Nectar H10 bloedsomloop Nectar vwo 5

full-widthCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/72

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Nectar H10 bloedsomloop Nectar vwo 5

Study Analytics
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No study sessions yet.

73 Terms

1

Ader

Bloedvat dat het bloed vanaf de organen en het weefsel naar het hart brengt

2

Atherosclerose

Verlies van de elasticiteit van slagaders door afzetting van vetachtige stoffen zoals cholesterol. Dit veroorzaakt een verhoging in de bloeddruk

3

AV-knoop

Een groep speciale cellen in de wand tussen beide boezems, geeft elektrische prikkels af waardoor de kamers samentrekken. Is onderdeel van het prikkelgeleidingssysteem van het hart

4

Basaal membraan

Membraan van eiwitten en collageenvezels aan de buitenkant van bloedvaten; houdt de cellen van het haarvat stevig bijeen

5

Bloedplaatjes

Celfragmenten in het bloed, betrokken bij de bloedstolling

6

Bloedplasma

Waterig deel van het bloed met opgeloste stoffen als ionen, voedingsstoffen, afvalstoffen en hormonen en kleine hoeveelheden gassen

7

Bloedstolling

Het vormen van een stolsel om een bloedvat te dichten na een beschadiging

8

Bloedstolsel

Dikke geleiachtige prop van fibrinedraden en bloedcellen

9

Boezems

Bovenste holle ruimten in het hart die bloed ontvangen van aders en dat doorgeven aan de kamers

10

Boezemsystole

Fase in de hartcyclus; de boezems trekken samen, waardoor ze bloed naar de kamers persen

11

Bohr-effect

De extra O2-afgifte door oxiHb vanwege een hogere pCO2, een lagere pH en een hogere temperatuur

12

Bufferende stoffen

Stoffen die werken als pH-buffer; ze gaan grote schommelingen van de pH tegen door H+-ionen te binden of af te staan

13

Bundel van His

Een bundel gespecialiseerd hartspierweefsel die vanuit de AV-knoop naar de rechter- en linkerkant van de hartpunt loopt

14

Cascade

Reeks opvolgende reacties

15

CO2-concentratie

pCO2 = de partiële spanning van CO2

16

Colloïd

Eiwitketens in het bloedplasma, niet opgelost maar fijn verdeeld

17

Colloïd osmotische druk

Druk die ontstaat door de bloedeiwitten die als colloïden in het bloedplasma aanwezig zijn

18

Diastole

Fase in de hartcyclus waarin bloed via de boezems de kamers instroomt

19

Diastolische druk

Onderdruk, de druk op het bloed tijdens de rustfase van het hart

20

Dubbele bloedsomloop

Bloedsomloop waarbij het bloed tijdens één rondgang twee keer in het hart passeert. Bestaat uit een kleine en een grote omloop

21

Ductus Botalli

Een verbinding tussen de longslagader en de aorta van de kleine naar de grote bloedsomloop bij een ongeboren kind

22

Ecg

Elektrodiagram, een registratie van de elektrische activiteit van het hart, die een gevolg is van het samentrekken en ontspannen van de boezems en kamers

23

Embryonale bloedsomloop

Bloedsomloop van een ongeboren kind

24

Enkelvoudige (enkele) bloedsomloop

Bloedsomloop waarbij het bloed tijdens één rondgang één keer het hart passeert

25

Fibrinedraden

Kleverige draden die een netwerk vormen, dat bloedplaatjes en rode bloedcellen vasthoudt en het beschadigde bloedvat afsluit

26

Fibrinogeen

Oplosbaar stollingseiwit in het bloedplasma, waaruit onoplosbare fibrinedraden ontstaan

27

Gesloten bloedsomloop

Het bloed stroomt in bloedvaten door het lichaam

28

Filtratiedruk

Het onder invloed van de bloeddruk uitpersen van bloedplasma via openingen tussen de cellen van een haarvat naar de weefselvloeistof. De kleine openingen houden rode bloedcellen, bloedplaatjes en grote eiwitmoleculen tegen

29

Grote bloedsomloop

(bij mensen) de weg van het bloed bij de afgifte van O2: van de linkerharthelft, via de organen naar de rechterharthelft

30

Haarvaten

Dunste bloedvaten waarvan de wand één cellaag dik is; hier vindt de uitwisseling van stoffen plaats

31

Hartcyclus

De drie fasen van de hartslag samen

32

Hartkleppen

Kleppen tussen de boezem en de kamer; verhinderen het terugstromen van het bloed van de kamers naar de boezems als de kamers samentrekken

33

Hartminuutvolume

De hoeveelheid bloed die een hartkamer per minuut wegpompt

34

Hartslagfrequentie

Het aantal hartslagen per minuut

35

Hartslag

Activiteit van het hart, bestaat uit drie fasen: het vullen van de kamers, het leegpersen van de kamers en een korte pauze

36

HCO3-

Ion dat ontstaat bij de reactie van CO2 met H2O: CO2 + H2O
37

Hemoglobinemoleculen

Moleculen in rode bloedcellen die bestaan uit vier eiwitketens (globine) met elk een ijzerhoudende heemgroep. De heemgroep bindt O2 en CO2 en verhoogt daarmee de transportcapaciteit van het bloed voor CO2 en O2

