1/311
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
πολύς, πολλή, πολύ
veel, groot, overvloedig
πολύ adv.
veel, veruit
οἱ πολλοί
de meesten, de grote massa
πολλάκις adv.
vaak
ποιέω
doen, maken
ποιέομαι περὶ πολλοῦ
veel geven om, van groot belang achten
ἐμποιέω
teweeg brengen bij/in
ἀνήρ, ἀνδρός, ὁ
man
ἀνδρεία, -ας, ἡ
dapperheid
ἀνδρεῖος, -α, -ον
mannelijk, dapper
δικαστής, -οῦ, ὁ
lid van een juryrechtbank
δικάζω
recht spreken
δίκαιος, -α, -οω
rechtvaardig, terecht, juist
δικαιοσύνη, ἡ
rechtvaardigheid
δικαιόω
billijken, juist achten
δίκη, δίκης, ἡ
recht, proces, genoegdoening, straf
πρᾶγμα, -ατος, τό
voorwerp, gebeurtenis, situatie, probleem
(politiek/zakelijk;) belang, handeling
πράγματα παρέχω (+dat)
iem. moeilijkheden bezorgen
πραγματεύομαι
ondernemen, zaken doen
πρᾶξις, -εως, ἡ
handeling, praktijk
πράττω
handelen, doen, bereiken
εὖ/κακῶς πράττω
het goed/slecht maken
γίγνομαι
(tot wording komen:) geboren worden, worden, ontstaan, gebeuren, plaatsvinden
ἐγγίγνομαι
ontstaan in/op
ἐκγίγνομαι
ontstaan uit, afstammen van
ἐκγίγνεται
het lukt
ἐπιγίγνομαι
ontstaan na iets anders, +dat overkomen (iemand) (van een gebeurtenis)
παραγίγνομαι + dat.
bij iets komen/zijn, bijstaan, te hulp komen
περιγίγνομαι + gen.
de overhand krijgen (op)
προσγίγνομαι (+ dativus)
zich aan iemands kant scharen; toegevoegd worden (aan)
γενεά, ἡ
herkomst, familie, nageslacht, soort, sekse
συγγενής, -ές
verwant
γονεῖς, οἱ
ouders
ἔκγονος, ὁ
nakomeling
πρόγονοι, οἱ
voorouders
εἰμί
(+predicaatsnomen) zijn, (éénplaatsig) (het geval) zijn, bestaan
ἔστιν + inf.
het is mogelijk
ἄπειμι
afwezig zijn
πάρειμι
erbij zijn, aanwezig zijn, daar zijn
περίειμι
superieur zijn; overleven
σύνειμι (+ dat.)
samen zijn met, in het gezelschap verkeren van
πάσχω
ervaren, ondervinden
πάθημα, -ατος, τό
ervaring, pl. lotgevallen
πάθος, πάθους, τό
ervaring, tegenslag, emotie
εὖ
goed
οἶδα, inf. εἰδέναι, pqpf. ᾔδη/ᾔδειν
weten
σύνοιδα + dat
iets van iemand weten
σύνοιδα ἐμαυτῷ + participium
zich bewust zijn dat
γιγνώσκω
leren kennen, inzien, (her)kennen, begrijpen
γνώμη, -ης, ἡ
inzicht, verstand, mening, opvatting, voorstel
ἀναγιγνώσκω
herkennen, lezen
ἀγνοέω
niet weten, niet kennen
ἄλλος, -η, -ο
ander
ἀλλότριος, -α, -ον
andermans, vreemd
ἔχω, ἔσχον
hebben, houden, (aor.) verkrijgen, (+adv) er zus of zo aan toe zijn, in een bepaalde conditie verkeren, (+inf) kunnen
ἀνέχομαι
uithouden, verdragen
ἀντέχω
(+ dat. + acc) voorhouden (iemand iets), (+dat.) weerstand bieden (tegen)
ἀπέχω
(transitief) afhouden van, (+ gen. intransitief) verwijderd zijn (van)
ἀπέχομαι + gen.
zich verre houden (van iets)
ἐπέχω
(transitief) vast-, tegenhouden; (intransitief) halt houden, inhouden
κατέχω
in de greep houden, treffen, (intrans.) aan land gaan
μετέχω + gen.
delen (in), een aandeel hebben (in)
παρέχω
verschaffen, ter beschikking stellen
περιέχω
omgeven, (+acc) uitsteken boven, overtreffen (iemand)
περιέχομαι + gen
zich vastklampen (aan)
συνέχω
bij elkaar houden
ὑπερέχω + gen.
uitsteken boven, overtreffen
ζημία, ἡ
schade, straf
ζημιόω
straffen, beboeten
μικρός, -ά, -όν
klein
σμικρός, ά, όν
klein
ἡγέομαι
(+dat) voorgaan, leiden (iemand), (+aci) menen dat, (+'dubbele acc') (iemand) beschouwen als (iets)
διηγέομαι
vertellen
ἐξηγέομαι
naar buiten leiden; uiteenzetten
ἡγεμών, -όνος, ὁ
gids, leider, aanvoerder
μόνος, -η, -ον
alleen, enig
μόνον adv.
alleen maar, slechts
πᾶς (παντός), πᾶσα (πάσης), πᾶν (παντός)
geheel, ieder, elk, (pl.) alle(n)
ἅπας, ἅπασα, ἅπαν
(na medeklinker in woordeinde): geheel, ieder, elk, (pl.) alle(n)
σύμπας, -αντος
totaal
παντελῶς (adv.)
geheel en al, volkomen
πάντῃ (adv.)
overal (langs elke weg), in alle opzichten
παντοῖος, α, ον
allerlei
πάντως (adv.)
in ieder geval, geheel en al, volstrekt
ὀλιγαρχία, ἡ
oligarchie, bestuur door een kleine elite
ὀλίγος, -η, -ον
klein, gering, weinig
ὀλίγον (adv.)
een beetje, korte tijd
ὀλίγου (δεῖν) (adverbium)
bijna
τιμωρία, -ας, ἡ
wraak, genoegdoening, eerherstel
τιμωρέω
(+ dat) wraak nemen voor (een slachtoffer), te hulp komen (een slachtoffer), (+acc) wraak nemen op (een dader), straffen
τιμωρέομαι +acc
wraak nemen (op), zich wreken op
τιμάω
waarderen, schatten, eren
τιμή, -ῆς, ἡ
prijs, prestige, eer
ἀτιμάζω
eer onthouden, onteren
ἄτιμος
eerloos, zonder burgerrechten
ἔντιμος
geëerd
ἀσθενής, -ές
zonder kracht: zwak, ziek
ἀσθένεια, -ας, ἡ
zwakte, ziekte
πρός +acc
naar(plaats), tegen(tijd), tegenover (persoon), tot (doel)
μέγας, μεγάλη, μέγα
groot, luid