Week 3 HC Introductie in de virologie

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/85

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 9:23 AM on 4/2/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

86 Terms

1
New cards

Welke nieuwe virussen zijn er in de afgelopen decennia onder andere ontdekt?

SARS, MERS en Hepatitis E.

2
New cards

Wat zijn drie voorbeelden van bekende virussen?

Influenza, HIV en het Ebolavirus.

3
New cards

Wat is de definitie van een virus?

Een pakket genetisch materiaal (DNA of RNA) omgeven door een eiwitmantel (capside).

4
New cards

Hoe worden virussen geclassificeerd met betrekking tot cellen en leven?

Ze zijn acellulair (geen cellen) en worden beschouwd als niet-levend.

5
New cards

Aan welke drie criteria moet een levend organisme voldoen?

In staat zijn tot groei en deling, autonoom functioneren en beschikken over een eigen stofwisseling.

6
New cards

Waarom groeien of delen virussen niet zelfstandig?

Ze kunnen alleen repliceren via een gastheercel.

7
New cards

Beschikken virussen over een eigen stofwisseling of energievoorziening?

Nee, ze hebben geen eigen stofwisseling of energievoorziening.

8
New cards

Welke cellulaire onderdelen voor eiwitproductie missen virussen?

Ze hebben geen ribosomen of eigen eiwitmachinerie.

9
New cards

Is de beweging van een virus autonoom?

Nee, beweging van een virus is niet autonoom.

10
New cards

Welke van de twee (bacteriën of virussen) bevatten altijd RNA of DNA?

Virussen (bacteriën hebben beide, maar in de tabel wordt het kenmerk specifiek bij virussen met een plus gemarkeerd voor de aanwezigheid van dit type erfelijk materiaal).

11
New cards

Hebben bacteriën ribosomen?

Ja, bacteriën hebben ribosomen.

12
New cards

Zijn virussen gevoelig voor antibiotica?

Nee, virussen zijn niet gevoelig voor antibiotica.

13
New cards

Vermenigvuldigen bacteriën zich door celdeling?

Ja, bacteriën vermenigvuldigen zich door celdeling.

14
New cards

Kunnen virussen groeien op een levenloze voedingsbodem?

Nee, virussen kunnen niet groeien op een voedingsbodem.

15
New cards

Wat betekent het dat virussen 'obligaat intracellulair' zijn?

Dat ze volledig afhankelijk zijn van de gastheer voor hun vermenigvuldiging.

16
New cards

Waarom is de ontwikkeling van antivirale therapieën farmacologisch gezien lastig?

Men moet het virus bestrijden zonder de gastheercellen te beschadigen.

17
New cards

Wat is de gemiddelde grootte van een virus?

Ze zijn extreem klein, tussen de 20 en 400 nanometer (nm).

18
New cards

Welk specifiek virus kan als uitzondering nog net met een lichtmicroscoop worden gezien?

Het pokkenvirus.

19
New cards

Welk instrument is noodzakelijk om de meeste virussen te kunnen visualiseren?

Een elektronenmicroscoop.

20
New cards

Hoe zijn virussen aan het eind van de 19e eeuw ontdekt?

Door filtratie-experimenten waarbij pathogenen door bacteriefilters heen gingen.

21
New cards

Wat is de Latijnse betekenis van het woord 'virus'?

Vergif.

22
New cards

Op basis van welk verschil konden filters bacteriën en virussen scheiden?

Op basis van grootteverschil.

23
New cards

Wat houdt de 'Virus first'-theorie in?

Dat virussen overblijfselen zijn van pre-cellulaire levensvormen die zich oorspronkelijk zelfstandig konden vermenigvuldigen.

24
New cards

Wat stelt de 'Regression-theorie' over het ontstaan van virussen?

Dat virussen ontstonden uit reductie van vroegere eencellige organismen die hun celstructuur verloren.

25
New cards

Wat is de kern van de 'Escape-theorie'?

