1/79
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No study sessions yet.
b
Wat is de kernwaarde van de definitie van een attitude in de sociale psychologie?
A. Het is een uiterlijk waarneembare gedraging.
B. Het is een mentale, coverte (interne) evaluatieve houding ten opzichte van een object.
C. Het is een tijdelijke emotie die onafhankelijk is van de situatie.
D. Het is een aangeboren genetische reflex.
c
Welke twee deelaspecten worden in de handout onderscheiden binnen het klassieke attitudebegrip?
A. Het emotionele en het fysieke aspect.
B. Het bewuste en het onbewuste aspect.
C. Het affectieve en het cognitieve aspect.
D. Het verbale en het non-verbale aspect.
c
Wat wordt bedoeld met de 'Nature-Nurture' discussie bij attitudes?
A. Of attitudes alleen in de natuur voorkomen of ook in de stad.
B. Of attitudes uitsluitend door opvoeding (nurture) worden bepaald.
C. In hoeverre attitudes een interne persoonseigenschap zijn (nature) versus situationeel bepaald (nurture).
D. Of attitudes veranderen naarmate men ouder wordt.
b
Wat stelt de cognitieve dissonantietheorie van Festinger (1957)?
A. Mensen streven naar een toestand waarin hun gedrag en attitudes tegenstrijdig zijn.
B. Mensen ervaren een onaangename spanning wanneer hun gedrag niet overeenstemt met hun attitude.
C. Attitudes hebben geen enkele invloed op het menselijk gedrag.
D. Dissonantie kan alleen worden opgelost door je gedrag aan te passen, nooit je attitude.
b
In het experiment van Festinger & Carlsmith (1959) kregen proefpersonen $1 of $20 om te liegen. Wie vond de saaie taak achteraf het leukst?
A. De groep die $20 kreeg, vanwege de hoge beloning.
B. De groep die $1 kreeg, omdat zij de grootste dissonantie ervaarden en hun attitude aanpasten.
C. De controlegroep die niet hoefde te liegen.
D. Beide groepen vonden de taak even saai; de beloning maakte geen verschil.
c
Wat is 'postdecisie re-evaluatie' volgens het onderzoek van Brehm (1956)?
A. Het spijt hebben van een gemaakte keuze.
B. Het objectiever bekijken van alternatieven na een keuze.
C. Het gunstiger beoordelen van een gekozen alternatief en het ongunstiger beoordelen van het niet-gekozen alternatief.
D. Het weigeren om opnieuw een keuze te maken in de toekomst
a
Wanneer is postdecisie re-evaluatie het sterkst aanwezig?
A. Wanneer de keuze tussen twee evenwaardige (moeilijke) alternatieven onherroepelijk was.
B. Wanneer de keuze tussen twee alternatieven heel gemakkelijk was.
C. Wanneer de proefpersoon gedwongen werd door de onderzoeker.
D. Alleen bij volwassenen, aangezien kinderen dit proces nog niet beheersen.
a
Hoe verschilt de Zelfperceptietheorie van de Cognitieve Dissonantietheorie?
A. De zelfperceptietheorie stelt dat er geen sprake is van interne spanning of dissonantie.
B. De zelfperceptietheorie zegt dat attitudes gedrag bepalen, niet andersom.
C. De zelfperceptietheorie geldt alleen voor zeer sterke, diepgewortelde attitudes.
D. Er is geen verschil; het zijn twee namen voor hetzelfde proces.
a
Wat is volgens de handout een kenmerk van de 'Zelfperceptietheorie' bij het vormen van een attitude?
A. We kijken naar ons eigen gedrag om daaruit af te leiden wat onze attitude is.
B. We luisteren naar wat anderen over ons zeggen.
C. We veranderen onze attitude alleen onder zware sociale druk.
D. We gebruiken logische redeneringen voordat we tot actie overgaan.
c
Wat wordt bedoeld met de stelling 'Attitude IS (covert) gedrag'?
