1/217
Alle begrippen van Sociologie [P0M31a] van hoofdstuk 1 tot en met hoofdstuk 15 (Zonder hoofdstuk 6 - 9 - 11 -12 - 14 want deze zijn niet behandeld) -Daan_Lenaerts07
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No study sessions yet.
Nature
Alles wat aangeboren is
Nurture
Alles wat aangeleerd is
Actor - Factor dilemma
Gaat over de vraag of menselijk gedrag vooral wordt bepaald door individuele keuzes (Actor) of door maatschappelijke structuren (Factor) en hoe deze twee elkaar beïnvloeden
3 invalshoeken:
--> De individu bepaald wat er in de samenleving gebeurd (bottom-up bernadering)
--> De samenleving (structuren) bepalen het gedrag van ons allemaal (top-down benadering)
--> Samenleving en individu maken elkaar
Mattheus effect
Hoe ongelijkheid zichzelf versterkt succes leidt tot meer succes, en achterstand tot meer achterstand
Solidariteit
De bereidheid om elkaar te steunen vanwege een gedeeld belang of gevoel van eenheid, dit zorgt ervoor dat een samenleving in stand houdt
Warme solidariteit
Spontane vrijwillige hulp die voortkomt uit persoonlijke betrokkendheid of empathie zoals buurtwerking, vrijwilligerswerk, ...
Koude solidariteit
Wettelijke steun via vaste systemen zoals belastingen, premies, sociale zekerheid, ...
Strijd
Een conflict tussen groepen over schaarse sociale goederen zoals geld, status en macht
--> Context gebonden
Sociale cohesie
De mate van verbondenheid, onderlinge betrokkenheid en samenhang tussen mensen in een samenleving of groep
Mechanische solidariteit (traditioneel)
Solidariteit dat voortkomt bij kleine eenvoudige samenlevingen waarbij er een grootte gelijkenis is tussen mensen en gedeelde normen waarbij hun samenhang stand houdt op basis van een stevige collectieve bewustzijn (doordat iedereen hetzelfde is)
Organische solidariteit (Modern)
Solidariteit dat voortkomt bij grote, complexe samenlevingen waarbij er een specialisatie is in taken (arbeidsverdeling) en de samenhang is gebaseerd op afhankelijkheid (iedereen heeft een specialist nodig)
Individualisering
Mensen worden onafhankelijker en richten zich meer op hun eigen doelen en wensen dan op die van de groep of de gemeenschap
Reactionairen
Willen terug naar premoderne tijd
Conservatieven
Willen het houden zoals het is (functionalisme)
Progressieven
Het kan beter, willen verandering (Marx)
Manifesten
Een conflict die zichtbaar is (bv. staking 14 oktober)
Latenten
Er is een conflict maar het is nog niet zichtbaar (euthanasie, er is geen conflict momenteel erover) --> Het conflict ligt nog "onderwater"
--> Alle manifesten zijn eerst latenten
Juridische gelijkheid
Iedereen heeft dezelfde rechten en plichten volgens de wet, ongelijkheid word gezien als het gevolg van pech of individuele keuzes en de rol van de overheid in deze visie is dat ze niet ongelijke rijkdommen of posities moeten bijsturen
Gelijkheid als uitkomst
Iedereen moet gelijk zijn, ongelijkheid wordt gezien als iets onrechtvaardig en moet bestreden worden, de rol van de overheid in deze visie is dat hij constant actieve interventie moet doen
Gelijke kansen
Iedereen moet dezelfde kansen en toegang hebben tot sociale goederen, ongelijkheid op basis van toegewezen kenmerken moet verdwijnen, de rol van de overheid in deze visie is het compenseren van bv. armoede voor een gelijke start voor iedereen
Natuur
bestaat uit identieke en volkomen reproduceerbare elementen, die hun bestaan ondergaan en er geen vorm aan geven (natuurwetten)
