1/44
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No study sessions yet.
Organismen
Levende wezens zoals planten, dieren, schimmels en bacteriën.
Stofwisseling
Alle chemische (scheikundige) reacties in een organisme.
Soort
Organismen die zich onderling kunnen voortplanten en daarbij vruchtbare nakomelingen voortbrengen.
Levenscyclus
Alle individuen van een soort doorlopen tijdens hun levensloop dezelfde fasen of stadia.
DNA
Molecuul dat de erfelijke informatie van een organisme bevat.
Cel
Een grotere biologische eenheid dan een molecuul; alle organismen bestaan uit een of meer cellen.
Organellen
Onderdelen van een cel met een bepaalde functie.
Weefsel
Een groep cellen met dezelfde vorm en functie.
Orgaan
Deel van een organisme met een specifieke bouw en functie.
Orgaanstelsel
Aantal organen dat samen een bepaalde functie uitoefent.
Populatie
Groep individuen van dezelfde soort die in een bepaald gebied leeft.
Levensgemeenschap
Alle verschillende populaties die in een gebied samenleven.
Ecosysteem
Min of meer begrensd gebied met bepaalde eigenschappen, zowel levende als niet-levende natuur.
Systeem aarde
Geheel aan ecosystemen op aarde, ook biosfeer genoemd.
Emergente eigenschap
Een nieuwe eigenschap die ontstaat op een hoger organisatieniveau.
Tussencelstof
Stof die in veel weefsels tussen de cellen ligt en samenhangt met de functie van het weefsel.
Celmembraan
Buitenste laag van een cel die de inhoud van de cel scheidt van de buitenwereld.
Celwand
Stevig laagje om een plantaardige cel heen dat niet tot de cel behoort.
Cytoplasma
Inhoud van de cel die bestaat uit grondplasma en organellen.
Grondplasma
Bestanddeel van het cytoplasma dat uit water en opgeloste stoffen bestaat.
Celkern
Organel dat omsloten is door het kernmembraan en DNA bevat.
Vacuole
Blaasje gevuld met vacuolevocht in het cytoplasma; veel plantaardige cellen bevatten een grote centrale vacuole.
Plastiden
Organellen in plantaardige cellen die verschillende typen kunnen zijn.
Chloroplasten
Plastiden die groene kleurstoffen bevatten, ook bladgroenkorrels genoemd.
Chlorofyl
Groene kleurstoffen in chloroplasten.
Chromosomen
Lange moleculen DNA die rondom eiwitten zijn gewikkeld.
Erfelijke eigenschappen
Informatie die de bouw en functie van een cel bepaalt.
Kernlichaampje
Plaats in het kernplasma waar delen van ribosomen worden gemaakt.
Kernporie
Opening die het transport van stoffen in en uit de kern regelt.
Ribosomen
Kleine bolvormige organellen die eiwitten produceren.
Endoplasmatisch reticulum
Uitgebreid netwerk van dubbele membranen in het cytoplasma.
Ruw endoplasmatisch reticulum
Endoplasmatisch reticulum met ribosomen op de membranen.
Golgisysteem
Opeengestapelde platte membranen waarin eiwitten worden bewerkt.
Exocytose
Afsnoeren van blaasjes door het celmembraan om stoffen naar buiten de cel te transporteren.
Lysosomen
Afgesnoerde blaasjes van het golgisysteem met enzymen.
Enzymen
Eiwitten die stoffen kunnen afbreken.
Mitochondriën
Bolvormige organellen waar energie wordt vrijgemaakt.
ATP
Moleculen die de belangrijkste energieleverancier zijn voor processen in de cel.
Cytoskelet
Netwerk van eiwitvezels dat de cel zijn vorm laat behouden.
Ciliën
Organellen die signalen uit de omgeving waarnemen en doorgeven aan de cel.
Flagel
Zweephaar waarmee cellen zich kunnen voortbewegen.
Transporteiwitten
Eiwitten die specifieke moleculen kunnen binden en transporteren.
Actief transport
Transport dat energie nodig heeft om stoffen door een membraan te verplaatsen.
Validiteit
De resultaten geven ook echt antwoord op de onderzoeksvraag.
Betrouwbaarheid
De resultaten zijn op een objectieve manier verkregen en herhaling van het onderzoek is mogelijk.