1/72
Nectar H10 bloedsomloop Nectar vwo 5
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No study sessions yet.
Ader
Bloedvat dat het bloed vanaf de organen en het weefsel naar het hart brengt
Atherosclerose
Verlies van de elasticiteit van slagaders door afzetting van vetachtige stoffen zoals cholesterol. Dit veroorzaakt een verhoging in de bloeddruk
AV-knoop
Een groep speciale cellen in de wand tussen beide boezems, geeft elektrische prikkels af waardoor de kamers samentrekken. Is onderdeel van het prikkelgeleidingssysteem van het hart
Basaal membraan
Membraan van eiwitten en collageenvezels aan de buitenkant van bloedvaten; houdt de cellen van het haarvat stevig bijeen
Bloedplaatjes
Celfragmenten in het bloed, betrokken bij de bloedstolling
Bloedplasma
Waterig deel van het bloed met opgeloste stoffen als ionen, voedingsstoffen, afvalstoffen en hormonen en kleine hoeveelheden gassen
Bloedstolling
Het vormen van een stolsel om een bloedvat te dichten na een beschadiging
Bloedstolsel
Dikke geleiachtige prop van fibrinedraden en bloedcellen
Boezems
Bovenste holle ruimten in het hart die bloed ontvangen van aders en dat doorgeven aan de kamers
Boezemsystole
Fase in de hartcyclus; de boezems trekken samen, waardoor ze bloed naar de kamers persen
Bohr-effect
De extra O2-afgifte door oxiHb vanwege een hogere pCO2, een lagere pH en een hogere temperatuur
Bufferende stoffen
Stoffen die werken als pH-buffer; ze gaan grote schommelingen van de pH tegen door H+-ionen te binden of af te staan
Bundel van His
Een bundel gespecialiseerd hartspierweefsel die vanuit de AV-knoop naar de rechter- en linkerkant van de hartpunt loopt
Cascade
Reeks opvolgende reacties
CO2-concentratie
pCO2 = de partiële spanning van CO2
Colloïd
Eiwitketens in het bloedplasma, niet opgelost maar fijn verdeeld
Colloïd osmotische druk
Druk die ontstaat door de bloedeiwitten die als colloïden in het bloedplasma aanwezig zijn
Diastole
Fase in de hartcyclus waarin bloed via de boezems de kamers instroomt
Diastolische druk
Onderdruk, de druk op het bloed tijdens de rustfase van het hart
Dubbele bloedsomloop
Bloedsomloop waarbij het bloed tijdens één rondgang twee keer in het hart passeert. Bestaat uit een kleine en een grote omloop
Ductus Botalli
Een verbinding tussen de longslagader en de aorta van de kleine naar de grote bloedsomloop bij een ongeboren kind
Ecg
Elektrodiagram, een registratie van de elektrische activiteit van het hart, die een gevolg is van het samentrekken en ontspannen van de boezems en kamers
Embryonale bloedsomloop
Bloedsomloop van een ongeboren kind
Enkelvoudige (enkele) bloedsomloop
Bloedsomloop waarbij het bloed tijdens één rondgang één keer het hart passeert
Fibrinedraden
Kleverige draden die een netwerk vormen, dat bloedplaatjes en rode bloedcellen vasthoudt en het beschadigde bloedvat afsluit
Fibrinogeen
Oplosbaar stollingseiwit in het bloedplasma, waaruit onoplosbare fibrinedraden ontstaan
Gesloten bloedsomloop
Het bloed stroomt in bloedvaten door het lichaam
Filtratiedruk
Het onder invloed van de bloeddruk uitpersen van bloedplasma via openingen tussen de cellen van een haarvat naar de weefselvloeistof. De kleine openingen houden rode bloedcellen, bloedplaatjes en grote eiwitmoleculen tegen
Grote bloedsomloop
(bij mensen) de weg van het bloed bij de afgifte van O2: van de linkerharthelft, via de organen naar de rechterharthelft
Haarvaten
Dunste bloedvaten waarvan de wand één cellaag dik is; hier vindt de uitwisseling van stoffen plaats
Hartcyclus
De drie fasen van de hartslag samen
Hartkleppen
Kleppen tussen de boezem en de kamer; verhinderen het terugstromen van het bloed van de kamers naar de boezems als de kamers samentrekken
Hartminuutvolume
De hoeveelheid bloed die een hartkamer per minuut wegpompt
Hartslagfrequentie
Het aantal hartslagen per minuut
Hartslag
Activiteit van het hart, bestaat uit drie fasen: het vullen van de kamers, het leegpersen van de kamers en een korte pauze
HCO3-
Hemoglobinemoleculen
Moleculen in rode bloedcellen die bestaan uit vier eiwitketens (globine) met elk een ijzerhoudende heemgroep. De heemgroep bindt O2 en CO2 en verhoogt daarmee de transportcapaciteit van het bloed voor CO2 en O2
Infarct
