vragen Rousseau

0.0(0)
studied byStudied by 0 people
0.0(0)
full-widthCall with Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/7

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Study Analytics
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No study sessions yet.

8 Terms

1
New cards

Hoe begrijpt Rousseau het concept ‘Inégalité parmi les hommes’?

Rousseau onderscheidt natuurlijke of fysieke van zedelijke of politieke ongelijkheid bij mensen. De fysieke ongelijkheid is door de natuur ingegeven; daarover heeft de mens geen controle of zeggingskracht. Dit gaat over geestesvermogen, gezondheid, leeftijd, kracht, etc… De zedelijke ongelijkheid daarentegen is volgens Rousseau een rechtstreeks product van de menselijke wil en berust op een soort overeenkomst (gefundeerd krachtens een bewilliging van de mensen) tussen de mensen om deze ongelijkheid in het leven te roepen. Het gaat met andere woorden om privileges die slechts aan enkelen worden toegekend, op basis van een menselijke wilsdaad[YV1] .  Hobbes voegt ook toe dat veel ogenschijnlijk natuurlijke verschillen of ongelijkheden tussen mensen in werkelijkheid kunstmatige, politieke ongelijkheden zijn. Het is ook op dit soort ongelijkheid dat Rousseau dieper wil ingaan in zijn Discours.


 [YV1]Voorbeeld: materiêle ongelijkheid; wordt veroorzaakt door menselijke wilsdaad, en kan dus ook veranderd worden door wilsdaden; heeft geen natuurlijke grond, is niet noodzakelijk -> er kunnen andere wilsdaden tegenover gesteld kunnen worden

Overeenkomst aan grondslag materiêle ongelijkheid: “er zijn vermogenden en onvermogenden”

Wilsdaad die erachter zit: wetten gecreëerd door mensen, politici in dit geval; zij creêren een sociale realiteit van ongelijkheid die niet natuurlijk gegeven is

2
New cards

Bespreek Rousseaus onderscheid tussen natuurlijke en politieke ongelijkheid

Rousseau onderscheidt natuurlijke of fysieke van zedelijke of politieke ongelijkheid bij mensen. De fysieke ongelijkheid is door de natuur ingegeven; daarover heeft de mens geen controle of zeggingskracht. Dit gaat over geestesvermogen, gezondheid, leeftijd, kracht, etc… De zedelijke ongelijkheid daarentegen is volgens Rousseau een rechtstreeks product van de menselijke wil en berust op een soort overeenkomst (gefundeerd krachtens een bewilliging van de mensen) tussen de mensen om deze ongelijkheid in het leven te roepen. Het gaat met andere woorden om privileges die slechts aan enkelen worden toegekend, op basis van een menselijke wilsdaad[YV1] 


 [YV1]Voorbeeld: materiêle ongelijkheid; wordt veroorzaakt door menselijke wilsdaad, en kan dus ook veranderd worden door wilsdaden; heeft geen natuurlijke grond, is niet noodzakelijk -> er kunnen andere wilsdaden tegenover gesteld kunnen worden

Overeenkomst aan grondslag materiêle ongelijkheid: “er zijn vermogenden en onvermogenden”

Wilsdaad die erachter zit: wetten gecreëerd door mensen, politici in dit geval; zij creêren een sociale realiteit van ongelijkheid die niet natuurlijk gegeven is

3
New cards

Leg uit wat volgens Rousseau de ‘metafysische’ eigenschappen zijn van de mens?

Met metafysische eigenschappen verwijst Rousseau naar de geestelijke, niet-fysieke, soortspecifieke vermogens van de mens; het gaat om de cognitieve en conatieve vermogens die de mens van het niet-menselijke dier onderscheiden. Ten eerste haalt Rousseau aan dat de mens een agent libre is, die inbreng heeft in zijn eigen handelen. Daaraan gerelateerd beschikt de mens dus ook over het vermogen tot willen of kiezen. Verder, en misschien als belangrijkste, beschikt de mens over wat Rousseau ‘perfectibilité’ noemt. Tot slot stelt hij dat de mens in de natuurtoestand initieel een zeer beperkte kennis heeft, en er bijgevolg geen sprake is van hartstochten (verlangens die gestoeld zijn op een idee). Er zijn wel al een aantal fundamentele gemoedsbewegingen aanwezig, meer bepaald willen en niet-willen, begeren en vrezen

4
New cards

Wat bedoelt Rousseau met het concept ‘la perfectibilité’?

