GP alles

0.0(0)
studied byStudied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/218

flashcard set

Earn XP

Last updated 12:06 PM on 2/1/23
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

219 Terms

1
New cards
selectielimiet
de populatie heeft een punt bereikt waar verdere genetische verandering niet mogelijk is
2
New cards
inteeltdepressie
de verminderde biologische fitheid in een bepaalde populatie als gevolg van inteelt
3
New cards
heterosis
het effect dat bij nakomelingen het gemiddelde van een of meer eigenschappen van beide afstammelingen is toe genomen (a.k.a. hybride groeikracht)
--\> door kruising van ouders uit andere populaties/soorten/raszuivere lijnen
4
New cards
quantitative trait locus (QTL)
een gebied op een chromosoom waarin zeer waarschijnlijk een gen (DNA sequentie) met een zekere invloed op een bepaald kenmerk ligt
5
New cards
maternale invloed
de invloeden van de moeder op de uiteindelijke prestatie van de nakomeling (bijvoorbeeld bij de kip zorgt de moeder voor de dooier samenstelling, de schaaldikte, antistoffen tegen verschillende infecties, etc.)
6
New cards
kandidaatgen
een gen met bekende werking die gebruikt kan worden om verschillen tussen dieren (met betrekking tot het te analyseren kenmerk) te verklaren
7
New cards
adenine