A. Dat je aan iemands gezicht altijd kunt zien wat hij denkt.
B. Dat attitudes en uiterlijk gedrag altijd 100% identiek zijn aan elkaar.
C. Dat een innerlijke houding op zichzelf al een vorm van psychologisch gedrag is met voorspellende waarde voor acties.
D. Dat we attitudes alleen kunnen meten door fysieke inspanning.
b
Wat is het belangrijkste verschil tussen het affectieve en het cognitieve aspect van een attitude?
A. Affectief gaat over feitelijke kennis, cognitief over emoties.
B. Affectief gaat over gevoelens en emoties, cognitief over overtuigingen en kennis.
C. Affectief is erfelijk bepaald, cognitief is aangeleerd.
D. Er is geen verschil; beide termen betekenen exact hetzelfde.
a
Waarom wordt een attitude vaak een 'interne persoonseigenschap' genoemd?
A. Omdat het stabiel is binnen het individu (intra-individueel stabiel) maar verschilt tussen personen.
B. Omdat attitudes nooit veranderen gedurende een mensenleven.
C. Omdat we attitudes kunnen zien op een hersenscan.
D. Omdat attitudes alleen bepaald worden door DNA.
b
In de context van de cognitieve dissonantietheorie, wat wordt bedoeld met 'onvoldoende rechtvaardiging'?
A. Wanneer iemand gedwongen wordt om iets tegen zijn zin te doen.
B. Wanneer de externe beloning voor gedrag dat afwijkt van de attitude te klein is om de spanning weg te nemen.
C. Wanneer iemand liegt zonder dat er een reden voor is.
D. Wanneer een proefpersoon weigert deel te nemen aan een experiment.
b
Wat is het resultaat van het experiment van Brehm (1956) over consumentenproducten?
A. De proefpersonen vonden alle producten na afloop minder leuk.
B. Het gekozen product werd na de keuze positiever beoordeeld dan ervoor.
C. Het niet-gekozen product werd na de keuze positiever beoordeeld.
D. De waardering voor de producten bleef exact gelijk.
c
Wat is een cruciale voorwaarde voor het optreden van 'postdecisie re-evaluatie'?
A. De keuze moet gemakkelijk en vrijblijvend zijn.
B. De keuze moet gaan over producten die men al bezit.
C. De keuze moet onherroepelijk zijn en tussen evenwaardige alternatieven gaan.
D. De persoon mag geen voorkeur hebben voor een van de objecten.
c
Volgens de Zelfperceptietheorie leiden we onze attitude af uit ons gedrag. Wanneer gebeurt dit vooral?
A. Alleen als we onder zware druk staan.
B. Wanneer we al een heel sterke en extreme attitude hebben.
C. Wanneer onze initiële attitude nog niet uitgesproken of zwak is.
D. Alleen wanneer we beloond worden met grote sommen geld.
c
Wat wordt bedoeld met de 'latitude of acceptance' in de zelfperceptietheorie?
A. De grens van wat iemand nog acceptabel gedrag vindt van anderen.
B. De breedte van de sociale normen in een bepaalde cultuur.
C. Het gebied van gedragingen die nog (enigszins) in lijn liggen met iemands attitude.
D. Het aantal alternatieven waaruit men mag kiezen in een experiment.
a
Waarom is het veranderen van een attitude 'zuiniger' dan het veranderen van gedrag volgens de theorie?
A. Omdat het veranderen van gedrag vaak meer fysieke inspanning en sociale consequenties heeft.
B. Omdat hersenactiviteit minder energie verbruikt dan spieractiviteit.
C. Omdat attitudes gratis zijn en gedrag geld kost.
D. Omdat mensen lui zijn van aard.
b
Welk begrip hoort bij de stelling dat we onze eigen houding observeren zoals een buitenstaander dat zou doen?
A. Cognitieve Dissonantie.
B. Zelfperceptie.
C. In-group favoritism.
D. Accentuering
b
Wat is het uiteindelijke doel van het proces van 'dissonantiereductie'?
A. Het verhogen van de hartslag.
B. Het herstellen van de innerlijke consistentie en het verminderen van psychologische spanning.
C. Het overtuigen van anderen van jouw gelijk.
D. Het verzamelen van zoveel mogelijk verschillende meningen.
d
Welk onderscheid wordt er in de handout gemaakt tussen impliciete en expliciete sociale invloed?
