten) → THORACALE GEBIED
min of meer in frontaal vlak
facies articularis naar achteren & naar boven gericht → maken deel uit van een cilinder met as voor het corpus
rotatie (as door wervellichaam)
flexie extensie: 12×2° = 24°
lateroflexie thv T11-T12 (geen ribben die beperken)
articulationes zygapophysiales (facetgewrichten/ intergewrichten) → LUMBALE GEBIED
in een sagittaal vlak
oppervlak is concaaf naar dorsomediaal gericht, bijna verticaal
gewrichtsoppervlakken maken deel uit van een cilinderoppervlak, as dorsaal van het corpus
lumbale gewrichtsfacetten zijn wat gekromd → voorste gedeelte van facet enigszins in frontaal vlak
facetgewrichten van lumbale gebied schuiven in elkaar (‘interlocking’)
beperking van onderlinge rotatie van wervels
rotatie (as door proc. spinosus)
flexie-extensie
atlanto-occipitaal gewricht
condylus occipitalis: uit 2 gewrichtsoppervlakken → convex oppervlak
op de atlas: 2 concave facies articulares → deel van een omwentelingsellips = oppervlak dat wordt beschreven door rotatie van een ellips om zijn lange as
rotatie van het gewricht: rond lange as van de ellips
rotatie rond verticale as is onmogelijk → lange as van condylus zou moeten passen in korte as van fovea
flexie-extensie: JA-knikken
lateroflexie
geen rotatie
hoofd met kin op borst: helft van beweging gebeurt in atlanto-occipitale gewricht (rest in andere cervicale gewrichten)
ei-gewricht
geen discus tussen C1 & C2
atlanto-axiaal gewricht
pivot-gewricht
eigenlijk 4 gewrichten:
2 art. atlanto-axialis lateralis: bijna horizontale gewrichtsoppervlakken, schuiven goed overeen & zorgen voor rotatie omheen de as van de dens
atlas - inf. art. facet
atlas - sup. art. facet
2 aparte art. atlanto-axialis mediana:
tussen dens & atlas, tegen achterzijde van de atlas = synoviaal gewricht → atlas-fovea dentalis (art. mediana anterior)
tussen achterzijde van de dens & het ligamentum transversum atlantis = synoviaal gewricht → dens axis - lig transv. atlantis (art. mediana posterior)
zorgt voor neen-schudden → hoofd kan 90° draaien, helft gebeurt door rotatie van atlas tov axis (rest tussen andere halswervels)
ligamentum transversum verbindt linker & rechter massa lateralis van atlas
ligamenten tussen C1-C2-Occiput
lig. transversum atlantis
lig. apicis dentis
lig. cruciforme
lig. alaria (vleugelvormig)
ligamenten tussen C1-C2-Occiput → lig. transversum
ligamenten tussen C1-C2-Occiput → lig. apicis dentis
longitudinale verlenging van het lig. transversum
dunne ronde band die de apex van de dens verbindt met het anterieure aspect van het foramen magnum
ligamenten tussen C1-C2-Occiput → lig. cruciforme
longitudinale verlenging van het lig. transversum
longitudinale vezels van lig. cruciforme verbinden achterzijde van de dens met rand van het foramen magnum
bij rotatie: torsie van het ligament
→ over lig. cruciforme: voorzetting van lig. longitudinale posterius (eindigt op rand van foramen occipitale magnum) = membrana tectoria
daarover nog dura mater
ligamenten tussen C1-C2-Occiput → lig. alaria (vleugelvormig)
tussen zijkanten van de dens & os occipitale
rotatie wordt beperkt
gewrichten tussen wervels & ribben
synoviale gewrichten tussen kopjes van ribben en wervellichamen & kopjes van ribben en tussenwervelschijven
ribtuberkel vormt synoviaal gewricht met processus transversus van wervel met hetzelfde nummer → door 4 ligamenten gefixeerd:
lig. costotransversarium
lig. costotransversarium superius
lig. costotransversarium laterale
lig. capitis costae radiatum
geringe torsie rond een as door ribkopje & -tuberkel, licht op en neer glijden van tuberkel over de processus transversus mogelijk
→ rotatie omheen een (min of meer) horizontale as door kopje & tuberkel, een sagittale as door het kopje
ribben (behalve nummers 11 & 12) zijn door middel van kraakbeen (synchondrose) rechtstreeks (rib 1-6: articulationes sternocostales) of onrechtstreeks (rib 7-10: articulationes interchondrales) met sternum gearticuleerd
lig. costotransversarium
strekt zich uit tussen achterzijde van nek van de rib & voorvlak van eigen processus transversus (vult het costotransversale ‘venster’)
lig. costotransversarium superius
loopt van de crista van de nek van de rib naar de erboven liggende processus transversus
lig. costotransversarium laterale
verbindt het punt van de processus transversus met het niet-articulerende gedeelte van het tuberkel van de rib met hetzelfde nummer