1/91
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
republiek der zeven verenigde Nederlanden
De republiek der zeven verenigde Nederlanden was een confederatie ( soevereiniteit lag bij de deelstaten) van zeven zelfstandig functionerende provincies (met leden in de statengeneraal, met veto) die tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) ontstond. Drenthe zat niet in de SG maar werd wel autonoom bestuurd. En niet autonome Generaliteitslanden bestuurd door de SG.
stadhouder
kapitein generaal van de republiek, gekozen door de provincies (maar altijd een oranje). eigenlijk de monarch. machtige militaire functie.
statengeneraal
De vergadering van afgevaardigden uit de verschillende provincies, verantwoordelijk voor wetgeving en belangrijke beslissingen tijdens de republiek. bestaande uit 45 leden, gedelegeerd uit de provincies, overlegden met last en ruggespraak. op basis van concensus (iedere provincie 1 stem, allemaal veto). over Buitenlandbeleid, handel, defensie en het bestuur van de generaliteits landen.
prinsgezinden
wilde de macht houden bij de oranjes (stadhouder) bestonden vooral uit de gereformeerde lage burgerij. streven naar centralisatie van de macht
staatsgezinden
wilde de macht bij de staten generaal, bestondenj vooral uit amsterdamse regenten. macht moest bij de provincie sliggen
patriotten
opvolgers staatsgezinden, vanaf 1780. streefden naar verlichting en conservatisme. herstel: oude glorie, macht SG, lokale privileges, povinciale autonomie. in verschillende provincies aan de macht. (1786 stadhouder in holland geschorst, 1786-1787 vuurgevechten, 1787 pruisische inval, 1787-1795 oranjerestauratie)
Generaliteitslanden
gebieden die onder het gezag van de statengenraal vielen, vaak katholiek, zwaar belast.
bataafse republiek
1795-1806, na een intern conflict tussen de patriotten en prinsgezinden (willen V stadhouder gevlucht) grijpen de patriotten de macht met hulp van frankrijk. het is een chaotische periode als democratische experiment. in 1796 nationale vergadering (unitarissen , moderaten en federalisten).
koninkrijk holland
1806 (-2010) als napoleon ingrijpt. minder onafhankelijk tov Frankrijk, lodewijk (broer napoleon koning). autocratische monargie, meest eregel salleen met goedkeuring koning, uitvoering door ministers. wetgevend lichaam voor goedkeuren begroting en wetgeving, nationaal zelfbewust zijn, eenheidsstaat, nationale en culturele instituties, rationalisatie, kerk nogsteeds ondergeschikt.
koning (functie)
keurde regels goed
soeverein vorstendom der verenigde nederlanden
1813-1815; ontstaan na een machtsvacuum als het franse keizerrijk verslagen is. 3 belangrijke orangisten nemen iniatief en vormen tijdelijk bestuur. in 1813 vragen ze willem 1 (laatste stadhouder terug te keren) (hij wordt soeverein vorst).
grondwet 1814
Nederland blijft een eenheidsstaat en (autocratische) monarchie. Herinvoering van de Staten generaal met een soeverein vorst (niet genoeg internationale steun voor koningsschap). soeverein vorst beneoemd en ontslaat ministers. vergaderen is een kabinetsraad, maar vorst bepaalde uiteindelijk alles. continuiteit met de republiek
soeverein vorst
hoogste macht
staten generaal (onder grondwet 1814)
jaarlijks budgetrecht, kon wetten initieren. 55 leden maar 1 kamer. in de statengeneraal zaten nobelen, adel en burgerij die indirect gokozen werden door de provinciale staten, elk jaar werd 1/3 van de kamer gewisseld. er was sprake van vrijmandaad (leden maakte beslissingen zonder last en ruggespraak)
verenigd koninkrijk der nederlanden
1815-1830, ontstaat doordat napoleon valt. congres van wenen; van nederland een bufferstaat maken boven Frankrijk. onder de oranjes, godsdienstrijheid, gelijke vertegenwoordiging, een staatschuld
grondwet van 1814
soeverein vorst, ministers verschuldigd aan de vorst. 1 kamer indirect verkozen, budget en iniatiefrecht. vorst verantwoordelijk.