Dat virussen bestaan uit ontsnapte fragmenten van genetisch materiaal uit grotere organismen.

26
New cards

Welk percentage van het humane genoom bestaat uit overblijfselen van retrovirussen?

5 tot 8 procent.

27
New cards

Welke levensvormen kunnen door virussen worden geïnfecteerd?

Alle levensvormen: schimmels, bacteriën, planten, dieren en mensen.

28
New cards

Wat is een zoönose?

Een infectie die is overgegaan (crossover) van een dierlijke populatie naar mensen.

29
New cards

Wat wordt bedoeld met de term 'tropisme'?

Dat een infectie binnen één gastheer specifiek is voor bepaalde celtypen, zoals HIV voor immuuncellen.

30
New cards

Wat zijn voorbeelden van virussen die via een aerogene route (lucht) worden overgedragen?

Mazelen en de bof.

31
New cards

Noem drie vormen van direct contact voor virusoverdracht?

Via de huid, mucosaal (slijmvliezen) of transplacentair.

32
New cards

Wat is vectoroverdracht?

Overdracht van een virus via organismen zoals muggen of teken.

33
New cards

Naast lucht, contact en vectoren, wat zijn de andere twee genoemde overdrachtsroutes?

Druppelinfectie en vehikeloverdracht (voedsel, water, bloed).

34
New cards

Waarom is kennis van transmissieroutes belangrijk voor de geneeskunde?

Het ondersteunt preventiemaatregelen in ziekenhuizen.

35
New cards

Wat geeft het reproductieve nummer (R0) aan?

Het gemiddeld aantal personen dat door één geïnfecteerd individu besmet wordt.

36
New cards

Wanneer wordt het R0-getal van een virus bepaald?

Voordat er preventie en behandeling beschikbaar zijn.

37
New cards

Waarvan is het R0-getal een indicatie?

Van het infectievermogen en het epidemisch potentieel van een virus.

38
New cards

Wat kenmerkt een chronisch actieve infectie?

Langdurige aanwezigheid en replicatie van het virus, zoals bij HIV.

39
New cards

Wat is het verloop van een kortdurende infectie?

Een acuut ziektebeeld gevolgd door een snelle eliminatie van het virus.

40
New cards

Wat gebeurt er bij een latente infectie?

Het virus is tijdelijk inactief en kan later reactiveren, vaak bij verminderde afweer (herpes)

41
New cards

Uit welke onderdelen bestaat het nucleïnezuur van een virus?

Uit RNA of DNA (het genoom).

42
New cards

Wat is de capside?

De eiwitmantel die rond het genoom van het virus zit.

43
New cards

Wat is de envelop van een virus?

Een lipide membraan afkomstig van humane cellen die sommige virussen omringt.

44
New cards

Wat bevat de envelop van een virus aan de buitenkant?

Zowel virale eiwitten (spikes) als cellulaire componenten.

45
New cards

Wat is het nadeel van een envelop voor de stabiliteit van een virus?

Het vergroot de gevoeligheid voor omgevingsfactoren, waardoor het virus minder stabiel is buiten de gastheer.

46
New cards

Wat zijn naakte virussen?

Virussen zonder envelop, die doorgaans beter bestand zijn tegen omstandigheden buiten het lichaam.

47
New cards

Welke twee typen eiwitten komen voor in een virus?

Structurele eiwitten (capsomeren) en regulatoire eiwitten (enzymen).

48
New cards

Welke vormen kan een capside aannemen?

Helische, icosahedrale of complexe structuren.

49
New cards

Waarom zijn virussen eenvoudig opgebouwd uit herhalende motieven?

Omdat ze klein zijn en weinig genetisch materiaal hebben.

50
New cards

In welke vormen kan de structuur van viraal DNA of RNA voorkomen?

Lineair of circulair.

51
New cards

Wat zijn de twee mogelijke strengvormen van viraal genetisch materiaal?