8
New cards
thymine

9
New cards
cytosine

10
New cards
guanine

11
New cards
purines
adenine en guanine (dubbele cirkel, groot)
12
New cards
pyrimidines
thymine en cytosine (enkele cirkel, klein)
13
New cards
fosfodiester binding
binding tussen de nucleotiden in een streng (twee esters die samen komen aan een fosfaatgroep)
binding tussen de nucleotiden in een streng (twee esters die samen komen aan een fosfaatgroep)
14
New cards
breedte van DNA
2nm
15
New cards
lengte van een base
0,34 nm
16
New cards
waarom dubbelstrengs DNA
- informatie is dubbel opgeslagen (maakt herstellen van fouten mogelijk en kopiëren makkelijk)
- heel stabiel en kan veel nucleotiden bevatten (dus veel info opslaan)
17
New cards
coderend gedeelte
deel van een gen dat de samenstelling van een eiwit bepaalt (21.000 genen)
18
New cards
regulerend gedeelte
deel van een gen dat de plaats, tijd, en hoeveelheid van een eiwit bepaalt
19
New cards
junk-DNA
Al het DNA dat niet geen genen zijn.
20
New cards
deoxynucleotide-trisfosfaten
nucleotiden met drie fosfaat groepen (dATP, dCTP, dGTP, dTTP); worden gebruikt bij DNA replicatie omdat 2 van hun fosfaten er af vallen om energie te maken om te binden
nucleotiden met drie fosfaat groepen (dATP, dCTP, dGTP, dTTP); worden gebruikt bij DNA replicatie omdat 2 van hun fosfaten er af vallen om energie te maken om te binden
21
New cards
DNA polymerase
enzym dat deoxyribose-fosfaat binding in de DNA keten maakt; werkt in de 5' --> 3' richting.
enzym dat deoxyribose-fosfaat binding in de DNA keten maakt; werkt in de 5' --> 3' richting.
22
New cards
pyrofosfaat
2 fosfaten aan elkaar die van de deoxynucleotide-3-P afvallen.
23
New cards
proofreading
DNA polymerase voelt alles wat hij maakt; zo kan hij zijn eigen fouten herkennen en kan hij de verkeerde base wegknippen door zijn nucleasefunctie.
1/1000 keer is er een fout, na proofreading nog maar 1/1 miljoen.
DNA polymerase voelt alles wat hij maakt; zo kan hij zijn eigen fouten herkennen en kan hij de verkeerde base wegknippen door zijn nucleasefunctie.
1/1000 keer is er een fout, na proofreading nog maar 1/1 miljoen.
24
New cards
replicatie origine
specifieke DNA code waar de DNA strengen makkelijk uit elkaar worden getrokken; DNA replicatie verloopt vanaf hier in beide richtingen
specifieke DNA code waar de DNA strengen makkelijk uit elkaar worden getrokken; DNA replicatie verloopt vanaf hier in beide richtingen
25
New cards
initiator eiwit
deze breekt het DNA open op de plek van replicatie. Dit gebeurt op meerdere plekken tegelijk.
26
New cards
helicase
eiwit dat aan de voorkant van de replicatie vork de DNA helix verder opent (na het initiator eiwit).
27
New cards
primer/ primase
primer wordt gemaakt door primase. dit is een RNA beginstukje voor DNA polymerase met vrije 3' -OH
28
New cards
sliding clamp
zit als een soort ring om DNA heen, houdt DNA polymerase vast aan de DNA streng
29
New cards
leading streng
5'-->3' streng waar DNA polymerase door kan gaan zonder te stoppen; loopt in de richting van de replicatie vork
5'-->3' streng waar DNA polymerase door kan gaan zonder te stoppen; loopt in de richting van de replicatie vork
30
New cards
lagging streng
3'--\>5' streng; DNA polymerase loopt hierop in de tegenovergestelde richting als de replicatie vork dus maakt het de nieuwe streng in stukjes (--\> Okazaki fragments)
3'--\>5' streng; DNA polymerase loopt hierop in de tegenovergestelde richting als de replicatie vork dus maakt het de nieuwe streng in stukjes (--\> Okazaki fragments)
31
New cards
single strand binding proteins
eiwitten die de lagging streng beschremen terwijl het op replicatie wacht
eiwitten die de lagging streng beschremen terwijl het op replicatie wacht
32
New cards
DNA-nuclease
enzym dat de primers tussen de Okazaki fragments weghaalt (die gaten worden dan gevuld door DNA polymerase), er ontstaan nicks
33
New cards
DNA ligase
koppelt fosfaat aan OH in de backbone van de lagging streng, de oplossing voor nicks
34
New cards
telomerase
De lagging strand kan niet helemaal tot het einde worden gerepliceerd. Wanneer de laatste RNA primer wordt verwijderd, kan dit niet meer vervangen worden. Eukaryoten hebben hiervoor telomeren. Deze trekken telomerase aan. Telomerase heeft een eigen RNA template waarmee het verschillende kopieën van de DNA sequentie toevoegt.
De lagging strand kan niet helemaal tot het einde worden gerepliceerd. Wanneer de laatste RNA primer wordt verwijderd, kan dit niet meer vervangen worden. Eukaryoten hebben hiervoor telomeren. Deze trekken telomerase aan. Telomerase heeft een eigen RNA template waarmee het verschillende kopieën van de DNA sequentie toevoegt.
35
New cards
Soorten puntmutaties
substitutie, deletie, insertie, indels
36
New cards
chromosomale mutatie
"large scale" mutatie waarbij grote DNA fragmenten veranderen (bijvoorbeeld door recombinatie of [retro]transposons)
37
New cards
indel
puntmutatie; zowel verwijderen als invoegen van een aantal basen
38
New cards
transitie
substitutie mutatie; van een purine naar een purine / van een pyrimidine naar een pyrimidine
substitutie mutatie; van een purine naar een purine / van een pyrimidine naar een pyrimidine
39
New cards
transversie
substitutie mutatie; van een purine naar een pyrimidine (of andersom)
substitutie mutatie; van een purine naar een pyrimidine (of andersom)
40
New cards
welke effecten kan een mutatie hebben op de aminozuurvolgorde?
silent (synoniem), missense (niet-synoniem), nonsense
41
New cards
wel percentage is een mutatie in coding DNA
1-2% van mutaties; heeft wel een effect op de aminozuur volgorde
42
