vragen Hobbes

0.0(0)
studied byStudied by 0 people
0.0(0)
full-widthCall with Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/17

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Study Analytics
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No study sessions yet.

18 Terms

1
New cards

Hoe karakteriseert Hobbes de mens in de Inleiding van de Leviathan?

Hij karakteriseert de mens in de eerste plaats als een soort materiële automaat: de mens is een levend, materieel en substantieel lichaam dat zichzelf beweegt, een beweging die aangestuurd wordt door een centraal orgaan binnenin. Daarnaast karakteriseert hij de mens nog in termen van bepaalde vermogens: de mens is kundig, en kan doorheen daden op een redelijke manier ingrijpen in de natuur. De mens is dus een met de rede begifitigd, handelend wezen. Verder vermeldt Hobbes nog de gedachten en hartstochten als belangrijke karakteristieken van de mens, die politiek relevant zullen blijken in het verdere verloop van de tekst (menselijke vermogens politiek relevant omdat de staat een door en door menselijk artefact is, een soort uitvloeisel van de menselijke natuur, waar die vermogens deel van uitmaken). De mens is er volgens Hobbes ook toe in staat ‘zichzelf te lezen’, wat volgens hem een cruciale vaardigheid is.

2
New cards

Hoe karakteriseert Hobbes de staat in de Inleiding van de Leviathan?

In de inleiding karakteriseert Hobbes de staat als een kunstmatig lichaam dat door de mens, doorheen een taaldaad, tot stand gebracht kan worden, bestaat uit mensen en ertoe dient om de menselijke natuur te beschermen. De bescherming van de mens is als het ware de doeloorzaak van de staat. Het tot stand brengen van dit kunstmatige lichaam, dat ook wel de staat, de Leviathan of het gemenebest genoemd kan worden, is te danken aan de menselijke kundigheid. In de betekenis van technè verwijst kundigheid naar een proces waarbij men iets praktisch toevoegt aan de werkelijkheid door de natuur te gebruiken. In de Engelse vertaling schuilt een belangrijke ambiguïteit hieromtrent: uit de zinsbouw is niet op te maken of het nu de natuur of de mens is die de voornaamste actor is in dit proces. De verdere tekst zal uitwijzen dat de rol van de natuur niet te miskennen is.

3
New cards

 Hoe begrijpt Hobbes het waarnemingsvermogen (‘Sense’)?

Het waarnemingsvermogen is de oorsprong van al onze gedachten. Hobbes beschouwt het als een fysiek, materieel proces, een beweging in ons innerlijk die in gang gezet wordt door een externe oorzaak. Wanneer een uitwendig, bewegend, materieel object direct of indirect druk uitvoert op onze zintuigen, wordt deze druk doorgegeven aan de hersenen en het hart, waardoor er een weerstand ontstaat. Als resultaat daarvan ontstaat een denkbeeld, een innerlijke voorstelling van het object dat druk uitoefent op onze zintuigen. Belangrijk is wel dat ook dit een beweging is, hoewel het zich voordoet als een denkbeeld. Uit beweging komt immers alleen beweging voort.

4
New cards

Hoe begrijpt Hobbes het voorstellingsvermogen (‘Imagination’)?

Het voorstellingsvermogen is de voorstelling die resulteert uit het langzamerhand verzwakken van de zintuiglijke waarneming, dus van de beweging in ons innerlijk die initieel in gang gezet werd door de beweging van een extern object. (Naar het proces van zwakker worden verwijzen we met de term geheugen, naar de zaak zelf, d.w.z., de resulterende voorstelling, met voorstellingsvermogen). Die verzwakking is te wijten aan het feit dat naarmate een object uit ons gezichtsveld verwijderd wordt, de beweging niet onmiddellijk ophoudt, maar wel verzwakt, doordat andere objecten op een meer directe manier inwerken op onze zintuigen.  Het feit dat er desalniettemin een voorstelling overblijft, wordt verklaard door de traagheidswet van Galileo: een voorwerp kan slechts door contact met een ander voorwerp in beweging of tot stilstand gebracht worden. Zolang de beweging niet tot stilstand gebracht wordt, blijft ze zich dus voltrekken.