Enkelstrengs (es) of dubbelstrengs (ds).

52
New cards

Hoe wordt de polariteit (positief of negatief) van een virusstreng bepaald?

Door de positie van de suikergroep.

53
New cards

Wat is de oriëntatie van een positieve streng?

De 5’-positie aan het begin en de 3’-positie aan het eind.

54
New cards

Waarom is de polariteit van belang voor de virusreplicatie?

Omdat RNA-transcriptie en -translatie alleen kunnen plaatsvinden vanaf positieve ketens.

55
New cards

Wat wordt bedoeld met segmentatie bij virussen?

Dat het genetisch materiaal uit meerdere losse stukken bestaat.

56
New cards

Waarom is segmentatie bij het Influenzavirus een belangrijke eigenschap?

Het stelt het virus in staat gemakkelijk genetisch materiaal uit te wisselen met andere virussen.

57
New cards

Uit hoeveel hoofdfasen bestaat de virale replicatiecyclus?

Zes fasen.

58
New cards

Wat gebeurt er tijdens de aanhechtingsfase?

Het virus bindt aan specifieke receptoren op de gastheercel.

59
New cards

Aan welke receptor bindt HIV op T-cellen?

De CD4-receptor.

60
New cards

Welke co-receptoren gebruikt HIV bij de aanhechting?

CCR5 of CXCR4.

61
New cards

Welke drie mechanismen van penetratie zijn mogelijk?

  • Fusie van virale envelop met plasmamembraan; eiwitkapsel komt in cytoplasma.

  • Endocytose: plasmamembraan vormt invaginatie, virus via endosoom in cel.

  • Injectie: bacteriofagen injecteren genoom direct in bacterie.

62
New cards

Wat gebeurt er tijdens de ontmanteling (uncoating)?

  • Afbraak van capside (eiwitkapsel) bevrijdt genoom.

  • In cytoplasma, endosoom of kern (bij kleinere DNA-virussen).

63
New cards

Waar vindt de synthesefase van de replicatiecyclus plaats?

De productie van viraal mRNA en de replicatie van het genoom voor nieuwe deeltjes.

64
New cards

Op basis waarvan deelt de Baltimore-classificatie virussen in?

Op basis van genoomtype en replicatiemechanisme.

65
New cards

Wat gebeurt er tijdens de assemblage?

De capsomeren komen samen om een nieuw eiwitkapsel te vormen.

66
New cards

Via welke drie mechanismen kan een virus de cel verlaten (vrijkomen)?

Via een receptor, door lysis (cel gaat kapot) of door afsnoering van het celmembraan.

67
New cards

Groep 1?

  • Groep 1: ds viraal DNA:

    • mRNA direct afgeschreven vanaf negatieve streng.

    • Humane enzymen voor replicatie.

68
New cards

Groep 2?

  • Groep 2: es positief viraal DNA:

    • Cel vormt eerst dsDNA voor mRNA-productie.

69
New cards

Groep 3?

  • Groep 3: dsRNA:

    • Direct aflezen tot mRNA via viraal RdRp (RNA-dependent RNA-polymerase).

70
New cards

Groep 4

  • Groep 4: esRNA positief:

    • Fungeert direct als mRNA; vaak eerst getransleerd tot negatief RNA voor kopieën.

71
New cards

Groep 5

  • Groep 5: esRNA negatief:

    • Eerst complementaire positieve RNA-streng via capping en polyadenylatie, dan mRNA.

72
New cards

Groep 6?

  • Groep 6: Retrovirus (bijv. HIV):

    • esRNA positief naar DNA-intermediair via viraal reverse-transcriptase.

    • DNA ingebouwd in humaan DNA voor replicatie.

    • Mensen missen reverse-transcriptase.

73
New cards

Groep 7?

  • Groep 7: Hepadnavirus (bijv. Hepatitis B):

    • ds hybride RNA/DNA naar esRNA-intermediair, dan DNA via reverse-transcriptase.

