1/132
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Bilirubine
Galkleurstof; afbraakproduct van hemoglobine
Sinusoïden (lever)
Bloedruimtes in de leverlobjes waar bloed uit de leverslagader en de poortader samenkomt.
Spoorelement
Voedingsstof waar je maar heel weinig van nodig hebt
Gebreksziekte
Ziekte die ontstaat door een tekort aan mineralen of vitaminen
Waar heeft een mens energie voor nodig?
Groeien
Denken
Bewegen
Warm blijven
Condensatie
Water wordt afgesplitst (zoals bij de glycolyse)
Hydrolyse
Water wordt gebruikt (zoals bij dissimilatie van sacharose naar glucose)
Functie lever
Productie gal
Productie verteringsenzymen
Productie niet essentiële vetzuren
Productie cholesterol (bouwstof celmembraan, hormonen en vitD)
Glucogenese en gluconeogenese
Lipogenese (het maken van vetten uit afbraakproducten van aminozuren)
Transaminering (omzetting van aminozuren)
Omzetting cholesterol in galzure zouten, fosfolipiden en lipoproteïnen bij overtollig vet
Omzetting ethanol naar ethanal
Afbraak rode bloedcellen
Afbraak hemoglobine (waarbij bilirubine ontstaat)
Abfraak celresten
Deaminering (afbraak aminozuren, waarbij ureum ontstaat)
Opslag glycogeen
Opslag ijzer uit hemoglobine als ferritine
Opslag vitaminen en mineralen
Detoxificatie (afbraak gifstoffen)
Warmteproductie
Functie trilharen in de luchtpijp
Het terugvoeren van slijmvlies naar het keelgat
Functie slijmvlies
Vangt stofdeeltjes en bacteriën op
Functie kraakbeenringen in de bronchiën
Zorgt ervoor dat de bronchiën open blijven staan en niet ineen zakken.
Functie alveoli (longblaasjes)
Vergroting van de oppervlakte en daarmee vergroting van de stofwisseling.
Hoe wordt voorkomen dat voedsel en water in de luchtpijp en de neus komt?
Het strottenklepje sluit de luchtpijp af en de huig sluit de neusholte af.
Dode ruimte
De ruimte in de luchtwegen waar geen uitwisseling van gassen plaatsvindt
Effector
Klier of spier die wordt aangestuurd door een regelcentrum in het centrale zenuwstelsel
Glucagon
Hormoon geproduceerd door alfa-cellen van de eilandjes van Langerhans in de alvleesklier. Stimuleert in de spieren de omzetting van glycogeen in glucose en stimuleert de afgifte van glucose aan het bloed.
Insuline
Hormoon geproduceerd door beta-cellen van de eilandjes van Langerhans in de de alvleesklier. Stimuleert in de lever de omzetting van glucose in glycogeen en stimuleert in cellen van de spieren en de lever de opname van glucose.
Tegenstroomprincipe
Principe waarbij twee vloeistoffen tegengesteld aan elkaar stromen en stoffen (of warmte) aan elkaar overdragen. Hierbij dragen ze bij aan een constante concentratiegadient en zorgen ze voor een hoger rendement.
Wet van Fick: n = DA ∆c/∆x
n = aantal mol dat per seconde oppervlakte A passeert
D = diffusiecoëfficiënt
∆c/∆x = concentratiegradient
∆c = concentratieverschil
∆x = diffusieafstand
Open bloedsomloop
Geen bloedvaten en geen zuurstoftransport. (bij ongewervelde dieren)
Gesloten bloedsomloop
Bloed gaat niet buiten de bloedvaten (bij gewervelde dieren)
Enkelvoudige bloedsomloop
Bloed passeert 1x het hart per circulatie (bij vissen)
Dubbele bloedsomloop
Bloed passeert 2x het hart per circulatie (bij amfibiën, zoogdieren, vogels en reptielen)
Hartkleppen
Tussen de boezems en kamers. Zijn open tijdens de boezemsystole en de diastole.
Slagaderkleppen
Tussen de kamers en slagaders (longslagader en aorta). Zijn open tijdens de kamersystole.