eerste kamer
na 1815, 40 tot 60 leden, leden voor het leven door de koning benoemd. brussel en den haag. adel binden aan het nieuwe regime. 1x per 10 jaar begroting. buitenlandse zaken en kolonien
tweede kamer
indirect verkozen door provinciale staten, mede wetgevend, budgetrecht, ministers verantwoordelijk aan de koning. 110 leden deel noord deel zuid
personele unie
Luxemburg en nederlanmd hadden dezelde staatshoofd maar een andere regering en grondwet. Pruissen zag luxenburg als strategische locatie tussen de duitse bond. luxemburg behoorde tot de duitse bond, maar werd ook door pruissen militair bewaakt.
neutraliteit
het verenigd koningkrijk der nederlanden ging geen bontgenootschappen of andere verbonden aan. maar zette zich wel in voor vreedzame conlictoplossing.
cultuur stelsel
dwingen om 20% land op te gebruiken voor nederlandse export als pacht indien niet mogelijk 66 dagen dwangarbeid. Nederlandse residenten bestuurden en regenten leide lokaal. 1/3e van de nederlandse inkomen kwam vanuit het cultuur stelsel → investering in infrastructuur en schepen.
tegenstellingen tussen koning en parlement
tegenstelling in het noorden, koningsgezinden (steun willen I wilde een sterke monarchie en steun aan zijn beleid) vs financiele oppositie (kritisch op uitgaven en belastingen)
tegenstellingen tussen noord en zuid
belgische katholieken ( oog voor de rol van katholieke kerk in onderwijs en besturu)vs belgische liberalen ( nadruk burgerlijke vrijheden) vs franstaligen (bedreigd door vernederlandsing van bestuur en onderwijs). zuidelijke provincie sbetaald emeer voor het noorden, hoge staatschuld, aritmetique holandaise (verdraaing van minderheid naar meerderheid). zuiden was ondervertegenwoordigd.
koningsgezinden
Steunden koning Willem I
wilden een sterke monarchie en steun aan zijn beleid
fianciele oppositie
kritisch op uitgaven en belastingen
Centrale thema: controleerbaarheid van staatsfinanciën
belgische liberalen
Legden nadruk op burgerlijke vrijheden
belgische katholieken
Hadden oog voor de rol van de katholieke kerk in onderwijs en bestuur
belgie
1830 onafhankelijk; wienig integraie met het noorden, onenigehid vanuit de protopartijen over het bewind, unionisme, vereniging tegen nederland. 1830 oproer in belgie, willem i mobiliseert 1831 dit was een succes totdat frankrijk belgie ging steunen. 1833 wapenstilstand, 1839 erkenning
unionisme
het samenwerken van de katholieken en liberalen, voor meer burgerlijke vrijheden
grondwet van 1840
macht koning ingeperkt, erkenning belgie. uitbreiding 2e kamer naar 58. strafrechterlijke ministeriele verantwoordlijkheid. contraseign minister. 2 jarige begrotingen, 1841 ministerraad zonder koning. parlement meer grip op de koning. ondertekend door willen 1 maar trekt zich later terug.
competitie
de mate waarin er verschillende partijen met elkaar wedijveren om de macht.
participatie
aandeel van bewoners dat deelneemt aan de politiek
self rule
de mate waarin deelstaten zichzelf kunnen reguleren
shared rule
de mate waarin deelstaten kunnen participeren in het overkoepelende bestuur
relatie tussen kerk en staat
indiciduele vrijheid
gelijke behandeling
organisatorische vrijheid voor kerken
→ kerk geen rol in de staat en vice versa
thorbeckianen
aanhangers van thorbecke en zijn ideeen
thorbeckiaans liberalisme
vanaf 1840 ongeveer 5 zetels in de staten generaal, liberalisme met romantische invloeden; rationalisme. macht gebaseerd op rede, politiek is rationeel en vrij debat. rationalsiem van bestuur; uniformiteit en einde van lokale privileges. organisatorische maatschappijopvatting. grondwet is kader voor ontplooiing, nachtwakerstaat. nieuwe grondwet; burgerlijke vrijheden, miniteriele verantwoordleijkheid, rechtsstreekse verkiezingen.