5
New cards

 Wat is volgens Hobbes ‘prudentia’?

De term voorzichtigheid moeten we hier in zijn meest letterlijke betekenis begrijpen, namelijk het vermogen tot voor(uit)zien. Hobbes bedoelt hiermee het vermogen van de mens om zich een voorstelling van de toekomst te maken, afgeleid uit de gevolgen van een bepaalde handeling uit het verleden dat we gaan toepassen op gebeurtenissen in het heden. Het gaat dus in feite om een analogieredenering waarbij men zich een beeld probeert te vormen van de toekomstige gevolgen van een bepaalde handeling, gebaseerd op de gevolgen van een soortgelijke handeling in het verleden. Helemaal accuraat of zeker is deze inschatting nooit, maar deze wordt zekerder naarmate men meer ervaring heeft. (zekerheid over gevolgen zoekt Hobbes op domein wetenschap, niet op domein prudence)


6
New cards

 Wat is voor Hobbes het verband tussen wetenschap (‘Science’) en filosofie (‘Philosophy’)? Hoe definieert hij beide concepten?

Hobbes definieert wetenschap als ‘de kennis van oorzaak en gevolg, en van de samenhang van het ene feit met het andere’. Deze kennis is niet alleen theoretisch, maar ook praktisch nuttig. Wetenschappelijke kennis is als het ware een neveneffect van het verwerven van de rede door volgens de juiste methode te werk te gaan, m.a.w., door op de juiste wijze namen te geven en daar vervolgens op een juiste wijze gevolgen uit af te leiden.

Wetenschap en filosofie vallen samen: hij definieert filosofie immers als de optekening van wetenschappelijke kennis: “de wetenschap is vastgelegd in boeken waar we het bewijs vinden van de afleiding van de enen bewering uit de andere. Deze noemen we filosofische boeken.’ Een extra bewijs voor de identificatie van filosofie met wetenschap is zijn schematische voorstelling van de onderwerpen van kennis: daarin wordt wetenschap opgesplitst in natuurfilosofie en staatsfilosofie.

7
New cards

Hoe definieert Hobbes de rede (‘Reason’)?

Hobbes definieert de rede als ‘het berekenen (door optellen en aftrekken) van de opeenvolging van de algemene benamingen, die we gezamenlijk zijn overeengekomen ter markering en aanduiding van onze gedachten. Dit kan bij onszelf gebeuren, maar kan ook aan anderen uitgelegd of bewezen worden. De rede is dus een vermogen of activiteit, die sociaal bepaald is, daar ze steunt op overeengekomen betekenissen. Hobbes maakt een verschil tussen de rede zelf, die altijd de juiste is, en de rede van een (aantal) individu(en), die feilbaar zijn. De rede dient er niet alleen toe om een conclusie te trekken, maar om een redenering van het begin af aan op te bouwen en gevolgtrekkingen af te leiden, om uiteindelijk tot de slotsom te komen. Daarvan kunnen we immers pas zeker zijn wanneer we zeker zijn van alle beweringen waaruit ze is afgeleid. De rede is niet aangeboren, maar kunnen we verwerven door volgens de juiste methode te werk te gaan.

8
New cards

Hoe begrijpt Hobbes de menselijke ‘Passions’?

