1/22
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No study sessions yet.
Kent de onderdelen van het bloed.
Plasma en vaste bestanddelen (RBC, WBC en BPl)
Kent de functies van het bloed.
Transport van O2, CO2, voedingsstoffen, hormonen en afvalstoffen. Stabilisatie van pH en ionensamenstelling. Bescherming van bloedstolling bij verwonding en afweer tegen ziekteverwekkers. Warmteregulatie (via huiddoorbloeding)
Heeft kennis van verschillende types bloedname.
Veneus, arterieel en capillair
Kent de samenstelling van plasma en zijn functies.
Plasma bevat opgeloste eiwitten en is het vloeibare deel van het bloed. Functies: transportmedium, bevat stollingsfactoren, bevat stoffen nodig voor homeostase.
Kan de kenmerken van de rode bloedcel en het begrip erythropoëse uitleggen.
99,9% van alle bloedcellen, 5 miljoen per microliter bloed, geen kern of mitochondriën, anaërobe stofwisseling, levensduur ca. 120 dagen
Structuur binconcaaf schijfje, groot uitwisselingsoppervlak, flexibel
Kan de functies van de rode bloedcel en het begrip erythropoëse uitleggen.
Transport van O2 en CO2 via hemoglobine. Vorming van RBC in het rode beenmerg (wervels, borstbeen, ribben, schouderbladen, bekken, proximale beenderen). Regulatie door ijzer, vit B12, foliumzuur, EPO
Kent de structuur en functie van hemoglobine.
Bestaat uit 2 paar globulaire eiwitten. Elke subeenheid bevat 1 heemgroep met ijerzion. Functie de binding en transport van O2 en transport van CO2
Heeft inzicht in het hergebruik van RBC en hemoglobine – Fe.
Oude RBC worden gefagocyteerd door macrofagen in lever, milt en beenmerg. Hemoglobine wordt afgebroken. Ijzer wordt hergebruikt voor nieuwe RBC
Kent de begrippen bloedgroep, Rhesus factor en de link naar transfusie van bloedonderdelen.
Antigenen zijn eiwitten op het membraan van RBC en zijn erfelijk bepaald. Het ABO-systeem heeft A met antigen A, B met antigen B, AB met antigen A en B en O zonder antigenen. Bij het rhesussysteem met Rh+ is het antigen Rh aanwezig en bij Rh- is het antigen Rh afwezig. Bij transfusie zorgt een onverenigbare antigen voor immuunreactie.
Kent de verschillende types leukocyten en factoren in hun functie en vorming.
kenmerken van leukocyten zijn afweer tegen ziekteverwekkers, amoeboïde beweging, diapedese, chemotaxis, fagocytose. Types zijn neutrofielen, monocyten, eosinofielen, basofielen, lymfocyten. Vorming van lymfopoëse.
Kent de structuur, functie en productie van thrombocyten.
Een thrombocyt heeft geen celkern maar wel celfragmenten. Ze ontstaan in het rode beenmerg en zijn afkomstig van megakaryocytten. Ze starten het stollingsproces en leven 9-12 dagen.
Heeft inzicht in het begrip hemostase en zijn belang bij verwonding.
Hemostase is het proces dat bloedverlies stopt bij vaatbeschadiging. De 3 fases zijn vasculaire fase, bloedplaatjesfase en coagulatiefase. Stollingsfactoren zijn Ca2+, 11 plasma-eiwitten, intrinsiek en extrinsiek systeem, gemeenschappelijke factor X.
Bespreek de 3 fases van hemostase
Fase 1 is vasculaire fase met als onderdeel vasoconstrictie en deze fase duurt ca 30 minuten. Fase 2 is de bloedplaatjesfase binnen 15 seconden vormt zich een bloedplaatjesprop. Fase 3 bestaat uit fibrinogeen en vormt bloedstolsel.
Kent de onderdelen van het urinaire stelsel.
Nieren, ureters, urineblaas, urethra
Kent de functies van het urinaire stelsel.
Excretie het verwijderen van organische afvalstoffen (ureum, creatinine, urinezuur). Homeostase: de regulatie van bloedvolume en -druk, regulatie van ionen, stabilisatie van pH, behoud van waardevolle stoffen.
Kan de macro- en micro anatomie van de nier beschrijven.
Macro-anatomie is het gewicht ca. 300g, met doorbloeding van 1200ml/min. Het bestaat uit de cortex en de medulla. Micro-anatomie met als functionele eenheid nefron. Elk nefron bestaat uit een nierlichaampje, nierbuisje en verzamelsysteem.
Heeft grondige kennis van de micro-anatomie van het nefron/ verzamelsystemen en de functies van de verschillende onderdelen.
Het nefron is de functionele eenheid van de nier. In de glomerulus gebeurt passieve filtratie, waarbij voorurine ontstaat. In de proximale tubulus worden alle glucose en aminozuren, 60–70% water en belangrijke ionen teruggeresorbeerd, met secretie van H⁺. De lis van Henle creëert een concentratiegradiënt: de dalende tak resorbeert water, de stijgende tak transporteert actief Na⁺ en Cl⁻. In de distale tubulus en verzamelbuizen gebeurt de laatste regeling onder invloed van aldosteron en ADH, wat de concentratie van de urine bepaalt.
Kan de fysische principes van de vorming van urine uitleggen.
De drie basisprocessen zijn filtratie, terugresorptie en actieve secretie gebaseerd op diffusie, osmose en actief transport.
Heeft grondige kennis van het begrip GFR.
De hoeveelheid voorurine geproduceerd per minuut. GFR = 125ml/min omgerekend is dit 180 l/24u. De filtratiedruk is ±10mmHg. Daling van bloeddruk leidt tot daling of stopzetting van urineproductie.
Heeft grondige kennis van de regulatie van de nierfunctie.
Plaatselijke autoregulatie met vasodilatatie en vasoconstrictie. Het compenseert de kleine bloeddrukschommelingen. Sympathische regulatie bevat daling van GFR en vernauwing van de arteriolen. Hormonale regulatie bestaat uit RAAS, ADH, aldosteron, ANP
Heeft kennis van de structuur en functie van ureter, blaas en urethra – verschillen tussen man en vrouw.
Ureter transporteert urine van nier naar blaas. Urineblaas is de opslagplaats van urine. Urethra is bij de vrouw kort met een hoger risico op infectie en bij de man langer, ook deel van voortplantingsstelsel. Blaaslediging gebeurt via de blaasreflex.
Heeft kennis van vocht- en ionenbalans en de rol van de nier/ long in dit proces.
Lichaamswater bedraagt bij mannen ca. 60% en bij vrouwen ca. 50%. Compartimenten intracellulair (ICF) en extracellulair (ECF). Natrium is het belangrijkste ion ECF en kalium is essentieel voor celfuncties.
Heeft kennis van pH evenwicht in het lichaam en de rol van de nier/ long in dit proces.
De normale pH waarde bedraagt tussen 7,35 en 7,45. De buffersystemen zijn eiwitfbuffer, bicarbonaatbuffer en fosfaatbuffer. Longen hebben CO2-regulatie. Nieren zorgen voor de uitscheiding van waterstof en regeling van HCO3-. Buffers zijn tijdelijk, nieren en longen zorgen voor definitieve correctie.