Self-destroying prophecy
Een voorspelling die niet uitkomt omdat mensen hun gedrag veranderen nadat ze de voorspelling kennen
--> wanneer dat het duidelijk is dat een partij gaat winnen, zullen minder mensen gaan opdagen om te gaan stemmen omdat ze toch al weten wie gaat winnen, waardoor de partij minder stemmen krijgen en dus ook niet meer zal winnen
Self-fulfilling prophecy
Het feit dat een bepaalde gedragingen worden verwacht en het feit dat die verwachtingen bestaan, gaan mensen zich gedragen naar die verwachtingen
--> Student die denkt dat hij gaat buizen, gaat hierdoor piekeren en niet kunnen beginnen aan studeren, waardoor hij effectief buist
Hawthorne effect
Beter presteren van werknemers wanneer leidinggevende hun aandacht geeft
Validiteit
Meten we wat we beoogen te meten
Rechtstaat
een land waarin de macht van de overheid beperkt wordt door wetten, zodat iedereen beschermd wordt tegen misbruik van die macht
Oog om oog principe
de straf precies gelijk moet zijn aan wat iemand een ander heeft aangedaan
Verzorgingstaten
een land waarin de overheid zorgt voor het welzijn van de burgers
Contigent
We hadden ook op een heel andere manier bv. onderwijs kunnen hebben ( De reden dat we voor dit soort onderwijs hebben gekozen komt door de historiek)
Niet arbitrair
Niet willekeurig
Perverse effecten
onbedoelde en vaak tegengestelde gevolgen van menselijk handelen of beleid, waarbij de uitkomst averechts werkt ten opzichte van het oorspronkelijke doel
Cultuurpatronen
Voor een bepaalde groep kenmerkede combinatie van cultuurelementen (waarden, normen, doelstellingen en verwachtingen)
Thomas-theorema
Iemands perceptie van de werkelijkheid kan invloed hebben op de echte uitkomst, ongeacht of die perceptie klopt
Pygmalioneffect
Een positieve self-fulfilling prophecy: hoge verwachtingen leiden tot beter gedrag of betere prestaties
Rosenthal-effect
Het verwijst naar het effect dat verwachtingen van leraren hebben op de prestaties van leerlingen
--> Toepassing van het pygmalioneffect in het onderwijs
Stereotypen
Een vaststaand en vaak vereenvoudigd beeld of idee over een groep mensen, waarbij iedereen in die groep dezelfde eigenschappen toegeschreven krijgt, ongeacht of dat klopt
epistemologisch
kennistheoretische of kennis gericht
Representativiteit
In hoeverre een steekproef of groep een goede afspiegeling is van de hele populatie
Betrouwbaarheid
In hoeverre een onderzoek of meting steeds hetzelfde resultaat geeft als het herhaald wordt, onder dezelfde omstandigheden
Temporeel
Tijdsgebonden
Waardebetrokken, maar niet direct waardegalden
het gaat over waarden in de samenleving, maar het onderzoek of de analyse oordeelt er nog niet over
Sociale problemen
Maatschappelijke toestanden die als onmenselijk worden beschouwd omdat het strijdig is met de heersende waarden en normen
Macro
Analyseniveau waar je de samenleving van bovenaf ziet, als een groot systeem
Micro
Analyseniveau waar je van dichtbij kijkt naar hoe dat mensen samenleven in het dagelijks leven
Structureel functionalisme
Ziet de samenleving als een stabiel systeem dat bestaat uit onderdelen (structuren) die allemaal een functie hebben om het geheel te laten werken
Conflictssociologie / (neo)marxisme
De samenleving bestaat uit groepen met ongelijke macht, middelen en belangen, en dat conflicten tussen die groepen de motor zijn van maatschappelijke verandering
