1/54
Periode 3
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Levensloop
De opeenvolging van levensfases. Iedere fase kent een andere financiële situatie.
Voorraadgrootheden
Financiële grootheden die je meet op een bepaald moment, zoals bezittingen en schulden.
Vermogen
Het vermogen van gezinnen is het verschil tussen bezittingen en schulden.
Stroomgrootheden
Financiële grootheden die je meet per tijdseenheid, zoals inkomsten en uitgaven.
Inkomen
De beloning voor het beschikbaar stellen van productiefactoren, zoals arbeid of kapitaal.
Menselijk kapitaal
De kennis en vaardigheden die je verkrijgt door opleiding, training en ervaring.
Verdiencapaciteit
De mogelijkheid om een inkomen uit arbeid te verdienen.
Ruilen over de tijd of intertemporele substitutie
Het uitstellen of vervroegen van (consumptie) uitgaven.
Sparen
Het afzien van consumptie op een bepaald moment.
Spaarmotieven
De drie spaarmotieven zijn: het zekerheidsmotief, het doelmotief en het vermogensmotief.
Lenen
Het naar voren halen van consumptie en later terugbetalen.
Leenmotieven
De drie leenmotieven zijn: lenen om een tegenslag op te vangen, voor de aanschaf van (duurdere) consumptiegoederen en om een tijdelijk tekort op te vangen.
Consumptief krediet
Alle geldleningen die bedoeld zijn voor de aanschaf van consumptiegoederen.
Hypothecaire lening of hypotheek
Een lening met een onroerend goed als onderpand.
Algemene prijs van tijd
De rente die je betaalt voor een lening.
Individuele prijs van tijd
De prijs die je bereid bent te betalen voor een lening.
Tijdsvoorkeur
Mate waarin mensen uitgaven kunnen uitstellen. Lage tijdsvoorkeur: makkelijk uitstellen, hoge tijdsvoorkeur: moeilijk uitstellen.
Onderhandse lening
Lening tussen twee partijen zonder tussenkomst van een bank.
Vermogensmarkt
Alle vraag en aanbod van vermogenstitels.
Geldmarkt
Alle vraag en aanbod van vermogenstitels met een looptijd tot één jaar.
Kapitaalmarkt
Alle vraag en aanbod van vermogenstitels met een looptijd langer dan één jaar.
Nominale rente
De rente die je krijgt voor spaargeld of betaalt voor een lening.
Reële rente
De rente waarbij je rekening houdt met de inflatie.
Reële waarde van een schuld
De waarde van een schuld gecorrigeerd voor inflatie.
Rentelasten
De (maandelijkse) rentevergoeding die de geldnemer betaalt over een (hypothecaire) lening.
Collectieve sector
De overheid en de sociale zekerheidsinstellingen.
Rijksbegroting
Overzicht van de toekomstige inkomsten en uitgaven van de rijksoverheid.
Miljoenennota
De toelichting op de rijksbegroting.
Directe belastingen
Belastingen over winst, inkomen en vermogen die direct aan de overheid worden afgedragen.
Indirecte belastingen
Kostprijsverhogende belastingen die via de aankoop van producten en diensten indirect aan de overheid worden afgedragen.
Sociale premies
Premies die geheven worden in verband met de sociale verzekeringen.
Begrotingssaldo tekort/overschot
Het verschil tussen de inkomsten en uitgaven van de rijksoverheid, een positief verschil levert een begrotingsoverschot, een negatief verschil een begrotingstekort.
Staatsschuld
De schuld van de rijksoverheid die op een bepaalde tijdstip wordt gemeten.
Overheidsschuld
De staatsschuld plus de schulden van lagere overheden.
Financieringssaldo
Het saldo van het begrotingstekort minus de aflossingen.
Publieke schuld
Een schuld van de overheid.
Private schuld
Een schuld van een bedrijf of een gezin.
Stabiliteits- en groeipact
Eisen waaraan eurolanden en toetredende landen moeten voldoen om de stabiliteit van de euro te garanderen.
Staatsschuldquote
De staatsschuld als percentage van het bbp.
Begrotingsbeleid
Het beleid van de regering om via de inkomsten- en uitgavenkant van de rijksbegroting invloed uit te oefenen op de economie.
Omslagstelsel
Een systeem waarbij de ontvangen premie van een jaar gebruikt wordt voor uitkeringen in dat jaar.
Sociale verzekeringen
Verplichte verzekeringen die bestaan uit volksverzekering en werknemersverzekeringen.
Volksverzekering
Verzekering die voor iedereen geldt die in Nederland woont of werkt. De uitkering is onafhankelijk van het inkomen.
Werknemersverzekering
Verzekering voor (voormalig) werknemers, betaald door werkgevers en werknemers en uitgekeerd door UWV.
Sociale voorzieningen
Voorzieningen in de vorm van uitkeringen bedoeld voor mensen die geen uitkering krijgen van een werknemersverzekering.
Solidariteitsbeginsel
Bij de sociale zekerheid worden de risico’s door alle deelnemers gedeeld. Het recht op een uitkering is niet afhankelijk van de betaalde premie.
Intergenera