Dotter
Medische ingreep bij vaatvernauwing waarbij met behulp van een ballon een stent wordt geplaatst in het bloedvat.
Bypass
Medische ingreep bij een geblokkeerde bloedvat waarbij een nieuwe route wordt gecreëerd voor het bloed om langs te stromen.
EPO (erytropoëtine)
Hormoon dat wordt geproduceerd wanneer er bij de nieren wordt gedetecteerd dat er te weinig rode bloedcellen aanwezig zijn in het bloed (lage zuurstofspanning). Het zorgt voor een toename van rode bloedcelproductie in het beenmerg.
Oxigenatie
Proces waarbij zuurstof aan hemoglobine bindt
Hemoglobine
Bloedeiwit dat bestaat uit vier eiwitketens met elk een ijzerhoudende heemgroep dat zuurstof en koolstofdioxide kan binden
Myoglobine
Eiwit in de harspier en skeletspieren die bestaan uit één eiwitketen met een ijzerhoudende heemgroep dat zuurstof en koolstofdioxide kan binden. Het heeft een hogere affiniteit voor zuurstof dan hemoglobine, waardoor het een reservevoorraad zuurstof kan opslaan in de spieren.
O2 verzadiging
Hoeveel zuurstof aan hemoglobine is gebonden. (dus bij hoge O2 verzadiging is de pO2 relatief laag.)
Bohr-effect
Hoe lager de temperatuur, hoe lager de pCO2 en hoe hoger de pH, hoe hoger het verzadigingspercentage (dus hoe meer zuurstof is gebonden aan hemoglobine)
Levensduur rode bloedcellen
4 maanden
Erythrocyten
Rode bloedcellen
Leukocyten
Witte bloedcellen
Trombocyten
Bloedplaatjes
Waar worden rode bloedcellen afgebroken?
In het rode beenmerg, de lever en de milt
AV knoop
Groep gespecialiseerde cellen in de wand tussen de boezems die elektrische prikkels afgeeft waardoor de kamers samentrekken (kamersystole).
Borstbuis
Het grootste lymfevat in het lichaam; verzamelt alle lymfe en voert dit terug naar het bloed
Bovendruk
Systolische druk; bloeddruk die ontstaat doordat het hart bloed in de slagaders pompt
Onderdruk
Diastolische druk; bloeddruk tijdens de rustfase van het hart.
Bundel van His
Bundel gespecialiseerd hartspierweefsel die vanuit de AV knoop naar de rechter en linkerkant van de hartpunt loopt.
Colloïd osmotische druk
Druk die ontstaat door de eiwitten die nog in het bloed aanwezig zijn na ultrafiltratie (het aantrekken van water naar het bloed)
Ductus Botalli
Verbinding tussen de longslagader en aorta bij een foetus
Filtratiedruk
Het onder invloed van bloeddruk uitpersen van bloedplasma naar de weefselvloeistof tussen de cellen van een haarvat.
Foramen ovale
Opening tussen de rechter- en linkerboezem bij een foetus.
Lymfeknopen
Onderdeel van het lymfesysteem waar grote hoeveelheden lymfocyten (type witte bloedcel) zijn opgeslagen, met name lymfocyten en dan met name T-helpercellen
Navelstrengader
Bloedvat dat van de moeder naar de foetus gaat met zuurstofrijk bloed
Navelstrengslagader
Twee bloedvaten die van de foetus naar de moeder gaan met zuurstofarm bloed.
Sinusknoop/boezemknoop
Groep gespecialiseerde spiercellen in de wand van de rechterboezem die een elektrische prikkel afgeeft waardoor de boezems samentrekken (boezemsystole)
Functie schildklier
Hormoonklier in de hals. Produceert onder anderen hormonen die de stofwisseling regelen (en kan dus zorgen voor meer verbranding wanneer de lichaamstemperatuur daalt). Produceert ook het hormoon calcitonine, dat zorgt voor een verlaging van het calciumgehalte in het bloed
Adrenaline
Tyrosinehormoon uit het bijniermerg dat bij stress in het bloed komt; werkt als neurotransmitter; ‘activeert’ het lichaam: stimuleert glucogenese, vergroot bloedtoevoer naar de skeletspieren, vermindert bloedtoevoer naar de darmen, verhoogt hartslagfrequentie, verdiept de ademhaling.
