1/77
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
geld verdienen
gagner de l'argent
geld sparen
épargner de l'argent
geld opzij zetten
mettre de l'argent de côte
geld uitgeven aan (gaf uit - h. uitgegeven)
dépenser de l'argent à
geld spenderen aan, geld besteden aan
dépenser de l'argent à, consacrer de l'argent à
het inkomen
le revenu
het basisinkomen
le revenu de base
de inkomsten >< de uitgaven
les rentrées >< les dépenses
geld verspillen
gaspiller de l'argent
bedragen, het bedrag
s'élever à, le montant
de waarde, iets waard zijn
la valeur, valoir qqch.
het loon, het salaris
le salaire
de loonspanning
la tension, l'écart entre le salaire le plus haut et le plus bas
de lening
le prêt / l'emprunt
geld lenen bij >< (aan) iem. geld lenen
emprunter de l'argent à >
een lening aangaan (ging aan - h. aangegaan)
contracter un prêt / emprunt
een lening afbetalen (betaalde af -h. afbetaald)
rembourser un prêt
in het rood staan = onder nul gaan / zakken
être dans le rouge
de schuld
la dette
schulden maken
s'endetter
een schuld (af)betalen - betaalde (af) - h. (af)betaald
rembourser une dette
iem. geld verschuldigd zijn
devoir de l'argent à qqun
de terugbetaling
le remboursement
de winst >< het verlies
le gain >< la perte
de levensstandaard
le niveau de vie
de basisbehoefte
le besoin essentiel
het gemiddelde, gemiddeld
la moyenne, en moyenne
de kloof
le fossé
de rijkdom >< de armoede
la richesse >< la pauvreté
de armoede bestrijden - bestreed - h. bestreden
lutter contre la pauvreté
de armoedegrens
le seuil de pauvreté
de ontwikkelde landen
les pays développés
de ontwikkelingslanden
les pays en voie de développement
de welvaart, welvarend
la prospérité, prospère
de welvaartsstaat
l'état providence
het welvaartspeil = de levensstandaard
le niveau de vie
het welzijn
le bien-être
het geluk
le bonheur
gelukkig zijn
être heureux
geluk hebben
avoir de la chance
zich iets veroorloven
se permettre qqch
bezitten - bezat - h. bezeten
posséder
de koopkracht
le pouvoir d'achat
consumeren, de consumptie
consommer, la consommation
de (zwakke>< sterke) groei
la (faible >< forte) croissance
het tekort
le déficit, le manque, la pénurie
de (on)gelijkheid
l'(in)égalité
(on)rechtvaardig
(in)juste
bijdragen tot (droeg bij - h. bijgedragen)
contribuer
de bijdrage
la contribution
de samenleving = de maatschappij
la société
het geldbeleid = het monetair beleid
la politique monétaire
de ECB: Europese Centrale Bank
la BCE : Banque Centrale Européenne
het IMF: Internationaal Monetair Fonds
le FMI: Fonds Monétaire International
het bbp: bruto binnenlands product
le PIB: produit intérieur brut
de rentevoet
le taux d'intérêt
de inflatie
l'inflation
de deflatie
la déflation
de recessie
la récession
vraag en aanbod
l'offre et la demande
de vraag naar
la demande
het aanbod
l'offre
het evenwicht
l'équilibre
op kleine >< grote schaal
à petite >< grande échelle
de grondstoffen
les matières premières
de goederen
les biens
ondernemen - ondernam - h. ondernomen
entreprendre
de onderneming
l'entreprise
de ondernemer
l'entrepreneur
duurzaam ondernemen
le développement durable
de ESG-score: Environment (milieu), Social (Maatschappij) en Governance ( bestuur)
la notation ESG
de aandeelhouder
l'actionnaire
de aansprakelijkheid
la responsabilité civile
de dwangarbeid
le travail forcé
de kinderarbeid
le travail des enfants
de slavernij
l'esclavage
uitbuiten - buitte uit - h. uitgebuit
exploiter
de uitbuiting
l'exploitation