grondwet van 1848
scheiding kerk en staat, parlementair stelsel, beperkte participatie, ministers verantwoordlijk voor beleid
ministerraad
centrale orgaan van de uitvoerende macht, de voorzitter roteert. hoogste orgaan dat gemelijk beleid bepaalde, ministeriele verantwoordelijkheid
censuskiesrecht
alleen manen die een bepaald bedrag aan directe belastingen betaalde mochten stemmen. in 1848 was dit 2,5%
meervoudig districtenstelsel
land verdeeld in districten die elk meerdere afgevaardigden naar het parlement sturen
liberalen
groepen net buiten de elite, ondernemres en intelectuelen, vrijzinnig hervomden, remonstranten, lutheranen, doopsgezinden. volgde thorbecke
conservatieven
koningsgezind (SG als klankbord van de koning) voortanders cultuurstelsel, verdeeld tussen liberaal en protestandse conservatieven, partijvorming mislukt door onderlinge verdeeldheid. maatschappelijke elite
katholieken
vrijheid godsdoenst voor RKK, vrijheid voor rooms katholieke scholen, papio thorbeckiaanse samenwerking
anti revolutionairen
tegen de revolutie (het evangelie), tegen rationalisme (menselijk onvermogen), tegen volkssoevereiniteit (god is soeverein), nadruk op het organische gegroeide (christelijk historisch) , kwam vanuit het reveil ( religieuze opleving binnen de NHK). anti papisme (tegten invloed katholieke kerk). startegische samenwerking met de conservatieven voor bijzonder onderwijs.
papio thobeckianen
katholieke aanhangers liberale thorbecke
aprilbeweging
door grondwet 1848 scheiding kerk en staat, ophyeffen ministeries van eredienst. maar in 1853 wilde het vaticaan de bisschaoppelijke hiergie in nederland herstellen. hier tegen protest, petitie. de herinvoering van bischoppelijke hierarchie werd niet ongedaan gemaakt
luxemburgse kwestie
nederland in personele unie met luxenburg ( zelfde staatshoofs, andere regering). conflict koning en kamer willen III wil luxenburg verkopen aan FR, maar pruissen geeft weerstand. liberalen keren zich tegen het kabinet, begroting buitenalndse zaken wordt 2 maals afgekeurd
vertrouwens regel
als een kabinet niet het vertrouwen geniet van de 2e kamer moet het kabinet aftreden
plantage stelsel
kritiek op cultuur stelsel door multatuli (nederlandse residenten slechte controle en corrupt, veel macht inlandse regenten). liberaal vs conservatief (economische vrijheid vs behoud koloniale systeem). 1870 suiker en agrarische wet (sterkere rol nederladse ambtenaren, kleinere rol indische elites, grotere rol particulieren ondernemingen die grond kunne machten, uitbreiding directe controle buiten java, meer nederlandse militairen aanwezig)
parlement
deliberatie, representatie, soevereiniteit, verantwoording, wetgevende macht (1.Deliberatie: in het parlement vindt een uitwisseling op basis van argumenten plaats gericht op een algemeen belang.
2.Representatie: leden van het parlement zien zichzelf als vertegenwoordigers van de burgers
3.Soevereiniteit: de hoogste beslissingsmacht ligt bij het parlement
4.Verantwoording: het parlement kan leden van de regering naar het parlement vragen om beslissingen uit te leggen en het parlement kan leden van de regering sanctioneren als dit onvoldoende vindt
5.Wetgevende macht: het parlement kan wetten aannemen of afwijzen.)