Het hormoon werkt in tegenstelling tot de meeste hormonen heel snel, maar verdwijnt ook heel snel (er is dus geen negatieve terugkoppeling nodig).
Diabetes type 1
De beta-cellen van de eilandjes van Langerhans in de alvleesklier maken te weinig of geen insuline aan door een aangeboren auto-immuunziekte
Diabetes type 2
Het lichaam reageert niet op insuline door een laag aantal insulinereceptoren en/of doordat deze receptoren minder gevoelig zijn voor insuline. Het glucosegehalte in het bloed en de urine is hoog (terwijl er normaal gesproken geen glucose in urine zit).
GH
Groeihormoon uit de adenohypofyse die indirect de deling van kraakbeencellen stimuleert en die vetcellen aanzet tot de afbraak van vetten.
Hormoon
Signaalstof (eiwit) die via het bloed zijn doelwitcellen bereikt
Hypofyse
Centrale hormoonklier die de aansturing van hormoonklieren coördineert
Hypothalamus
Deel van de hersenen die de activiteit van de hypofyse aanstuurt doordat neuronen neurohormonen maken die via uitlopers in de neurohypofyse (achterkwab) komen.
Peptidehormoon/eiwithormoon
Type hormoon die hydrofiel en polair is. Het bindt aan een receptor op het membraan van de doelwitcel en activeren daarmee een second-messenger.
Steroïdhormoon
Type hormoon gemaakt uit cholesterol die hydrofoob en apolair is. Het kan het membraan van de doelwitcel passeren en bindt aan een receptor in het grondplasma.
Tyrosinehormoon
Type hormoon gemaakt uit het aminozuur tyrosine die hydrofoob is. Sommigen binden aan receptoren op het membraan van de doelwitcel. Anderen kunnen dit membraan passeren en binden aan een receptor in het grondplasma.
RH
Releasing hormoon; neurohormoon gemaakt in de hypothalamus die de afgifte van bepaalde hormonen door de adenohypofyse (voorkwab) stimuleert.
Neurohypofyse
Hypofyse achterkwab; bestaat uit zenuwweefsel. Neurohormonen gemaakt door de hypothalamus worden hier afgegeven aan het bloed.
Adenohypofyse
Hypofyse voorkwab; bestaat uit klierweefsel. De neurohormonen RH’s en IH’s vanuit de hypothalamus stimuleren of inhiberen de adenohypofyse om bepaalde hormonen af te geven.
Melanotroophormoon
Peptidehormoon dat melanocyten stimuleert om melanine te maken
Hormoonklieren in het lichaam
Hypthalamus, hypofyse, schildklier, bijnier, en alvleesklier
Hoe werkt vitamineD
Opname Ca2+ in de darmen:
Huidcellen maken inachtief vitamineD uit cholesterol wanneer je in de zon zit.
Inactief vitamineD wordt bewerkt in de lever
PTH (parathyroïde hormoon) uit de bijschildklier stimuleert de activering van vitamineD in de nieren
Actief vitamineD stimuleert Ca2+ opname in de darmen
Osteoblasten
Cellen die botten opbouwen en daarmee zorgen voor een daling in [Ca2+] in het bloed; aangestuurd door groeihormonen en groeifactoren.
Ze hebben in hun celmembraan receptoren voor PTH (parathyroïde hormoon). Onder invloed van dit hormoon maken ze groeifactoren die de ontwikkeling van osteoclasten stimuleert.
Osteoblasten worden zelf osteocyten in bot.
Osteoclasten
Cellen die botten afbreken en daarmee zorgen voor een stijging in [Ca2+] in het bloed; aangestuurd door groeihormonen en groeifactoren
Waar worden glycogeen opgeslagen?
In de spieren en de lever.
Invloed van geslachtshormonen op botten.
Oestrogenen en testosteron remmen botafbraak.
Oestrogenen remmen de productie van de groeifactoren door osteoblasten, waardoor er minder actieve osteoclasten zijn. Ze remmen ook direct de activiteit van osteoclasen en kunnen deze zelfs aanzetten tot apoptose.
