1/570
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced |
|---|
No study sessions yet.
Academisch
Eigen aan een universiteit of hogeschool.
Ad valvas
Op de mededelingenborden.
Aula
Auditorium, gehoorzaal.
Numerus clausus
Beperking van het aantal studieplaatsen voor een opleiding.
Curriculum
Leerplan.
Ex cathedra
Doceren.
Emeritus
Met ambtsrust.
Practicum
Praktijkles.
Proclamatie
Officiële bekendmaking door het hoofd van een faculteit.
Decaan
Hoofd van een faculteit.
Erudiet
Een brede kennis hebben.
Rector
Directeur van een hogeschool of universiteit.
Pedagoog
Opvoedkundige.
Casus
Praktijksituatie.
Syllabus
Cursusmateriaal.
Scriptie
Verhandeling.
Alternatief
Keuze.
Arbitrair
Willekeurig.
Efficiënt
Doeltreffend.
Flexibel
Meegaand.
Interactie
Wisselwerking.
Objectief
Onbevooroordeeld.
Subjectief
Partijdig.
Plausibel
Passend.
Naar analogie met
Net zoals bij.
Constructief
Opbouwend.
Evidentie
Vanzelfsprekendheid.
Essentie
Belangrijkste punten.
Hypothese
Veronderstelling.
Sjabloon
Opmaakdocument.
Progressie
Vooruitgang.
Attitude
Houding.
Secundair
Indirect.
Primair
Direct.
Consequent
Eenduidig.
Rationeel
Verstandelijk.
Notuleren
Aantekeningen maken, notities nemen.
Expliciteren
Verduidelijken.
Parafraseren
Samenvatten in eigen woorden.
Screenen
Iemands geschiktheid voor een bepaalde functie onderzoeken.
Specificeren
Uitleggen, verklaren, toelichten.
Recapituleren
Kort herhalen, resumeren.
Excelleren
Onderscheiden, uitblinken.
Doceren
Lesgeven.
Analyseren
Ontleden, ontrafelen.
Remediëren
Verhelpen, genezen, beter maken.
Nuanceren
Verduidelijken door meer details te geven.
Refereren aan
Verwijzen naar.
Poneren
Stellen.
Inventariseren
Oplijsten.
Differentiëren
Ondescheiden.
Accuraat
Nauwkeurig.
Intrinsiek
Inwendig.
Pejoratief
Ongunstig.
Proactief
Waarbij je vooruitdenkt.
Consistent
Logisch samenhangend.
Basaal
Essentieel, fundamenteel.
Cognitief
Mentaal proces dat het denken, het leren, het memoriseren en het gezond verstand betreft.
Narratief
Verhalend, vertellend.
Pragmatisch
Nuttig, inspelend op de praktijk.
Legio
Ontelbaar, talrijk.
Triviaal
Alledaags, onbeduidend.
Deductie
Een gevolgtrekking maken uit het algemene naar het bijzondere.
Exposé
Uiteenzetting, betoog.
Consensus
Eensgezindheid.
Repercussie
Gevolg, reactie.
Perceptie
Waarneming.
Ironie
Bedekte, milde spot.
Sarcasme
Bijtende spot.
Cynisme
Schaamteloze spot.
Understatement
Verzwakte mededeling.
Jargon
Vaktaal.
Slang
Zeer informele taal.
Turbotaal
Flitsend, modieust taalgebruik.
Verkavelingsvlaams
Tussentaal.
Monoloog
Één persoon is aan het woord.
Dialoog
Gesprek tussen twee personen.
Formeel
Vormelijk, stijf taalgebruik.
Informeel
Los taalgebruik.
Eufemisme
Verzachtende uitdrukking.
Dysfemisme
Taalgebruik dat opzettelijk grof is.
Contaminatie
Verhaspeling van 2 woorden.
Pleonasme
Dubbelop.
Tautologie
Woordencombinatie waarin een begrip tweemaal wordt genoemd.
Homoniem
Woorden met gelijke uitspraak en spelling.
Homofoon
Woorden met gelijke uitspraak, maar verschillende spelling.
Synoniemen
Woorden die hetzelfde betekenen.
Antoniemen
Woorden met een tegengestelde betekenis.
Citaten
Stukje tekst dat letterlijk gekopieerd is.
Gender
Geslacht, sekse.
Etymologisch
Herkomst van een woord.
Anekdote
Kort, grappig verhaal.
Inversie
Omkering van de woorden in een zin.
Paradox
Schijnbare tegenstelling.
Hyperbool
Stijlfiguur van overdrijving.
Allegorie
Verpersoonlijking van een begrip.
Palindroom
Woord dat van links naar rechts hetzelfde is als andersom.
Assimilatie
Gelijkwording van medeklinkers.
Metafoor
Woord/beeld gebruiken voor iets anders.
Cryptogrammen
Vorm van kruiswoordpuzzle.