La perfectibilité is het vermogen tot vervolmaking, een vermogen dat met behulp van bepaalde omstandigheden achtereenvolgens alle andere vermogens tot ontwikkeling brengt. het heeft een accumulerend effect op de vermogens, wat resulteert in een elkaar versterkende ontwikkeling van hartstochten, behoeften, kennis en vaardigheden. Dit vermogen wordt slechts geactiveerd door externe omstandigheden die de mens ertoe dwingen zich aan te passen. Aangezien er in de natuurtoestand een evenwicht is tussen verlangens en fysieke behoeften, is de mens in rust en wordt de perfectibilité niet in werking gezet. De perfectibilité zal cruciaal blijken voor de menswording, die tegelijkertijd de ontaarding van de mens inhoudt.

5
New cards

Hoe begrijpt Rousseau ‘la pitié’?

Het medelijden is een soort pre-reflexief vermogen dat ervoor zorgt dat de mens van nature afkerig is om enig bezield wezen, en vooral zijn soortgenoten te zien lijden of omkomen. Het is volgens Rousseau dan ook onmogelijk dat de mens er in de natuurtoestand toe gebracht wordt een ander wezen om te brengen, tenzij het absoluut noodzakelijk is voor zijn eigen zelfbehoud. Het is geen zedelijke eigenschap (in de natuurtoestand is geen sprake van zeden), maar een soort wet van de natuur die aangevoeld wordt in onze onmiddellijkheid met de natuur. Het zit in onze natuurlijke constitutie vervat, waardoor het ook ten dele teloorgaat naarmate we door de vermaatschappelijking vervreemd raken van onze natuur.

6
New cards

Wat bedoelt Rousseau met het concept ‘l’amour de soi-même’?

De liefde voor zichzelf is een natuurlijk gevoel, dat elk dier ertoe aanzet te waken voor zijn zelfbehoud en bij de mens daarbovenop ook medemenselijkheid en deugdzaamheid in de hand werkt wanneer het gestuurd wordt door de rede en getemperd wordt door medelijden. Deze liefde is sterk gelinkt aan onze zucht naar zelfbehoud en is niet-relatief. 

7
New cards

Wat bedoelt Rousseau met het concept ‘l’amour-propre’?

De eigenliefde daarentegen is eigen aan de mens in de samenleving, en is dus een maatschappelijk, relatief en kunstmatig gevoel. De mens heeft dit verworven door zijn vermaatschappelijking.  Dit heeft vooral negatieve gevolgen: het brengt de mens ertoe van zichzelf meer ophef te maken dan van elk ander (ijdelheid?) en is de bron van het kwaad dat mensen elkaar aandoen. Deze eigenliefde komt niet voor in de natuurstaat. Dat heeft te maken met het feit dat de mens in de natuurstaat solitair leeft, terwijl voor eigenliefde de ander een noodzakelijke voorwaarde is: eigenliefde verkrijg je doorheen de ander, en moet constant gevoed worden door erkenning van de ander. De eigenliefde plaatst Rousseau centraal bij het verklaren van de menselijke ontaarding.

8
New cards

Hoe begrijpt Rousseau de natuurlijke menselijke vrijheid?

Hobbes begrijpt de natuurlijke menselijke vrijheid als een toestand van onafhankelijkheid, zelfstandigheid en autonomie, m.a.w., een vrijheid van afhankelijkheidsrelaties. De mens in de natuurtoestand is niet afhankelijk van anderen voor zijn levensbehoud en kent een solitair bestaan. Omwille van die vrijheid is er in de natuurtoestand dan ook geen sprake van onderdrukking: er is geen afhankelijkheid die mensen aan elkaar bindt en verhindert aan onderdrukking door sterkeren te ontsnappen. De heer is niet afhankelijk van de knecht, en de knecht niet van de heer. In de maatschappelijke toestand is dit niet het geval.