A. Impliciete invloed gaat over fysieke dwang, expliciete over groepsdruk.
B. Er is geen verschil; beide termen worden door elkaar gebruikt.
C. Impliciete invloed is altijd negatief, expliciete invloed is altijd positief.
D. Impliciete invloed omvat conformisme en innovatie; expliciete invloed gaat over het inwilligen van verzoeken en gehoorzaamheid.
b
Wat is het belangrijkste kenmerk van 'Conformisme'?
A. Het is een reactie op een minderheid die met een nieuw idee komt.
B. Het is de invloed van een meerderheid op een individu of kleine groep.
C. Het is het blindelings opvolgen van bevelen van een politieagent.
D. Het is een vorm van expliciete invloed waarbij om een gunst wordt gevraagd
b
In de context van sociale invloed, wat wordt bedoeld met 'Innovatie'?
A. Het uitvinden van nieuwe technologieën in een groep.
B. De invloed die uitgaat van een minderheid op een meerderheid.
C. Het veranderen van je mening om bij de grootste groep te horen.
D. Het proces waarbij een autoriteit een nieuwe regel invoert.
b
Wat was een cruciaal verschil in de perceptie van proefpersonen in de studies van Asch versus die van Milgram?
A. Bij Asch gaven proefpersonen toe dat ze beïnvloed waren; bij Milgram ontkenden ze dit.
B. Bij Asch ontkenden proefpersonen vaak de invloed (impliciet); bij Milgram benadrukten ze de invloed van de autoriteit (expliciet).
C. In beide studies gaven de proefpersonen aan dat ze volledig autonoom handelden.
D. Proefpersonen bij Milgram vonden de taak leuker dan die bij Asch.
C
Waarom ontkennen mensen in de Westerse samenleving vaak sociale invloed (zoals bij conformisme)?
A. Omdat ze zich niet bewust zijn van de aanwezigheid van anderen.
B. Omdat sociale invloed in de praktijk bijna nooit voorkomt
C. Omdat autonomie een hoogwaardige waarde is en invloed toegeven afbreuk doet aan het zelfbeeld.
D. Omdat de proefleider hen verbiedt om over de invloed te praten.
a
Waarover gaan de studies van Milgram volgens de handout WEL?
A. Over het effect van situationele factoren en het overwicht van gepercipieerde autoriteit.
B. Over de psychopathologie van kwaadaardige individuen
C. Over hoe je een verzoek op een vriendelijke manier kunt weigeren.
D. Over de genetische aanleg om agressief te zijn tegenover vreemden.
d
Wat is het verschil tussen 'gehoorzamen aan bevelen' en 'inwilligen van verzoeken'?
A. Er is geen verschil; beide vallen onder 'obedience'.
B. Gehoorzamen gebeurt alleen in oorlogstijd, inwilligen alleen in het dagelijks leven.
C. Verzoeken zijn altijd impliciet, bevelen zijn altijd expliciet.
D. Bevelen komen van een legitieme autoriteit, verzoeken draaien om het overwicht van een gepercipieerde autoriteit (zoals in de Milgram-context).
a
Wat wordt gesuggereerd door de term 'Mere presence'?
A. Dat de loutere aanwezigheid van anderen al invloed heeft op het gedrag van een individu.
B. Dat mensen alleen beïnvloed worden als anderen direct tegen hen praten.
C. Dat sociale invloed alleen optreedt in grote menigten.
D. Dat we ons gedrag pas aanpassen als we fysiek aangeraakt worden door anderen.
b
In het Milgram-experiment was er een conflict tussen twee partijen. Welke waren dit?
A. De proefpersoon en zijn eigen morele geweten.
B. De proefleider die vroeg door te gaan en de 'leerling' die liet merken dat hij wilde stoppen.
C. De proefpersoon en de andere deelnemers in de wachtkamer.
D. De universiteit en de politie.
a
Wat is een belangrijke conclusie over 'Zelfpresentatie' bij sociale invloed?
