Hoe zijn taken, bevoegdheden en \\n verantwoordelijkheden/machtsverhoudingen verdeeld?
\
Een organisatie heeft een structuur nodig voor een bepaalde mate van beheersbaarheid en genoeg vrijheid om niet te verstikken in allerlei procedures”
\
Soorten structuren:
\
Mate van centralisatie: Wie neemt de beslissingen? Top \\n managers of ‘gewone’ werknemers?
\
Centralisatie of decentralisatie? -→ Er is geen enkele organisatie die volledig gecentraliseerd of gedecentraliseerd is!!
\
* Centralisatie:
\\n Topmanagers nemen \\n beslissingen die \\n medewerkers dan uitvoeren
\
\+ Duidelijk leiderschap, visie en \\n strategie \\n
\
•Uniformiteit \\n
\
•Betere kostenbeheersing \\n
\
•Geen versnippering van kennis
\
\- •Druk op leider \\n •Moeilijk bij grote bedrijven door \\n gebrek aan overzicht \\n •Weinig flexibiliteit \\n •Soms geen draagvlak voor beleid
\
* Decentralisatie: operationeel niveau!!
\
Topmanagers stellen afdelingshoofden/verantwoordelijken/managers aan, die dicht bij de \\n werkvloer beslissingen
\
\+ •Democratie/participatie \\n
\
•Meer verantwoordelijkheid voor \\n medewerkers \\n
•Dichter bij de gebruiker, dus beter \\n inspelen op lokale behoeften \\n
•Snellere dienstverlening \\n (minder bureaucratie)
\
\- •Moeilijker beslissingen nemen \\n •Elke afdeling heeft eigen \\n invalshoek (soms andere visie) \\n
\
•Hogere kosten door kleine schaal \\n
\
•Bedrijfsvisie kan ontbreken
\
\\n Mate van \\n formalisatie:
\
Formele structuur versus informele structuur
\
* Formele structuur:
\
Doelen \\n Procedures \\n Organogram \\n Job omschrijvingen \\n Officiële bevoegdheden \\n Officiële communicatiekanalen
\
* informele structuur:
\
Waarden \\n Wandelgangen \\n Groepsnormen \\n Informele leiders \\n Aanvoelen en intuïtie \\n Percepties en attitudes
\
Taken?
\
M-indeling: (markt) product, bv, broek voor de doelgroep en gender -→ mannen en vrouwen apart
\
P-indeling: (product) verschillende producten, bv. broeken en schoenen van zelfde merk
\
\-→ identiteit? keuze tussen:
\\n Branded: Vb. Unilever
\
Dochterondernemingen met eigen symboliek en communicatie. Alsof ze niets met het
moederbedrijf te maken hebben.
* Het moederbedrijf is niet of nauwelijks herkenbaar
* Beperkt risico bij floppen van nieuw product
* Geeft consument idee dat er veel keuze is
* Losse merken profiteren niet van de naam van het moederbedrijf
* Budgetten marketing lopen op
\\n Endorsed: Vb. Microsoft
\
Er is wel een eigen stijl, maar de identiteit van het moederbedrijf blijft zichtbaar \\n •Creëert eenheid \\n •Maakt verscheidenheid binnen eenheid mogelijk \\n •Zichtbaarheid van moederbedrijf = parent visibility (bv. Nestle hoog, Unilever laag)
\\n Umbrella/Hybride: Vb. Cola
\\n Monolithisch: Vb. Shell
\
Moeder en dochteronderneming hanteren één naam en stijl \\n •Direct te herkennen \\n •Overal hetzelfde symbool \\n •Promotie nieuw product = snel bekend tegen lage kosten (bv. Philips)
\
\-→ Afgestemd op ondernemingsstrategie
\
G-indeling: (geografisch), vb? Stad aan Zeen Knokke-Heist
\\n Mate van specialisatie: Hoe veel of weinig subtaken en-groepen zijn er in de organisatie?