Een ernstige verstoring in een weefsel door onvoldoende zuurstoftoevoer
Kamers
Onderste holle ruimte in het hart die bloed ontvangen uit de boezems en de slagaders in pompen
Kamersystole
Fase in de hartcyclus; de kamers trekken samen, waardoor ze bloed de slagaders inpersen
Kleine bloedsomloop
(bij mensen) de weg van het bloed bij de opname van O2: van de rechterharthelft via de longen naar de linkerharthelft
Kleppen
Stukjes weefsel in aders die de bloedstroom in één richting afsluiten. Voorkomen van terugstromen van bloed in bloedvaten en lymfe in lymfevaten
Kransslagader
Slagader die de hartspier van zuurstof en voedingsstoffen voorziet
Lymfe
Vloeistof in de lymfevaten, ontstaat uit weefselvloeistof dat vanuit de weefsels in de lymfevaten komt
Lymfeknopen
Een bolvormig orgaantje in het lymfevaatstelsel dat een belangrijke rol speelt bij de afweer. In de lymfeknopen zijn grote hoeveelheden speciale witte bloedcellen opgeslagen
Lymfesysteem
Lymfevaten met lymfe en lymfeknopen met speciale witte bloedcellen
Myoglobine
Moleculen in de hartspier en skeletspieren die bestaan uit één eiwitketen met één heemgroep. Mb heeft een hogere affiniteit voor O2 waardoor het een reservevoorraad O2 in de spieren kan opslaan
O2-concentratie
pO2 = de partiële spanning van O2
Open bloedsomloop
Het bloed omspoelt de organen en de weefsels. Een groot bloedvat aan de rugzijde met gespierde hartkamers houdt de stroming in stand
Ovale venster
(foramen ovale) een opening tussen de rechter- en linkerboezem bij een ongeboren kind
Oxigenatie
Losse binding van O2 aan Hb, zonder dat daarbij elektronenoverdracht plaatsvindt (Fe2+ blijft Fe2+). De bindingsreactie tussen Hb en O2 is een evenwichtsreactie: Hb + O2 ⇆ HbO2 (oxiHb)
Oxihemoglobine
Hb waaraan O2 gebonden is (zie hierboven)
Plaatjesfactor
Eiwit dat vrijkomt bij het stukgaan van de bloedplaatjes, start samen met tromboplastine de bloedstolling
Plaque
Verdikking in de bloedvatwand
Prikkelgeleidingssysteem
Systeem van gespecialiseerde vezels en spiercellen in de hartspier, leidt de elektrische prikkel uit de sinusknoop over de hartspier
Protrombine
Stollingseiwit in het bloedplasma waaruit trombine kan ontstaan
P-top
Onderdeel van een ecg dat de elektrische activiteit weergeeft van het samentrekken van de boezems
Purkinjevezels
Vertakkingen van de bundel van His, die de prikkel verder over de wand van de kamers vervoeren
QRS-complex
Onderdeel van een ecg dat de elektrische activiteit weergeeft van het samentrekken van de kamers
Rode bloedcellen
Cellen in het bloed die hemoglobine bevatten en betrokken zijn bij het transport van O2 en CO2
Sinusknoop (boezemknoop)
Een groep speciale spiercellen in de wand van de rechterboezem, die een elektrische prikkel afgeeft waardoor de spiervezels van de boezems samentrekken; begin van het prikkelgeleidingssysteem van het hart
Slagader
Bloedvat dat bloed vanaf het hart naar de organen en de weefsels brengt
Slagaderkleppen
Kleppen tussen de kamer en de aorta / longslagader; verhinderen het terugstromen van het bloed van de aorta / longslagader naar de kamer
Slagvolume
De hoeveelheid bloed die een hartkamer per hartslag verlaat
Stamcellen
De cellen in het rode beenmerg waaruit bloedcellen ontstaan
Stollingsfactoren
Stoffen uit beschadigde bloedvatcellen en bloedplaatjes, en stoffen in het bloedplasma (vitamine K en calcium) betrokken bij de bloedstolling
Systolische druk
Bovendruk, de druk op het bloed die ontstaat doordat het hart bloed de slagaders in pompt
Tight junctions
Stevige verbinding tussen de membranen van twee cellen
Trombine
Stollingseiwit, onstaat uit protrombine. Zet oplosbaar fibrinogeen uit het bloedplasma om in onoplosbare fibrinedraden
Tromboplastine
Eiwit dat vrijkomt bij het beschadigen van weefselcellen, start samen met de plaatjesfactor de bloedstolling
T-top
Onderdeel van een ecg dat de elektrische activiteit weergeeft bij het ontspannen van de kamervezels
Weefselvloeistof
Vocht rond de lichaamscellen dat de verbinding vormt tussen bloedplasma en cellen. Via deze vloeistof wisselen cellen O2, CO2, voedingsstoffen en afvalstoffen uit met het bloedplasma
Witte bloedcellen
Cellen in het bloed die een rol spelen bij de afweer tegen ziekteverwekkers