A. Mensen benadrukken sociale invloed alleen als dat hun gedrag op dat moment gunstiger (verontschuldigend) maakt.
B. Mensen presenteren zichzelf altijd als volgzame burgers.
C. Zelfpresentatie speelt geen rol bij hoe mensen over invloed rapporteren.
D. Mensen vinden het fijn om toe te geven dat ze blindelings anderen volgen.
b
Wat is het fundamentele verschil tussen conformisme en innovatie?
A. Conformisme is expliciet, terwijl innovatie altijd impliciet gebeurt.
B. Bij conformisme past een individu zich aan de meerderheid aan, bij innovatie beïnvloedt een minderheid de meerderheid.
C. Conformisme komt alleen voor in kleine groepen, innovatie alleen in grote organisaties.
D. Er is geen verschil; beide termen beschrijven hoe mensen bevelen opvolgen.
a
Waarom noemen we de invloed in de Milgram-experimenten 'expliciet'?
A. Omdat de proefpersoon een directe instructie of een verzoek krijgt van de proefleider.
B. Omdat de proefpersoon van tevoren precies wist wat er ging gebeuren.
C. Omdat de resultaten van het onderzoek publiekelijk bekend werden gemaakt.
D. Omdat de 'leerling' expliciet om hulp vroeg aan de proefpersoon.
b
Volgens de handout is autonomie in de Westerse samenleving een belangrijke waarde. Wat is hiervan het gevolg voor de proefpersonen van Asch?
A. Ze geven sneller toe dat ze de groep volgden om beleefd te zijn.
B. Ze hebben de neiging om de invloed van de meerderheid te ontkennen of te minimaliseren.
C. Ze worden boos op de meerderheid omdat hun autonomie werd aangetast.
D. Ze proberen de leider van de groep te worden om hun autonomie te bewijzen.
d
Wat wordt bedoeld met de 'gepercipieerde autoriteit' in de context van Milgram?
A. De autoriteit van de politie die de universiteit bewaakt.
B. Het wettelijke recht van de onderzoeker om mensen fysiek te straffen.
C. De macht die de 'leerling' heeft over de proefpersoon.
D. De mate waarin de proefpersoon de proefleider als een legitieme deskundige met overwicht beschouwt.
c
In welk geval zal iemand sociale invloed juist wél benadrukken (volgens het principe van zelfpresentatie)?
A. Wanneer hij trots is op zijn onafhankelijke keuze.
B. Wanneer hij anderen wil overtuigen om hetzelfde te doen
C. Wanneer hij zijn gedrag wil verontschuldigen ("Ik kon niet anders, hij zei dat het moest").
D. Wanneer hij denkt dat de invloed positief was voor zijn zelfbeeld.
b
Wat is de definitie van 'Mere presence' zoals beschreven in de inleiding?
A. Het feit dat mensen pas reageren als ze direct worden aangesproken.
B. De invloed die uitgaat van de loutere aanwezigheid van anderen, zonder dat er directe interactie hoeft te zijn.
C. De angst om alleen te zijn in een onbekende ruimte.
D. Een techniek om mensen te dwingen tot gehoorzaamheid.
a
Welke twee partijen vormen het centrale conflict voor de 'leraar' in de Milgram-studie?
A. De proefleider (verzoek om door te gaan) versus de leerling (wil stoppen).
B. De universiteit (wetenschap) versus de kerk (moraal).
C. De proefpersoon versus zijn eigen familieleden.
D. De beloning in geld versus de tijd die het experiment kost.
d
Waarom is het onderzoek van Milgram GEEN onderzoek naar psychopathologie?
A. Omdat de proefpersonen allemaal criminelen waren.
B. Omdat de proefleider zelf een psychopaat was.
C. Omdat psychopaten nooit zouden meedoen aan een wetenschappelijk onderzoek.
D. Omdat het aantoont dat normale mensen onder specifieke situationele druk tot extreem gedrag kunnen komen.
c
Bij welk proces hoort de term 'Inwilliging van een verzoek'?