\
\--→ Tekst cursus:
\
grotere organisaties kiest men er dan voor om medewerkers van verschillende disciplines (marketeers, productiemedewerkers, inkopers, ...) bij elkaar te zetten in een afdeling, zodat ze samen de marktbewerking verzorgen van één product of productgroep (P-indeling), of voor één bepaalde markt/doelgroep (bv. de KMO’s of de particulieren, mannen of vrouwen) (M-indeling) of voor één bepaald geografisch gebied (G-indeling).
Een voordeel van de **P-, M- en G-indeling** is dat de betrokkenheid en de loyaliteit van de medewerkers gestimuleerd worden. Samen zijn ze verantwoordelijk voor het product, de doelgroep of de regio waar ze op gezet zijn (het ‘wij-gevoel’). Deze indeling heeft als belangrijkste nadelen dat de voordelen van specialisatie ontbreken en dat er functiedubbels ontstaan. In de G-indeling heb je dan bijvoorbeeld telkens een marketeer per regio, in plaats van één marketeer voor alle regio’s samen.
Ieder(e) product(groep), doelgroep of regio kan dus een toegewezen team krijgen. Het is logisch dat zo'n indeling alleen nuttig is wanneer de organisatie voldoende omvang heeft om te profiteren van schaalvoordelen, waarmee de nadelen kunnen worden geneutraliseerd. Bovendien moet je structuur passen bij je **ondernemingsstrategie**, *remember*? Focus je als organisatie voornamelijk op productvernieuwing en verkoop van aparte merken, dan is een P-indeling passend. Tegenwoordig staat vooral de klant centraal, dan kies je voor een strategie die uitgaat van **customer intimacy**.
Hierbij past logischerwijze de G- of M-indeling. Je bouwt dan een relatie op met lokale ondernemers, je verdiept je in een specifieke klant en stemt je activiteiten daarop af. Marketeers en communicatieprofessionals krijgen dan meer de kans om zich in te leven in de doelgroep, wat hun werkzaamheden zeker ten goede komt. Bij zeer grote bedrijven zullen op verschillende niveaus altijd verschillende taakverdelingen voorkomen, omdat ze per niveau ook een andere visie hebben. Je wilt bijvoorbeeld focussen op productinnovatie, waardoor een P-indeling zich opdringt op vlak van productie. De verkoop moet echter compleet op de diverse klanten zijn afgestemd, daar kies je dan voor een M-indeling
\
Bevelstructuur = rapporteringsstructuur
\
\
\
Formele structuur -→ Keuzes op vlak van formalisatie, specialisatie en centralisatie
\\n organisatiestructuur = organogram
\
Centralisatie: filters van formele en informele structuur
Verticaal = hierarchie
\
Staf/P&O: Geeft advies aan directie en \\n andere afdelingshoofden
\
F-functie: Mate van specialisatie: = horizontaal -→ Afdelingshoofden met teams: op hetzelfde niveau, maar andere bevoegdheid -→ Je start als organisatie meestal met een horizontale taakverdeling van functies, meestal afdelingen met een afdelingshoofd en enkele medewerkers (**F-indeling**). Je hebt dan werkzaamheden samengevoegd die gelijksoortig zijn, zoals verkoop, productie, inkoop, marketing, … Deze indeling heeft als voordeel dat medewerkers efficiënter ingezet worden dankzij de geconcentreerde specialisatie van kennis en vaardigheden.
\
4 eisen van een goede structuur:
\
1. Deugdelijk: Interpretatie structuur :
\
* **volledig, eenduidig en bewust doordacht**
Een visuele weergave van de hiërarchie en van de taakverdeling is niet voldoende. Geef ook aan welke afspraken er gelden in de organisatie om de taken op elkaar af te stemmen. Vraag je af: maakt iedereen wel dezelfde interpretatie van de organisatiestructuur?