ARP 1868-1918
abraham kuyper, groen van prinsterer. anti revolutionair, anti volkssoeverein maar soeverein in eigen kringen. kringen eigen regels en principes autoriteit en competenties. tegen staatsalmacht, wortel van verzuiling. eerste partij met centrale organisatie en landelijk bestuur. nationale organisatie van (lokale) kiesverenigingen. mannen van beginselen, gedeeld programma; gelijke fianciering bijzonder onderwijs, kiesrecht voor gezinshoofden, fractiedicipline. scheiding tussen condervatief en rooms katholiek. domineert tussen 1888 en 1940 de politiek. kabinet McKay, Kuyper, heemskerk
CHU 1868-1918
opgericht vanuit een conflict in de ARP, savornin lohman. wilde niet centralisatie van het partijapparaat, geen fractiedicipline, geen uitbreiding kiesrecht. wild edat leden vanuit hun eiegen gewesten konden stemmen
anti revolutionaire partij 1868-1918
de coalitie 1868-1918
antithese 1868-1918
nieuwe tegenstelling tussen geloof (ARP en RK) en revolutie (liberalen en socialisten) domineert de politiek tot WO2
CNV 1868-1918
christelijk nationaal vakverbond, opgricht in 1909, wijst idee van klassenstijd af → samenwerking tussen werkgevrrs en werknemers. weigerde katholiek gesstelijke leiding. niet expliciet gekoppeld aan CHU en ARP
VPCW 1868-1918
verbond van protestants christelijke werkgevers, opgricht in 1937, ontstaan vanuit eerdere iniatieven (boaz 1892 → VCWG 1918). belangen van protestandse ondernemers vertegenwoordigen, bedrijven laten werken op christelijke normaen en waarden. bestuurlijk verbonden met de CHU en ARP
anti papisme
deelideologie, negatieve grondhouding tov rooms katholieken
katholiek sociaal gedachtengoed
solidariteit ( afwijzing socialisme en klassenstrijd, bescherming zwakkeren, organsiche manier, herstellen oude rechtstoestand) en subsidiariteit (wat de overheid niet hoeft te doen kan zich onttrekken aan de macht van de overheid. overheid is aanvullend)
bahlmaniaan
schaepmanniaan
algemene bond der rooms katholieke kiesverenigingen
eerste landelijke organisatie van katholieken in de nederlandse politiek, 1897, gezamelijk optreden bij verkiezingen, meer invloed in de SG. schaepmannianen en voor zichtige katholieken. legde basis voor RKSP
KVWV
katholiek vakverbond van werklieden, organiseren katholieke werknemers, tegen socialistische klassenstrijd
conservatief liberalisme
jong liberalisme; breken met de nachtwakerstaat→ interventie, overheidsinterventie om sociale misstanden te voorkomen, voor algemeen kiesrecht, anti klerikaal ( sterke scheing kerk en staat), kinderwet, 1e golf feminisme
sociaal liberlisme
oud liberalisme; nachtwakerstaat, orde en recht in de maatschappij, openbaar onderwijs, censuskiesrecht
LU
VDB
BVL
de concentratie
samenwerking van liberale fracties in de 2e kamer
VNW
vereniging van nederlandse werkgevers 1899. 1879 LU aan de macht onder kabinet pierson. gericht op (tegen) ongevallenwet; verplicht verzekering bij een rijksverzekeringsbank. voorstel van Lely, vooruitstrevende liberale werkgevers die al eigen regelingen hbben, geen centraal overleg met regering (wilde onafhankelijk blijven), met succes de verplichte rijksverzekering werd afgewezen
marxisme
→ verschrikking van de industrieele economie
verschuiving van macht van bourgeosie naar proletariaat
verschuiving van productiemiddelen van privebezit naar collectief bezit
van besluitvorming van markt naar democratsiche planning
niet via parlememnt maar via revolutie
refomisme
streeft naar geleidelijke verbeteringen en sociale hervormingen binnen het bestsnde democratsiche en kapitalistische systeem, via perlementaire weg; streven naar verschuiving macht. via verkiezingen zetels halen om langzame concrete veranderingen te maken
SDAP
NVV
algemene werkstaking 1903
stakingen voor stakingsrecht en vakbondslidmaatschap
georganiseerd door mationaal arbeisdsecretariaat
zorgwetten van kuyper
grote algemens estaking
tegen de wil van de SDAP
opgericht in 1906
formeel onafhankelijk
sociologisch model
model van verandering; veranderende maatschappelijke context maakt nieuwe themas belangrijk voor mensen. samenleving → poliek
strategisch model
model van verandering; issue entrepreneurs proberen een nieuwe tegenstelling te activeren; om ruimte te scheppen voor een nieuwe politieke partij, of om de electorale positie van hun eigen partij te verbeteren. politiek → samenleving
kaderpartij
massapartij
parlementair kabinet
extraparlementair kabinet