A. Impliciete sociale invloed.
B. Sociale facilitatie.
C. Expliciete sociale invloed.
D. Stereotypering.
b
Hoe verklaren onderzoekers het gedrag van mensen in de Asch-studies vanuit het concept 'Zelfbeeld'?
A. Mensen willen graag als een 'volger' gezien worden.
B. Mensen willen hun zelfbeeld als een autonoom en onafhankelijk persoon beschermen.
C. Mensen hebben een laag zelfbeeld en volgen daarom de groep. D. Het zelfbeeld speelt geen rol bij conformisme.
c
Wat is de ruimste definitie van 'macht' volgens de inleiding van het hoofdstuk?
A. Het hebben van een hoge sociale status en veel geld.
B. De fysieke kracht om anderen te dwingen iets te doen.
C. Controle of invloed over iets of iemand (omgeving, anderen of jezelf).
D. Het recht om wetten uit te voeren in een maatschappij.
a
Wat wordt in de psychologie bedoeld met 'autosociale macht'?
A. Macht over de eigen omgeving en het eigen gedrag (keuzevrijheid en zelfregulering).
B. De macht die een individu uitoefent over een grote groep mensen.
C. De invloed van automatische processen op ons sociaal gedrag.
D. Macht die verkregen wordt door het bezit van een voertuig of status symbool.
b
Volgens de handout kan een ziekte of ongeval leiden tot een gevoel van onmacht. Waarom is dit een 'vicieuze cirkel'?
A. Omdat zieke mensen vaak stoppen met het luisteren naar artsen.
B. Omdat het verlies van controle over het lichaam het psychologisch lijden verergert.
C. Omdat zorgpersoneel vaak geen rekening houdt met de patiënt.
D. Omdat fysieke onmacht altijd leidt tot financiële onmacht.
c
Wat is het kernkenmerk van 'Reactantie'?
A. Een staat van volledige apathie na een traumatische gebeurtenis.
B. Het blindelings volgen van autoriteit om straf te vermijden.
C. Een psychologisch mechanisme dat ontstaat wanneer iemands vrijheid wordt bedreigd.
D. Een aangeboren karaktertrek waarbij iemand altijd ruzie zoekt.
a
Hoe verschilt reactantie van 'negativisme'?
A. Reactantie is een tijdelijke motivatie om vrijheid te herstellen; negativisme is een duurzame houding of karaktertrek.
B. Reactantie komt alleen voor bij kinderen; negativisme alleen bij volwassenen.
C. Er is geen verschil; beide termen beschrijven koppig gedrag.
D. Negativisme is een reactie op een bedreiging, terwijl reactantie spontaan ontstaat
b
Wat kan een gevolg zijn van 'reactantie' in een zorgcontext, zoals een woonzorgcentrum?
A. Patiënten worden extra dankbaar voor de hulp.
B. Patiënten vertonen gebrekkige therapietrouw of agressie als protest tegen verlies van autonomie.
C. Het verhoogt de snelheid van het fysieke herstel.
D. Patiënten gaan meer sociale contacten aan met medebewoners.
b
Wanneer spreken we van 'aangeleerde hulpeloosheid'?
A. Wanneer iemand weigert te leren voor een examen uit luiheid.
B. Wanneer iemand door chronische onmacht de link tussen eigen gedrag en resultaat niet meer ziet.
C. Wanneer een kind door de ouders wordt gedwongen om alles zelf te doen.
D. Wanneer iemand plotseling al zijn bezittingen verliest door een ramp.
b
In de handout wordt vermeld dat aangeleerde hulpeloosheid ook voorkomt bij 'verwennen van kinderen'. Wat is hiervoor de reden?
A. Deze kinderen krijgen alles wat ze willen en worden daardoor arrogant.
B. De kinderen leren niet dat hun eigen impact of inspanning (contingentie) nodig is om resultaten te boeken.
C. Verwende kinderen hebben vaak een te hoog zelfbeeld.
D. Ouders die verwennen zijn vaak zelf erg machteloos.
b
Wat is de motivatie achter het gedrag van iemand die 'reactant' reageert?
