1/145
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced |
---|
No study sessions yet.
le cœur
het hart
le morceau
het stuk, het brok
et puis
en vervolgens
mort
dood
fais gaffe !
kijk uit!
affreux
afschuwelijk
l’erreur (f)
de fout
se disputer
ruziemaken
la forme
de vorm
surtout
vooral
inexplicable
niet uit te leggen
toi-même
jijzelf
c’est clair
dat is duidelijk
avoir raison
gelijk hebben
passer un message
een boodschap doorgeven
si
als, indien
la voix
de stem
à la prochaine
tot de volgende keer
le rêve
de droom
l’autre
de ander
l’attraction (f)
de aantrekkingskracht
le sentiment
het gevoel
le chagrin d’amour
het liefdesverdriet
faire la connaissance
de kennismaken met
transformer
veranderen
en tête-à-tête
onder vier ogen
la couverture
het omslag
composer
samenstellen
exagérer
overdrijven
coller
plakken
le prétexte
het voorwendsel
ranger
opruimen
le conseil
het advies
l'astuce (f)
de tip
surprendre
verrassen
prudent
voorzichtig
le secret
het geheim
consister à
bestaan uit
le rideau
het gordijn
le destinataire
de ontvanger
de préférence
bij voorkeur
déclarer son amour
zijn liefde verklaren
se disputer
ruzie maken
le sentiment
het gevoel
le coup de foudre
de liefde op het eerste gezicht
rompre
het uitmaken
draguer (fam.)
versieren
le chagrin
het verdriet
steil
raide
kastanjebruin
châtain
staan
être debout
terwijl
tandis que
het oor
l'oreille (f)
plotseling
soudain
de koptelefoon / oordopjes
les écouteurs (m pl)
zich herinneren
se souvenir de
zitten
être assis
uitwisselen
échanger
bezig zijn met
être en train de
verlegen
timide
rood (haarkleur)
roux
verliefd worden
tomber amoureux, amoureuse
de persoonlijke gegevens
les coordonnées (f pl)
durven
oser
genoeg zijn
suffire
glimlachen
sourire
groeten
saluer
zich omdraaien
se retourner
dichterbij komen
s'approcher
zoenen
s'embrasser
gaan staan
se mettre debout
gaan zitten
s'asseoir
Het was in de trein naar Parijs.
C'était dans le train pour Paris.
Ik zat bij de deur.
J'étais assis près de la porte.
We praten met elkaar tijdens de reis.
On se parle pendant le voyage.
Marc zegt dat hij niet met dat meisje durft te praten.
Marc dit qu'il n'ose pas parler à cette fille.
Vind je die jongen leuk?
Est-ce que ce garçon te plaît ?
Jij was een boek aan het lezen.
Tu étais en train de lire un livre.
Onze blikken hebben elkaar gekruist.
Nos regards se sont croisés.
Ik hoop dat je je mij herinnert.
J'espère que tu te souviens de moi.
réconforter
troosten, opvrolijken
briller
schitteren, stralen
se battre
vechten
le partage
het delen
costaud
sterk, stevig
maigre comme un clou
broodmager
des fois
soms
le mec
de gast, de gozer
marquer un but
een doelpunt scoren
bousculer
omverlopen
foutu
verknald
désespérer
wanhopen
délicat
gevoelig
en gros
globaal, kort samengevat
éviter
vermijden
retenir
onthouden
se détendre
zich ontspannen
soit … soit …
of … of …
fréquenter
daten, omgaan met
accompagner
meegaan met, vergezellen