Symbolisch interactionisme
Mensen geven betekenis aan hun sociale wereld door interactie met anderen, en dat gedrag komt voort uit die gedeelde betekenissen
Sociale ruiltheorie
Stelt dat mensen met elkaar omgaan op basis van een kosten-batenanalyse: ze proberen voordelen te maximaliseren (nut) en nadelen te minimaliseren bij sociale relaties en interacties
Sociale fysica
De maatschappelijke verschijnselen waarnemen en ordenen, en uit die waarnemingen algemene wetten formuleren
Savoir pour prévoir afin de pouvoir
De kennis van de samenleving (savoir) moet dienen om gedrag en gebeurtenissen te kunnen voorspellen (prévoir), zodat we de maatschappij kunnen sturen of verbeteren (pouvoir)
Ordem e Progresso
= Orde en Vooruitgang
--> een samenleving heeft eerst orde (stabiliteit, structuur, regels) nodig voordat ze echte vooruitgang (ontwikkeling, verbetering, groei) kan bereiken
Verstehen
begrijpen wat de zin is van het sociaal handelen van samenlevende mensen
Interperatief verstaan
Proberen te begrijpen wat iets betekent voor degene die het doet
Consensus
Sociale gebeuren gericht op het bereiken toestand evenwicht, stabiliteit en continuïteit
Affectief
Instinctief sociaal handelen (bv. spontaan knuffelen)
Traditioneel
Een sociale handeling dat je doet uit traditie (bv. collega's kussen bij begroeting)
Waarderationeel
Gedrag waarbij iemand handelt vanuit overtuigingen, waarden of principes, ongeacht of het praktisch voordeel oplevert (bv. een gezellig samenzijn met vrienden)
Doelrationeel
Het maximale uit een sociale handeling halen voor jezelf (bv. je doet iets en je verwacht onmiddellijk een return)
Intergenerationele sociale mobiliteit
Dit betekent dat iemand in een andere sociale klasse terechtkomt dan zijn/haar ouders
--> Een zoon van een bakker wordt dokter
Intragenerationele sociale mobiliteit
Dit betekent dat iemand binnen zijn eigen leven van sociale positie verandert
--> Iemand begint als winkelbediende, en wordt later filiaalmanager
Civil inattention
Als we in grote groepen aanwezig zijn, is er eigenlijk geen interactie, enkel als er een grens overschreden wordt
--> Alle mensen in de winkelstraat is een groep, maar ze hebben geen interactie, enkel wanneer iemand iets steelt uit een winkel
Front stage en back stage
Bv. Winkelbediende is heel vriendelijk (front stage), achteraf in de pauze: al mijn klanten mogen mij met rust laten (back stage)
Ongerichte interacties
We doen allemaal hetzelfde maar we praten niet met elkaar, er is geen interactie
--> Bv. op een festival of een toneelbezoek
Bracketing
De massa onderbreken om tot handelen over te gaan
--> Bv. tegen een glas tikken bij een receptie om de attentie te krijgen
Interactie
Wat we zien (wat waargenomen wordt)
--> Wisselwerking tussen mensen
Communicatie
Wat niet waargenomen wordt
--> Gedachten, gevoelens, wensen, ... zodat anderen geinformeerd worden over wat men denkt, voelt of wenst
Pseudo-communicatie
Andere mensen kunnen aan bepaalde woorden een verschillende betekenis hechten
--> het lijkt dat men aan het communiceren is maar men begrijpt elkaar niet
Relatie
De kans dat actoren (personen) op een bepaalde wijze zinvol ten opzichte van elkaar zullen handelen
Primaire relaties
De afstand is heel kort (meestal face-to-face, ouders, gezinnen, ...)
--> Emotioneel en affectief en meestal privaat
Secundaire relaties
De afstand is verder en de relatie is meer functioneel (zoals proffen, bazen, ...)