A. Het verkrijgen van een financiële beloning.
B. Het herstellen van de verloren of bedreigde keuzevrijheid.
C. Het opvallen in een grote groep mensen.
D. Het plezieren van een autoriteitsfiguur.
c
Wat wordt gesuggereerd als aandachtspunt voor zorgpersoneel bij het omgaan met ouderen?
A. Dat zij alle beslissingen moeten overnemen om de oudere te ontlasten.
B. Dat zij de beperkte actieradius van ouderen moeten negeren.
C. Dat zij zich bewust moeten zijn dat advies 'gevoeld' kan worden als een bedreiging van de eigen macht.
D. Dat zij alleen medische informatie moeten verstrekken en geen persoonlijke aandacht.
c
Welke vorm van macht wordt in de handout omschreven als 'controle over het eigen gedrag, keuzevrijheid en zelfregulering'?
A. Sociale macht
B. Omgevingsmacht
C. Autosociale macht
D. Legitieme macht
b
Wat is het fundamentele verschil tussen 'sociale macht' en 'autosociale macht'?
A. Sociale macht gaat over invloed op de fysieke omgeving, autosociale macht over invloed op anderen.
B. Sociale macht is de macht over anderen; autosociale macht is de controle over het eigen gedrag en keuzes.
C. Sociale macht is aangeboren, terwijl autosociale macht pas op volwassen leeftijd wordt aangeleerd.
D. Er is geen verschil; beide termen beschrijven hoe we ons in een groep gedragen.
c
Welk begrip beschrijft de situatie waarin iemand passief wordt omdat hij heeft geleerd dat zijn acties geen enkel effect hebben op de uitkomst?
A. Psychologische reactantie
B. Negativisme
C. Aangeleerde hulpeloosheid
D. Cognitieve dissonantie
a
In de handout wordt gesproken over 'contingentie'. Wat wordt hiermee bedoeld in het kader van macht?
A. De mate waarin een resultaat afhankelijk is van (gekoppeld is aan) het eigen gedrag.
B. De juridische rechtvaardiging om macht uit te oefenen over een ander.
C. De angst die iemand ervaart wanneer hij zijn vrijheid verliest.
D. De snelheid waarmee iemand reageert op een externe dreiging.
b
Waarom kan 'goedbedoeld advies' van zorgpersoneel soms leiden tot weerstand bij een patiënt?
A. Omdat de patiënt het advies niet begrijpt door een gebrek aan kennis.
B. Omdat het advies de autosociale macht (autonomie) van de patiënt kan bedreigen, wat reactantie oproept.
C. Omdat patiënten in een ziekenhuis standaard een negatieve attitude hebben.
D. Omdat de patiënt lijdt aan aangeleerde hulpeloosheid en daarom agressief wordt.
c
Welke stelling over 'Psychologische Reactantie' is JUIST?
A. Het is een blijvende karaktertrek die sommige mensen koppiger maakt dan anderen.
B. Het treedt alleen op bij mensen met een zeer lage intelligentie.
C. Het is een tijdelijk psychologisch mechanisme gericht op het herstel van vrijheid.
D. Het zorgt ervoor dat mensen sneller gehoorzamen aan een autoriteit.
b
Wat is een potentieel gevaar van chronische onmacht (zoals bij langdurige werkloosheid)?
A. Het individu zal steeds meer reactantie vertonen naarmate de tijd verstrijkt.
B. Het individu kan het geloof in de eigen impact verliezen en in een staat van hulpeloosheid terechtkomen.
C. Het individu krijgt automatisch meer sociale macht in zijn directe omgeving.
D. De autosociale macht neemt toe omdat men meer vrije tijd heeft.
c
Hoe wordt 'negativisme' in de handout onderscheiden van reactantie?
A. Negativisme is een bewuste keuze, terwijl reactantie een onbewuste reflex is.
B. Negativisme is gericht op sociale macht, reactantie op omgevingsmacht.
C. Negativisme is een duurzame houding of karaktertrek; reactantie is situatiegebonden.
D. Er is geen onderscheid; het zijn twee woorden voor hetzelfde rebelse gedrag.
b
Waarom is het behoud van 'impact' belangrijk voor het psychologisch welzijn van ouderen in een WZC?