38

Infarct

Een ernstige verstoring in een weefsel door onvoldoende zuurstoftoevoer

39

Kamers

Onderste holle ruimte in het hart die bloed ontvangen uit de boezems en de slagaders in pompen

40

Kamersystole

Fase in de hartcyclus; de kamers trekken samen, waardoor ze bloed de slagaders inpersen

41

Kleine bloedsomloop

(bij mensen) de weg van het bloed bij de opname van O2: van de rechterharthelft via de longen naar de linkerharthelft

42

Kleppen

Stukjes weefsel in aders die de bloedstroom in één richting afsluiten. Voorkomen van terugstromen van bloed in bloedvaten en lymfe in lymfevaten

43

Kransslagader

Slagader die de hartspier van zuurstof en voedingsstoffen voorziet

44

Lymfe

Vloeistof in de lymfevaten, ontstaat uit weefselvloeistof dat vanuit de weefsels in de lymfevaten komt

45

Lymfeknopen

Een bolvormig orgaantje in het lymfevaatstelsel dat een belangrijke rol speelt bij de afweer. In de lymfeknopen zijn grote hoeveelheden speciale witte bloedcellen opgeslagen

46

Lymfesysteem

Lymfevaten met lymfe en lymfeknopen met speciale witte bloedcellen

47

Myoglobine

Moleculen in de hartspier en skeletspieren die bestaan uit één eiwitketen met één heemgroep. Mb heeft een hogere affiniteit voor O2 waardoor het een reservevoorraad O2 in de spieren kan opslaan

48

O2-concentratie

pO2 = de partiële spanning van O2

49

Open bloedsomloop

Het bloed omspoelt de organen en de weefsels. Een groot bloedvat aan de rugzijde met gespierde hartkamers houdt de stroming in stand

50

Ovale venster

(foramen ovale) een opening tussen de rechter- en linkerboezem bij een ongeboren kind

51

Oxigenatie

Losse binding van O2 aan Hb, zonder dat daarbij elektronenoverdracht plaatsvindt (Fe2+ blijft Fe2+). De bindingsreactie tussen Hb en O2 is een evenwichtsreactie: Hb + O2 ⇆ HbO2 (oxiHb)

52

Oxihemoglobine

Hb waaraan O2 gebonden is (zie hierboven)

53

Plaatjesfactor

Eiwit dat vrijkomt bij het stukgaan van de bloedplaatjes, start samen met tromboplastine de bloedstolling

54

Plaque

Verdikking in de bloedvatwand

55

Prikkelgeleidingssysteem

Systeem van gespecialiseerde vezels en spiercellen in de hartspier, leidt de elektrische prikkel uit de sinusknoop over de hartspier

56

Protrombine

Stollingseiwit in het bloedplasma waaruit trombine kan ontstaan

57

P-top

Onderdeel van een ecg dat de elektrische activiteit weergeeft van het samentrekken van de boezems

58

Purkinjevezels

Vertakkingen van de bundel van His, die de prikkel verder over de wand van de kamers vervoeren

59

QRS-complex

Onderdeel van een ecg dat de elektrische activiteit weergeeft van het samentrekken van de kamers

60

Rode bloedcellen

Cellen in het bloed die hemoglobine bevatten en betrokken zijn bij het transport van O2 en CO2

61

Sinusknoop (boezemknoop)

Een groep speciale spiercellen in de wand van de rechterboezem, die een elektrische prikkel afgeeft waardoor de spiervezels van de boezems samentrekken; begin van het prikkelgeleidingssysteem van het hart

62

Slagader

Bloedvat dat bloed vanaf het hart naar de organen en de weefsels brengt

63

Slagaderkleppen

Kleppen tussen de kamer en de aorta / longslagader; verhinderen het terugstromen van het bloed van de aorta / longslagader naar de kamer

64

Slagvolume

De hoeveelheid bloed die een hartkamer per hartslag verlaat

65

Stamcellen

De cellen in het rode beenmerg waaruit bloedcellen ontstaan

66

Stollingsfactoren

Stoffen uit beschadigde bloedvatcellen en bloedplaatjes, en stoffen in het bloedplasma (vitamine K en calcium) betrokken bij de bloedstolling

67

Systolische druk

Bovendruk, de druk op het bloed die ontstaat doordat het hart bloed de slagaders in pompt

68

Tight junctions

Stevige verbinding tussen de membranen van twee cellen

69

Trombine

Stollingseiwit, onstaat uit protrombine. Zet oplosbaar fibrinogeen uit het bloedplasma om in onoplosbare fibrinedraden

70

Tromboplastine

Eiwit dat vrijkomt bij het beschadigen van weefselcellen, start samen met de plaatjesfactor de bloedstolling

71

T-top

Onderdeel van een ecg dat de elektrische activiteit weergeeft bij het ontspannen van de kamervezels

72

Weefselvloeistof

Vocht rond de lichaamscellen dat de verbinding vormt tussen bloedplasma en cellen. Via deze vloeistof wisselen cellen O2, CO2, voedingsstoffen en afvalstoffen uit met het bloedplasma

73

Witte bloedcellen

Cellen in het bloed die een rol spelen bij de afweer tegen ziekteverwekkers