\
\
2. Functioneel: afgestemd op ondernemingsstrategie:
\
* **in lijn met de missie en visie van de organisatie**
Wil je meer grip krijgen op de organisatie en streef je efficiëntie en effectiviteit na, zorg dan voor een heldere, goed afgebakende, formele structuur. Wil je vooral innovatie en creativiteit stimuleren, dan giet je best niet alles in een vaste structuur, maar laat je wat meer ruimte voor de informele structuur. Het hangt er dus van af welk gedrag je bij je werknemers wil uitlokken. Die intentie hangt nauw samen met het waarom van de organisatie zoals die omschreven is in de missie en de visie. Check dus of je organisatiestructuur een goede strategische keuze is om je missie te volbrengen - in lijn met je visie. Stel de vraag: kunnen we in deze structuur als organisatie de juiste strategische beslissingen nemen en uitvoeren?\`\`
\
3. Haalbaar: Middelen en span of control :
\
* **afgestemd op de omgeving en de interne middelen**
Als organisatie heb je nu eenmaal wetten en regels te volgen. In sommige sectoren worden heel wat vormen van standaardisatie gevraagd door de overheid, waardoor je een sterker afgelijnde organisatiestructuur zal ontwerpen. Zo moet bijvoorbeeld het afvalverwerkingsproces bij chemische bedrijven aan strikte voorwaarden voldoen, en is er dus ook een strak bedrijfsproces nodig.
Daarnaast verwachten stakeholders en publieksgroepen dat je organisatie is afgestemd op hun waarden en normen. De klant wil in deze tijd bijvoorbeeld snel en op maat bevredigd worden. Een flexibele, platte organisatiestructuur met weinig hiërarchische niveaus werkt dan beter.
Ten slotte moet je je afvragen of iedereen zijn taak wel naar behoren kan vervullen. Heb je slechts één leidinggevende die vijf verschillende stafdiensten moet aansturen en hun resultaten moet rapporteren aan de CEO, dan merk je als snel dat die leidinggevende zijn taak niet goed kan doen. Je kan als oplossing per stafdienst een leidinggevende aanstellen. De CEO overlegt dan natuurlijk met vier leidinggevenden onder zich. Dat is meer werk voor haar/hem, maar wel haalbaar. Een goede graadmeter voor de haalbaarheid is de mate waarin vacatures gemakkelijk ingevuld worden. Afhankelijk van zijn leiderscapaciteiten, de zelfstandigheid van de werknemers en de behoefte aan sturing, zal het aantal medewerkers die hij/zij aanstuurt verschillen. Dat heet ook wel de **span of control**
\
4. Esthetisch: Stimuleert het samenhorigheid:
\
* **straalt samenhorigheid en eenvoud uit**
Maak het niet te complex. In wezen mag de organisatiestructuur niet opvallen bij de werknemers. Hoor je vaak gesprekken over hoe lastig het is om te weten bij wie je terecht moet om een bepaald formulier in te dienen? Ergeren collega’s zich aan het trage beslissingsproces? Word je vaak afgeremd in je job omdat je eerst de toestemming moet krijgen van andere diensthoofden? Dan rolt de organisatiestructuur eigenlijk constant over de tong en is die dus té zeer aanwezig.
Een organisatiestructuur moet zo functioneel zijn, dat hij onzichtbaar wordt. Het is als het ware de fotograaf achter de camera: dankzij hem is er een foto, maar je ziet hem niet. De mensen in die foto voelen zich in het beste geval gelukkig samen. Je organisatiestructuur zou de samenhorigheid moeten stimuleren. Zorg er dus voor dat de afstand en drempels tussen de werknemers zo laag mogelijk is. Veel aparte afdelingen die elk in hun eigen kantoor zitten, maakt dat ze al snel als eilandjes functioneren die niet meer met elkaar communiceren, tenzij je die communicatie faciliteert door ontmoetingsplaatsen, -kanalen en –momenten te voorzien.