New cards
missense mutatie
niet-synonieme mutatie; puntmutatie die veroorzaakt dat het verkeerde aminozuur wordt gecodeerd
43
New cards
mutatie in dominant allel
één van de twee chromosomen heeft effect op het fenotype. hierbij heb je meestal gain of function.
44
New cards
mutatie in recessief allel
de mutatie heeft alleen effect op het fenotype als het in beide chromosomen gebeurt. hierdoor krijg je meestal loss of function.
45
New cards
oorzaken mutaties
spontaan of mutagenen
46
New cards
spontane mutatie
oorzaak van puntmutatie door fout bij replicatie, door deaminering of door depurinering
47
New cards
deaminering
NH2 op cytosine wordt vervangen door een O (cytosine wordt dus uracil)
48
New cards
depurinering
deletie van G of A waardoor een heel basepaar mist.
49
New cards
mutagenen
oorzaak van puntmutatie door UV-licht of door chemische stoffen
50
New cards
mutatie door UV-licht
produceert thymine dimeren
51
New cards
chemische mutagenen
base analogs, base modifying, intercalating
52
New cards
base analogs
chemisch mutageen - lijkt op basen
53
New cards
base modifying agent
chemisch mutageen - verandert basen
54
New cards
intercalating agent
chemisch mutageen - gaat tussen basen zitten
55
New cards
Proces DNA-reparatie (bij fout aan 1 streng)
1. herkenning
2. verwijdering van de foute base door nuclease
3. nieuwe, goede base door DNA-polymerase
4. nick wordt dichtgemaakt door ligase
56
New cards
proces DNA-reparatie bij dubbelstrengse breuk
double strand end joining of homologe recombinatie
57
New cards
double strand end joining
de beide strengen worden gewoon aan elkaar geplakt, hierbij zitten vaak fouten.
58
New cards
homologe recombinatie
hier wordt er een onbeschadigde kopie van het DNA gebruikt om het te repareren
59
New cards
eigenschappen RNA
instabiel, kan bindingen met zichzelf vormen, hierdoor kunnen ze een katalytische plek hebben (ribozym)
60
New cards
transcriptie
het overschrijven van DNA naar RNA (de stap tussen het DNA en een eiwit)
61
New cards
translatie
het omzetten van RNA naar een eiwit
het omzetten van RNA naar een eiwit
62
New cards
deoxyribose
suikergroep in DNA
63
New cards
ribose
suikergroep in RNA
64
New cards
mRNA
messenger RNA, bevat de code voor aminozuren en dus voor het eiwit
65
New cards
tRNA
transfer RNA, een adapter die codons met de juiste aminozuur verbind en via een anticodon associeert met mRNA
66
New cards
rRNA
het RNA dat een ribosoom wordt.
67
New cards
micro RNA
soort RNA dat de hoeveelheden van een eiwit reguleert door mRNA af te breken (mRNA repressor; deel van post-transcriptionele regulering)
68
New cards
verschil RNA-poymerase met DNA-polymerase
gebruikt nucleotiden ipv deoxynucleotiden, begint bij promoter (geen primer), heeft 2 strengbrekers (ingebouwde helicase), geen proofreading
gebruikt nucleotiden ipv deoxynucleotiden, begint bij promoter (geen primer), heeft 2 strengbrekers (ingebouwde helicase), geen proofreading
69
New cards
sense streng
coding streng; komt NIET in contact met RNA polymerase maar heeft precies dezelfde code als het gemaakte RNA
70
New cards
antisense streng
template streng; komt WEL in contact met RNA polymerase en heeft de complementaire code als het gemaakte RNA
71
New cards
algemene transcriptie factoren
herkennen promoters en zorgen dat RNA polymerase eraan gaat binden
72
New cards
promoter
DNA sequentie waar RNA polymerase aan begint:
- reguleert transcriptie
- bepaalt het begin en de richting van transcriptie
- bepaalt welke streng de coding streng is (zit aan de 5' kant van de coding streng)
- voorbeeld is TATA-box
73
New cards
sigma-factor
deze zit aan de RNA-polymerase en bindt op een promotor bij een prokaryoot. Hij zorgt voor het beginnen van de transcriptie. (bij eukaryoot is dit de TF)
74
New cards
mature mRNA
mRNA die een 5' cap heeft, een poly-A staart (aan 3' kant) en geen introns heeft (na splicing)
75
New cards
5'-cap
gemethyleerde guanine
76
New cards
polyadenylatie
vorming van de A-staart
77
New cards
splicing
1) herkennen exon-intron en intron-exon overgangen
2) gaan naar elkaar toe
3) een paar andere snRNPs komen erbij en plakken de uiteindes van het intron aan elkaar
4) ze knippen het intron eruit en plakken de twee exons aan elkaar
1) herkennen exon-intron en intron-exon overgangen
2) gaan naar elkaar toe
3) een paar andere snRNPs komen erbij en plakken de uiteindes van het intron aan elkaar
4) ze knippen het intron eruit en plakken de twee exons aan elkaar
78
New cards
snRNP
De splicing wordt gedaan door small nuclear RNAs (snRNAs). Hieraan vast zitten weer verschillende eiwitten. samen vormen ze de small nuclear ribonucleoproteins (snRNPs)
79
New cards
introns
niet-coderende gedeeltes van DNA (\>90% van DNA)
80
New cards
exons
coderende gedeeltes van DNA (2-5% van DNA)
81
New cards
alternatieve splicing
intronen zorgen ervoor dat een gen voor meerdere varianten van een eiwit kan coderen door combinaties van verschillende exonen te maken
82
New cards
wobble
de derde base van een codon is meestal minder belangrijk en bindt niet aan tRNA, hetzelfde aminozuur wordt gemaakt.
83
New cards
A-site
acceptor site op ribosoom (laat de tRNAs binnen)
acceptor site op ribosoom (laat de tRNAs binnen)
84
New cards
P-site
peptide site op ribosoom (hier komen de aminozuren van de tRNAs op het eiwit)
85
New cards
E-site
exit site op ribosoom (hier komen de tRNAs los)
86
New cards
werking antibiotica
antibiotica blokkeert de A-site op een bacteriele ribosoom.
87
New cards
aminoacyl-tRNA synthetases
enzymen die een aminozuur met de juiste tRNA verbindt mbv ATP, er vormt een high energy bond