PTH
Parathyroïde hormoon uit de bijschildklier; stimuleert botafbraak, reabsorptie van Ca2+ door de nieren, en activatie van vitamineD (en daarmee de opname van Ca2+ in de darmen).
Thyroxine (T4) en trijoodthyronine (T3)
Hormonen die de schildklier produceert onder invloed van TSH vanuit de adenohypofyse.
Ze stimuleren de stofwisseling (dissimilatie) en zorgen daardoor voor warmte.
Ze remmen de hypothalamus en daarmee de adenohypofyse om TSH aan te maken.
Welke typen hormonen bestaan er?
Peptidehormoon/eiwithormoon
Steroïdehormoon
Tyrosidehormoon
Via waar gaat impulsgeleiding?
Via de celmembraan van neuronen
Centrale zenuwstelsel
Grote hersenen, kleine hersenen, ruggenmerg en hersenstam
Welke typen neuronen zijn er en waar zitten ze?
Schakelneuronen → centrale zenuwstelsel
Sensorische neuronen → perifere zenuwstelsel
Motorische neuronen → perifere zenuwstelsel
Uit welke cellen bestaat het zenuwstelsel?
10% neuronen
90% gliacellen → ondersteunende cellen
Welke soorten gliacellen zijn er?
Astrocyten
Oligodendrocyten
Microgliacellen
Ependymcellen
Cellen van Schwann
Astrocyten
Type gliacel die:
Neurotransmitters opruimt
Neuronen ondersteunt
Neuronen herstelt na schade
Een belangrijke rol heeft in de boedhersenbarrière
Uitwisseling van stoffen tussen neuronen en het bloed regelt
Oligodendrocyten
Type gliacel die myelineschede vormt rond uitlopers van neuronen in het centrale zenuwstelsel
Microgliacellen
Type gliacel die:
Verandert in fagocyten bij weefselbeschadiging
Neuronen beschermt tegen pathogenen
Ependymcellen
Type gliacel die hersen- en ruggenmergvocht produceert
Cellen van Schwann
Type gliacel die:
Neuronen herstelt na schade
Myelineschede vormt rond uitlopers van neuronen in het perifere zenuwstelsel
Welke gliacellen hebben een rol in de bescherming van neuronen?
Astrocyten en cellen van Schwann (herstellen neuronen na beschadiging)
Microgliacellen (kunnen in fagocyten veranderen en beschermen neuronen tegen pathogenen)
Thalamus
Deel van de grote hersenen die selecteert welke impulsen naar de hersenschors gaan
Exciterend
Stimulerend
Gemengde zenuw
Zenuw met bundels uitlopers van zowel sensorische als motorische neuronen
Grijze stof
Donkere kleur in het centrale zenuwstelsel afkomstig van de cellichamen van neuronen
Impuls
Het verplaatsen van een actiepotentiaal over het membraan van een neuron
Inhiberend
Remmend
Wat is de belangrijkste rol van de kleine hersenen?
Coördinatie van bewegingen van de spieren
Myelineschede
Een isolerende laag rondom uitlopers van neuronen, gevormd door cellen van Schwann (perifere zenuwstelsel) en oligodendrocyten (centrale zenuwstelsel)
Refractaire periode
Periode na een actiepotentiaal waarin een neuron ongevoelig (absoluut refractaire periode) of minder gevoelig (relatief refractaire periode) is voor nieuwe prikkels.
Primair gehoorcentrum
Deel van de sensorische schors waar impulsen uit je gehoororganen binnenkomen en waar bewustwording optreedt
Secundair gehoorcentrum
Deel van de sensorische schors waar je de geluiden, die in het primaire gehoorcentrum binnenkomen, interpreteert.
Primaire motorische schors
Deel van de motorische schors van waaruit een primaire actie naar spieren gaat
Secundaire motorische schors
Deel van de motorische schors die informatie bevat over gecoördineerde bewegingen.
Witte stof
Lichte kleur in het centrale zenuwstelsel afkomstig van myelineschede om de uitlopers van neuronen.