1/26
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced |
---|
No study sessions yet.
staan, stond, gestaan (hebben)
stać
steken, stak/staken, gestoken (hebben)
ukłuć
stelen, stal/stalen,gestolen (hebben)
ukraść
sterven, stierf/stierven, gestorven (zijn)
umierać
stinken, stonk, gestonken (hebben)
śmierdzieć
strijden, streed, gestreden (hebben)
walczyć
strijken, streek, gestreken (hebben)
prasować
treden, trad/traden, getreden (zijn/hebben)
stąpać
treffen, trof, getroffen (hebben)
spotkać
trekken, trok, getrokken (zijn/hebben)
ciągnąć
vallen, viel, gevallen (zijn)
upaść
vangen, ving, gevangen (hebben)
złapać
varen, vaarde/voer, gevaren (zijn/hebben)
żeglować?
vechten, vocht, gevochten (hebben)
walczyć
verbieden, verbood, verboden (hebben)
zakazywać
verdwijnen, werdween, verdwenen (zijn)
znikać
vergelijken, vergeleek, vergeleken (hebben)
porównywać
vergeten, vergat/vergaten, vergeten (zijn/hebben)
zapomnieć
verliezen, verloor, verloren (zijn/hebben)
zgubić
vermijden, vermeed, vermeden (hebben)
unikać
vertrekken, vertrok, vertrokken (zijn)
wyruszyć
verzinnen, verzon, verzonnen (hebben)
wymyślić
verzoeken, verzocht, verzocht (hebben)
prosić? żądać?
vinden, vond, gevonden (hebben)
znaleźć
vliegen, vloog, gevlogen (zijn/hebben)
latać
vouwen, vouwde, gevouwen (hebben)
zwijać
vragen, vroeg, gevraagd (hebben)
pytać