De menselijke passions zijn aandrangen die zich tot hun oorzaak verhouden. Ook deze passions zijn bewegingen, die Hobbes in het hart situeert. Ze ontstaan daar naar aanleiding van de inwerking van een object dat via de zintuigen wordt doorgegeven aan het hart.  Het gaat niet om een volwaardige vrijwillige beweging, maar wel om het kleinste begin van een beweging, voordat deze in het uiterlijke gedrag tevoorschijn komt. Op basis van de manier waarop die beweging zich verhoudt tot het object onderscheidt Hobbes twee fundamentele harstochten: is de beweging toenaderend, spreken we van begeerte (=liefde), is het een beweging van verwijdering, hebben we te maken met afkeer (=haat). Deze passies manifesteren zich ook onder de vorm van geestelijke genoegens, nl vreugde en verdriet.


9
New cards

Wat is volgens Hobbes conatus (‘Endeavour’)?

Met aandrang (= conatus/endeavour) bedoelt Hobbes het kleinste begin van de beweging in het menselijk lichaam, voordat deze tevoorschijn komt in het lopen, spreken en andere zichtbare handelingen. De conatus op zich is onzichtbaar, maar dat betekent niet dat het niet aanwezig is. Een beweging legt immers een lange afstand af, die we kunnen opdelen in oneindig veel kleine afstandjes die op zichzelf niet waarneembaar zijn, maar wel mee de grote afstand vormen. Zo moeten we ook de aandrang begrijpen. Hij gebruikt conatus in de context van de oorzaak van een vrijwillige beweging, maar eigenlijk is dit concept toepasbaar op eender welke beweging. Het is geen beweging die eigen is aan mensen.

Conatus kan zich manifesteren op twee manieren: begeerte (beweging in de richting van het object) of aversie (beweging weg van het object)


10
New cards

 Hoe begrijpt Hobbes de wil (‘the Will’)?

De wil is de laatste begeerte of afkeer in het deliberatieproces, die dus onmiddellijk aan het al dan niet stellen van de handeling voorafgaat. Met deliberatie verwijst Hobbes naar het proces waarin men alle gevolgen ten aanzien van een bepaalde handeling overdenkt, waarbij begeerte en afkeer elkaar afwisselen in  onze gedachten. De laatste begeerte of afkeer die in dit deliberatieproces aan bod komt is de wil, en zal bepalen of de handeling al dan niet gesteld wordt. Een handeling is vrijwillig wanneer die in overeenstemming is met deze laatste begeerte of afkeer, onvrijwillig wanneer die ertegen ingaat. Wat de begeerten/aversies waren die aan de wil voorafgingen, zijn niet bepalend voor het al dan niet vrijwillig zijn van een handeling.


11
New cards

Wat is Hobbes’ invulling van het concept vrijheid (‘Liberty’)?

Vrijheid: de afwezigheid van uitwendige belemmeringen die onze macht om te doen wat we willen inperken; negatieve vrijheid dus. Zolang je niet gehinderd wordt door een ander lichaam ben je vrij aan het bewegen, en ben je vrij en kan je je natuurrecht met andere woorden ten volle uitoefenen. Ook wanneer je beweging als het ware aangestuurd wordt door angst, is dit nog steeds een vrije beweging, zolang die niet door een uitwendig lichaam gehinderd wordt. Wanneer de belemmering van de beweging een gevolg is van de toestand van het voorwerp zelf, is dit geen geval van onvrijheid, maar een niet bij machte zijn om te bewegen. Aangezien vrijheid een kwestie van vrije beweging is, is dit concept niet van toepassing op andere dingen dan lichamen, m.a.w. op zaken die geen beweging kennen (oneigenlijk woordgebruik)


12
New cards

Wat is Hobbes’ invulling van het concept menselijk geluk (‘Felicity’)?