    • DNA vrijstaand in cel, niet ingebouwd.

74
New cards

Wat is het verschil tussen Groep 6 (HIV) en Groep 7 (Hepatitis B) wat betreft het DNA?

Bij Groep 7 blijft het DNA vrijstaand in de cel en wordt het niet ingebouwd in het gastheergenoom.

75
New cards

Welk viraal enzym hebben alle RNA-virussen (behalve retrovirussen) nodig?

RdRp (RNA-dependent RNA-polymerase).

76
New cards

Wat is een nadeel van het kweken van virussen op cellijnen?

Het is tijdrovend en heeft een lage sensitiviteit.

77
New cards

Wanneer is een kweek de enige optie?

Bij de ontdekking van onbekende virussen.

78
New cards

Wat is het verschil tussen het detecteren van antigenen en antistoffen bij serologie?

Antigenen zijn sneller te detecteren maar minder gevoelig dan antistoffen.

79
New cards

Wat toont de aanwezigheid van IgM-antistoffen aan?

Een recente infectie (hoewel minder betrouwbaar door mogelijke reactivatie).

80
New cards

Wat is seroconversie?

Een stijging van IgG-antistoffen aangetoond in twee opeenvolgende serummonsters.

81
New cards

Hoe werkt een PCR-test voor virussen?

Het nucleïnezuur wordt direct geamplificeerd (vermeerderd), waarbij RNA eerst naar DNA wordt omgezet.

82
New cards

Noem voordelen / nadelen van PCR?

  • Zeer sensitief, specifiek, snel, kwantificeerbaar.

  • Nadelen: contaminatierisico, complexe lab-set-up, alleen bekende pathogenen, detecteert inactieve virussen.

83
New cards

Wat wordt bedoeld met het cytopathologisch effect (CPE)?

Karakteristieke celschade veroorzaakt door een virus, zoals

  • Vacuoles.

  • Syncytiale reuscellen.

  • Insluitlichaampjes.

  • Granulatie.

84
New cards

Welke twee diagnostische methoden domineren momenteel de klinische praktijk?

PCR en serologie.

85
New cards
86
New cards

Explore top notes

note
developmental psych terms
Updated 112d ago
0.0(0)
note
Algebra 1(Abandoned,Incomplete)
Updated 628d ago
0.0(0)
note
Physiologie cardiaque
Updated 707d ago
0.0(0)
note
Ways of the World
Updated 98d ago
0.0(0)
note
Protein Synthesis 14.1-14.2
Updated 1143d ago
0.0(0)
note
developmental psych terms
Updated 112d ago
0.0(0)
note
Algebra 1(Abandoned,Incomplete)
Updated 628d ago
0.0(0)
note
Physiologie cardiaque
Updated 707d ago
0.0(0)
note
Ways of the World
Updated 98d ago
0.0(0)
note
Protein Synthesis 14.1-14.2
Updated 1143d ago
0.0(0)

Explore top flashcards

flashcards
AP Precalculus Ultimate Guide
64
Updated 414d ago
0.0(0)
flashcards
Abstract Algebra
101
Updated 849d ago
0.0(0)
flashcards
Honors English II - Midterm
78
Updated 1164d ago
0.0(0)
flashcards
I-W A-H 1 SEMESTER TEST
130
Updated 835d ago
0.0(0)
flashcards
Psycology Ch 1-4
50
Updated 930d ago
0.0(0)
flashcards
AP Precalculus Ultimate Guide
64
Updated 414d ago
0.0(0)
flashcards
Abstract Algebra
101
Updated 849d ago
0.0(0)
flashcards
Honors English II - Midterm
78
Updated 1164d ago
0.0(0)
flashcards
I-W A-H 1 SEMESTER TEST
130
Updated 835d ago
0.0(0)
flashcards
Psycology Ch 1-4
50
Updated 930d ago
0.0(0)