* er is een enzym specifiek voor elk aminozuur
88
New cards
polyribosoom
een complex van mRNA met meerdere ribosomen
89
New cards
wat is en wat doet een release factor?
herkent stopcodon als het in de A-site zit; heeft GEEN aminozuur; hydrolyseert het aminozuur (COOH-groep)
90
New cards
ribozym
Een RNA-molecuul die katalytische activiteiten kan verrichten. Een voorbeeld hiervan is een ribosoom.
91
New cards
nodes
gemeenschappelijke voorouder van 2 soorten in een fylogenetische boom
92
New cards
wanneer is iets een gefixeerde verandering?
als de mutatie doorgaat in de geslachtscel.
93
New cards
single nucleotide polymorfisme (SNP)
variatie in een enkele base binnen organismes
94
New cards
genfamilie
leden van dezelfde genfamilie delen vergelijkbare sequenties in de hele gen-sequentie.
95
New cards
exon shuffling
toevoeging van gedeeltes van een ander gen, meestal bestaande uit een of meer exonen (een van de manieren om nieuwe eiwitten te maken)
96
New cards
copy number variation (en genduplicatie)
verschil in het aantal duplicaties van een stuk DNA binnen een soort (de "grote broer" van SNPs). hierdoor kan een gen vrij muteren (er is al een werkend gen)
97
New cards
ongelijke homologe recombinatie
crossing over: ongelijke uitwisseling van stukken DNA, kan met hele genen of binnen genen. Dit leidt tot genduplicatie, deletie of exon shuffling
98
New cards
horizontal gene transfer
Het opnemen van DNA van andere soorten
(gebeurt vooral tussen bacteriën; zo kunnen bacteriën makkelijker resistent worden tegen antibiotica)
99
New cards
manieren van horizontal gene transfer
PROKARYOOT

* cel gaat dood, andere cel neemt het DNA op.
* virus injecteert een stuk RNA
* een bacterie splitst een stukje DNA af en geeft het aan een andere bacterie via geslachtspilus
* bacterie laat een blaasje met DNA vrij

EUKARYOOT

* bvb: vis laat gameet vrij in water en het DNA gaat mengen.
100
New cards
microsatelliet
1-6 herhalende baseparen. het zorgt voor een hairpin op de lagging strand, hierdoor ontstaan er veel mutaties

Explore top flashcards

Finska
Updated 1060d ago
flashcards Flashcards (127)
unit 6: long island
Updated 770d ago
flashcards Flashcards (25)
Derm E1: Intro
Updated 432d ago
flashcards Flashcards (75)
Finska
Updated 1060d ago
flashcards Flashcards (127)
unit 6: long island
Updated 770d ago
flashcards Flashcards (25)
Derm E1: Intro
Updated 432d ago
flashcards Flashcards (75)