1/48
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced |
---|
No study sessions yet.
l’argent (m)
het geld
un budget
een budget
un caddie
een winkelkar
une calculatrice
een rekenmachine
une carte de crédit
een kredietkaart
une carte de fidélité
een getrouwheidskaart
le circuit court
de korte keten
un conditionnement
een verpakking
la date limite de consommation
de vervaldatum
une enseigne
een uithangbort/reclamebord
le gaspillage
de verspilling
une idée reçue
een vooroordeel
l’inflation (f)
de inflatie
un intermédiaire
een tussenpersoon
la marge
de marge
un montant
een bedrag
un panier de courses
een boodschappenmand
un producteur
een producent
un produit
een product
une réduction
een korting
abordable
betaalbaar
avisé(e)
voorzichtig
économe
zuinig, spaarzaam
fidèle
trouw
habituel(lle)
gewoonlijk
infidèle
onbetrouwbaar
liquide
vloeibaar (cash)
opportuniste
opportunistisch
périmé, périmée
vervallen
superflu(e)
overbodig
bénéficier de
genieten van (recht hebben op)
congeler
bevriezen
économiser
besparen
lésiner sur
bezuinigen op
opter pour
kiezen voor
optimiser
verbeteren
privilégier
bevoorrechten
réduire
verminderen
rembourser
teruggeven
repérer
opsporen
s’approvisionner
zich voorzien van
se munir de
zich bevoorraden
se rabattre sur
terugvallen op
substituer à
vervangen door
désormais
voortaan, vanaf nu
par ailleurs
bovendien, trouwens
voire
zelfs
en deux
kortom
faire des courses
boodschappen doen