--> Doelrationeel en meer publiekelijk
Posities
De plaats die iemand inneemt binnen een sociale structuur met bijbehorende rechten en plichten (kunnen er meerderen zijn)
Toegewezen posities (ascription)
Posities die iemand zijn toegewezen
--> Bv. de koning
Verworven posities (achievement)
Posities die je hebt verwerft
--> Bv. de positie van universitair student door je secundair diploma
Status
Een zekere waardering of 'socaile status' bij een positie, maar positie en status vallen niet volledig samen
Sociale status
Een bepaalde waardering aan een status in de samenleving
--> Verbonden met de positie, niet met de persoon in de positie
Sociaal aanzien
De mate van respect, waardering of prestige die iemand krijgt vanwege zijn of haar positie in de samenleving
Sociale statificatie
Bv. arbeidsmarkt: rangorde van posities met een hogere status naar posities met een lagere status
Statuscongruentie
Mensen kunnen positie innemen die versterkt zijn aan elkaar (Bv. rijke mensen op een golfterrein)
Statusincongruentie
Sociale posities worden ingenomen maar de status van die positie is niet congruent met andere posities (Bv. een advocaat die in zijn vrije tijd hotdogs verkoopt)
Sociale rol
Wat we verwachten dat iemand doet in de positie die hij/zij inneemt
--> Men verwacht dat een arts weet waarover hij spreekt door zijn status als arts
Muss-Erwartungen
Dit zijn wetgevingen, je gedraagd je volgens de wet of anders wordt je gestrafd
Soll-Erwartungen
Als je het gedrag niet stelt dat er sociaal verwacht wordt ga je buitengesloten worden
Kann-Erwartungen
Je wordt niet bestraft, in tegendeel wordt je gedrag beloond door de sociale omgeving
Directe rol
Er is veel minder marge om een rol in een andere manier uit te spelen
--> het wachten bij slagbomen
Indirecte rol
Er is meer marge om een rol in een andere manier uit te spelen
--> op café gaan met vrieden
Rollenconflicten
Vanuit dezelfde positie 2 rollen ingeven die tegen elkaar in gaan
--> Bv. Mantelzorger en universitair student, je kan de tijd van mantelzorgen niet invullen in de tijd van student
Intern rolconflict
Wanneer iemand botsende verwachtingen ervaart binnen één rol
--> een leraar moet streng zijn maar ook begripvol voor dezelfde klas
Extern rollencoflict
Wanneer iemand botsende verwachtingen ervaart tussen verschillende rollen.
--> de rol van ouder botst met de rol van werknemer.
Rolattributen
Uiterlijke kenmerken ter herkenning van een positie bekleder
--> een non, een schooluniform
--> Kunnen statussymbolen worden (bv. politieuniform)
Statussymbolen
Een bezit of kenmerk waarmee iemand laat zien welke sociale status hij of zij heeft
'C'ultuur (Cultuur met een grote C)
Gaat over schone kunsten, monumenten, ...
'c'ultuur (cultuur met een kleine c)
Omvat alle dagelijkse, minder verfijnde gewoonten, leefstijlen en gedragingen die het hele leven van een samenlevingsverband doordringen
--> Burgelijke cultuur, arbeiderscultuur, eet-en slaapgewoontes, keukencultuur, ...
Cultural lag
Waarden en normen lopen niet altijd parallel met de feitelijke ontwikkelingen, mensen zijn er nog niet klaar voor
--> Technologisch kan voedsel al gemanipuleerd worden, maar ze doen dit nog niet want de samenleving is hier nog niet klaar voor
Waarden
Algemene opvattingen over wat moreel goed, juist en daarom nastrevenswaardig is
Tijd en ruimtelijk gebonden
Opvattingen over juistheid en onjuistheid
Normen
Opvattingen over hoe mensen zich (niet) moeten gedragen in maatschappelijke omstandigheden, deze regelen het dagelijkse sociale verkeer
Opvattingen over wat 'hoort'
(Rol)verwachtingen
Opvattingen over wat zal of kan gebeuren via socialisatie
Opvattingen over wat zal gebeuren
Doeleinden
Een specifieke, sociaal bruikbare en hanteerbare doelstellingen binnen een concreet samenlevingsverband
Opvattingen over wat wenselijk is
cultuur
Het min of meer samenhangende geheel van waarden, normen, rolverwachtingen en doeleinden
Rolverwachtingen
Wat we verwachten van iemand die een positie bekleed
Hoge en lage cultuur
Verschillen naar sociale laag, bepaald door factoren als financiële speelruimte, opleiding (cultureel kapitaal), smaak, leefstijl en vrije tijd
--> Bv. Hoge cultuur: de stad, Lage cultuur: Platteland