Hobbes definieert het menselijk geluk als voortdurend, onafgebroken succes bij het krijgen van de dingen die we telkens weer begeren. Geluk bestaat dus niet in een ultiem verzadigd gemoed, maar wel in een onophoudelijke begeerte. Immers, de menselijke begeerte wil niet eenmalig, maar wel voortdurend bevredigd worden. Men wil bijgevolg niet alleen een bevredigend bestaan verwerven, want dit impliceert een eindpunt, maar wel een bevredigend bestaan zeker stellen. Een bevredigend bestaan kan slechts zeker gesteld worden in die mate dat er onophoudelijk begeerte is dat bevredigd kan worden. Geluk is dus eigenlijk het zeker stellen van een bevredigend bestaan door het in stand houden van de begeerte. [YV1] Dit is in zekere zin ook een overlevingsmechanisme, aangezien het leven niets anders is dan een beweging die niet kan bestaan zonder begeerte of vrees. Daarom ook hebben alle mensen een eeuwig verlangen naar macht, naar middelen die hun vooruit kunnen helpen kennelijke goederen te bereiken.

13
New cards

Wat is volgens Hobbes macht (‘Power’)?

Hobbes definieert de macht van een mens als de middelen waarover hij op een gegeven ogenblik beschikt, om in de toekomst een kennelijk goed te verwerven. Concreet gaat het over eigenschappen die een mens geliefd of gevreesd maken: dat is immers de manier bij uitstek om hulp en middelen te verkrijgen die van nut kunnen zijn voor het verwerven van een kennelijk goed. In die zin is macht iets fundamenteel sociaal: het hangt af van je relatie tot andere mensen.  Hij onderscheidt nog natuurlijke macht, bijzondere lichamelijke of geestelijke vermogens, en instrumentele vermogens, die we met behulp van de natuurlijke vermogens of van het lot verwerven en die als middel dienen om nog meer te krijgen en ons nog machtiger maken. De grootste macht is die die resulteert uit de macht van zo veel mogelijk mensen bijeen, wat concreet dus de macht van de soeverein of die van een factie/verbond van facties.


14
New cards

 Hoe begrijpt Hobbes het concept oorlog (‘Warre’)?

Hij gebruikt deze term niet in de nauwe betekenis van veldslag, maar wel om te verwijzen naar een verloop van tijd waarin de bereidheid om tot wapengeweld over te gaan vaststaat, ook wanneer er op dat specifieke moment geen actief geweld gaande is. In een staatloze samenleving is dit gegarandeerd het geval; een staatloze samenleving IS oorlog. De oorlog in de stateloze samenleving komt voort uit wantrouwen, dat dan weer een resultaat is van de fundamentele gelijkheid van de mens in combinatie met schaarste: het wantrouwen drijft de mens ertoe zijn eigen macht verder uit te breiden dan nodig is voor zijn zelfbehoud, wat anderen ertoe aanzet hetzelfde te doen, en dit door middel van agressie en geweld. Op die manier is ieder mens in de natuurstaat voortdurend bereid om tot geweld over te gaan, en is er sprake van oorlog.


15
New cards

Wat is voor Hobbes het natuurrecht (‘the Right of Nature’)?

De vrijheid die iedereen heeft om zijn eigen macht te gebruiken ter behoud van zijn eigen natuur, en dit op de manier zoals hij dat zelf wil. M.a.w., het recht om te doen wat je zelf nodig en geschikt acht voor je eigen lijfsbehoud. Aangezien Hobbes recht ook definieert in termen van vrijheid, gaat het er hier dus opnieuw om dat men niet actief belemmerd wordt in zijn beweging, in dit geval de bewegingen die gepaard gaan met het uitoefenen van de macht ter behoud van het eigen lijfsbehoud. Wanneer de handelingen die jij stelt ter behoud van je lijfsbehoud actief tegengewerkt worden door een uitwendige belemmering, wordt je natuurrecht geschonden.


16
New cards

Geef Hobbes’ invulling van het concept natuurwet (‘Law of Nature’).