A. Omdat ze dan minder medische zorg nodig hebben.
B. Omdat het gevoel van controle (autosociale macht) essentieel is om psychologisch lijden door onmacht te beperken.
C. Omdat ze dan meer sociale macht kunnen uitoefenen over de medebewoners.
D. Omdat dit de enige manier is om cognitieve achteruitgang volledig te stoppen.
b
Wat is het gevolg van een gebrek aan 'contingentie' bij het opvoeden (verwennen) van kinderen?
A. Ze worden extreem zelfstandig op jonge leeftijd.
B. Ze leren dat hun gedrag geen invloed heeft op wat ze krijgen, wat kan leiden tot hulpeloosheid.
C. Ze ontwikkelen een zeer sterke vorm van sociale macht over hun leeftijdsgenoten.
D. Ze vertonen constant reactant gedrag tegenover hun ouders
b
Wat wordt bedoeld met de 'vicieuze cirkel' van onmacht bij ziekte?
A. Ziekte leidt tot armoede, wat weer leidt tot meer ziekte.
B. Fysieke beperkingen beperken de autonomie, wat psychologische spanning veroorzaakt, wat het herstel weer kan bemoeilijken.
C. De arts heeft alle macht en de patiënt heeft geen enkele vorm van invloed meer.
D. Hoe meer macht een patiënt probeert te grijpen, hoe zieker hij wordt.
b
Wat is de kern van de definitie van sociale psychologie?
A. De studie van persoonlijkheidsstoornissen bij individuen.
B. De wetenschappelijke studie van de invloed van de sociale situatie op individueel gedrag.
C. Het analyseren van grootschalige maatschappelijke structuren zoals de overheid.
D. De studie van hoe biologie ons gedrag in eenzaamheid bepaalt.
c
Wat wordt bedoeld met 'covert' gedrag in de sociale psychologie?
A. Direct waarneembare acties zoals wandelen of praten.
B. Gedrag dat alleen in grote groepen voorkomt.
C. Interne processen zoals denkprocessen, affecten en motivaties.
D. Crimineel gedrag dat verborgen moet blijven voor de politie.
a
De sociale psychologie focust zich voornamelijk op:
A. 'Normaal' gedrag.
B. Pathologisch gedrag.
C. Uitsluitend genetisch bepaald gedrag.
D. Groepsdynamica zonder aandacht voor het individu.
b
Wat is het belangrijkste doel van een experiment in vergelijking met een correlatiestudie?
A. Het beschrijven van hoe mensen zich voelen.
B. Het aantonen van causale verbanden (oorzaak-gevolg).
C. Het verzamelen van zoveel mogelijk meningen.
D. Het observeren van mensen in hun natuurlijke omgeving zonder in te grijpen.
a
In een experiment is de 'Onafhankelijke Variabele' (OV):
A. De variabele die de onderzoeker manipuleert (de condities).
B. De variabele die wordt gemeten (het effect).
C. Een storende factor die het onderzoek verpest.
D. Het aantal proefpersonen dat deelneemt.
b
Wat wordt bedoeld met de 'Afhankelijke Variabele' (AV)?
A. De factor die de onderzoeker constant houdt.
B. De variabele waarin men verschillen verwacht als gevolg van de manipulatie.
C. De persoon die het onderzoek financiert.
D. De omgeving waarin het experiment plaatsvindt.
b
Wat is een potentieel probleem bij het gebruik van 'zelfrapportering' als methode?
A. Het is te duur om uit te voeren.
B. Mensen kunnen sociaal wenselijke antwoorden geven.
C. Het is onmogelijk om statistisch te analyseren.
D. De onderzoeker mag niet aanwezig zijn tijdens het invullen.
a
Wat houdt het 'vraageffect' in bij onderzoek?