Hobbes definieert natuurwet als een voorschrift of algemene regel, door de rede ingegeven (en dus ontdekt door de juiste rede, zonder beroep op openbaring)*, die bepaalt dat iemand niks mag doen dat zijn leven of de middelen om het te bewaren in het gedrang brengt, en alles moet doen dat kan bijdragen aan het beschermen van het eigen leven en de middelen daartoe. Alle natuurwetten die Hobbes in dit en het volgende hoofdstuk formuleert zijn gefundeerd op dit principe.  Ze zijn enkel bedoeld om ons leven in stand te houden. Hij leidt 19 natuurwetten af uit de fundamentele natuurwet: dit zijn bijgevolg berekende algemene regels voor zelfbehoud.

(verhouding recht-wet: recht is de vrijheid om te doen en te laten, wet verbindt ons tot één van beide (het is een plicht van de rede), en vormt in die zin een inperking van het recht)

* natuurwet als iets wat ontdekt kan worden door natuurlijk gebruik van de rede: lijkt te impliceren dat de natuur tot de mens spreekt, en de wetten in de natuur besloten liggen. Nuanceert dus de artificialiteit van wet en staat: mens wordt ertoe aangestuurd door de natuur; “het is van de natuur is het ought van de mens”. Ook af te leiden uit wat wet in eigenlijke zin betekent: het woord van iemand die een rechtmatig gezag over anderen uitoefent: als we God schrappen uit de vergelijking lijkt het concept natuurwet dus te impliceren dat de natuur dat gezag over ons uitoefent.


17
New cards

Wat zijn voor Hobbes de eerste drie natuurwetten?

1) De fundamentele natuurwet: iedereen moet naar vrede streven zolang de hoop bestaat dat deze bereikt kan worden. Indien er geen hoop is op vrede, mag iedereen alle middelen en voordelen van de oorlog inzetten (cfr natuurrecht). (in natuurtoestand, aka maatschappelijke wanorde, is die hoop er niet dus wordt oorlogstoestand geperpetueerd). Deze wet gebiedt mensen dus om naar vrede te streven. Daaruit kan de tweede natuurwet afgeleid worden:

 

2) Iedereen moet, op voorwaarde dat al de rest dat ook doet, zo veel rechten neerleggen als hij voor de vrede of zijn zelfverdediging nodig acht, en met net zoveel vrijheid genoegen nemen tegenover anderen als hij anderen tegenover hem zou toestaan.

-à waarom: zolang iedereen over natuurrecht beschikt, wordt toestand van oorlog geperpetueerd, want gelijke macht en schaarste en wantrouwen…, en kan fundamentele begeerte naar vrede en lijfsbehoud niet vervuld worden.

-à houd dus in dat je een deel van je vrijheid (natuurrecht) opgeeft, in de mate dat dit te rechtvaardigen is met betrekking tot je zelfbehoud

 

3) Volgt uit de tweede wet, die ons verplicht alle rechten aan ander over te dragen die de vrede in de weg zouden staan als we ze zouden behouden: Mensen moeten hun overeenkomsten nakomen. Indien niet, zijn het slechts holle woorden, en zijn we geen stap verder van de natuurtoestand dan vóór we deze overeenkomsten sloten.


18
New cards

Geef Hobbes’ karakterisering en omschrijving van de staat (‘Commonwealth’).

De staat is “één enkele persoon, zodanig dat een grote menigte mensen zich ieder afzonderlijk, door onderlinge verdragen tot auteur van zijn handelingen heeft gemaakt en waaraan we onze vrede en veiligheid te danken hebben. Deze komt dus tot stand doordat alle mensen de volledige autoriteit schenken aan één mens of vergadering, en deze dus als vertegenwoordiger van hun persoon aanduiden. Dan onderwerpen we onze wil aan diens wil, waardoor deze Leviathan bij machte is om ieders macht op vrede en veiligheid te richten en zodoende de natuurwetten op te leggen en af te dwingen. Dit is de enige manier waarop het doel van de staat bereikt kan worden: zonder een gemeenschappelijke macht die allen ontzag inboezemt, zouden de natuurwetten niet nageleefd worden en de oorlogstoestand geperpetueerd worden.