A. De proefpersoon raadt de hypothese en past zijn gedrag daarop aan.
B. De proefpersoon stelt te veel vragen aan de onderzoeker.
C. De vragenlijst is te moeilijk om te begrijpen.
D. De onderzoeker vergeet de vragen te stellen.
b
Wat wordt bedoeld met 'ecologische validiteit'?
A. De mate waarin een onderzoek milieuvriendelijk is uitgevoerd.
B. De mate waarin de resultaten van een lab-experiment vertaalbaar zijn naar de echte wereld.
C. De hoeveelheid papier die gebruikt is voor de vragenlijsten.
D. Het gebruik van natuurlijke materialen in het laboratorium.
b
Waarom is 'toewijzing aan condities' (randomisering) cruciaal in een zuiver experiment?
A. Om ervoor te zorgen dat de proefpersonen elkaar niet kennen.
B. Om te vermijden dat verschillen tussen condities veroorzaakt worden door persoonskenmerken.
C. Om de proefpersonen tevreden te houden.
D. Om te besparen op de kosten van het onderzoek.
c
Een onderzoeker meet agressief gedrag na het drinken van alcohol. Wat is de AV?
A. De hoeveelheid alcohol.
B. De temperatuur in de kamer.
C. Het agressieve gedrag.
a
Wat is een nadeel van observatie als onderzoeksmethode?
A. Je kunt geen covert gedrag (zoals gedachten) rechtstreeks meten.
B. Het is altijd onethisch.
C. Proefpersonen weten nooit dat ze geobserveerd worden.
D. Het levert alleen maar cijfers op en geen verhalen.
b
Wat wordt bedoeld met 'experimenteel realisme'?
A. Dat de proefpersonen denken dat ze in een film spelen.
B. Dat de situatie in het experiment psychologisch impact heeft en serieus genomen wordt door de deelnemer.
C. Dat het experiment buiten in het bos plaatsvindt.
D. Dat de onderzoeker een echte dokter moet zijn.
d
Welke methode is een oplossing voor het probleem van 'sociale wenselijkheid'?
A. Meer algemene vragen stellen.
B. De hypothese vooraf duidelijk uitleggen.
C. De proefpersonen meer betalen.
D. Indirecte methodes zoals 'event sampling' of 'day reconstruction'.
a
"Ik doe wat ik zeg en ik zeg wat ik doe." Waarom is dit een probleem voor zelfrapportering?
A. Omdat mensen vaak onbewust gedrag vertonen dat ze zelf niet kunnen rapporteren.
B. Omdat praten en doen precies hetzelfde is in de hersenen.
C. Omdat mensen altijd de waarheid spreken, wat saai is voor onderzoekers.
D. Omdat sociale psychologen alleen geïnteresseerd zijn in wat mensen zeggen.
d
Wat is het verschil tussen een 'binnen-persoons' en 'buiten-persoons' manipulatie?
A. De locatie van het experiment (binnen of buiten).
B. Of het onderzoek over emoties of over fysieke kracht gaat.
C. Of de onderzoeker een man of een vrouw is.
D. Of dezelfde persoon alle condities doorloopt of dat verschillende groepen verschillende condities krijgen
b
Wat is een 'manipulatiecheck'?
A. Controleren of de proefpersonen hun beloning hebben ontvangen.
B. Controleren of de onafhankelijke variabele daadwerkelijk het beoogde effect heeft gehad.
C. Het controleren van de spelling in de vragenlijst.
D. Kijken of de computer nog wel werkt.
c
De stelling 'als acht op de tien solidair zijn, waarom voelt de maatschappij dan zo kil?' illustreert:
A. Dat statistiek altijd liegt.
B. Dat sociale psychologie geen antwoorden kan geven op maatschappelijke vragen
C. Het verschil tussen wat mensen rapporteren (overt/zelfrapportage) en de sociale realiteit.
D. Dat solidariteit niet bestaat
a
Wat is de belangrijkste focus van de positief-wetenschappelijke onderzoekstraditie?
A. Een systematische cyclus van theorievorming en empirische toetsing.
B. Het verzamelen van anekdotes
C. Het bewijzen dat de onderzoeker altijd gelijk heeft.
D. Het negeren van gegevens die niet in de theorie passen.