1/148
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Oudheid
Hart versus brein
Hippocrates, 1e focus op hersenen
Aristoteles, tweedeling psyché en gedrag)
Middeleeuwen en Renaissance
Op observatie gebaseerde neuroanatomie
Leonardo da Vinci
Vesalius
17e eeuw
Begin van de moderne wetenschap van het brein
Descartes (dualisme)
Dualisme
Lichaam = stoffelijk; Geest = niet stoffelijk (lichaam-geest probleem)
18e eeuw
Elektriciteit en het brein
Galvani
Begin 19e eeuw
Lokalisatie van functies
Gall en Spurzheim
Paul Broca (uitvinder gebied van broca → taalproductie)
Frenologie
Theorie die stelt dat een letterlijke (grote van) knobbel bepaald hoe goed je in dingen bent
Eind 19e eeuw
Evolutie, genen en gedrag
Darwin (materialisme)
Materialisme
Alles is herleidbaar tot materie en natuurlijke processen, dus gedrag verklaren door dmv werking zenuwstelsel en niet de mind
20e eeuw
Neurotransmitters, psychofarmaca, kraken DNA-code
Otto Loewi
Francis Crick en James Watson
2 conclusies van 20e eeuw
Hebben van gedistribueerde functies (grotere functies zijn verdeeld over de hersenen en niet op 1 plek)
Hiërarchische organisatie (meerdere geheugensystemen, 2 hersenhelften, bewuste en onbewuste informatie)
21e eeuw
Opkomst hersenscan, intensievere samenwerking tussen disciplines, toename publicaties, onderzoeksgeld voor fundamenteel en toegepast onderzoek
Kenmerken gedrag
Heeft zowel doel als functie
Reactie op omgeving
Bepaald door endocriene systeem en zenuwstelsel
Is variabel in complexiteit, mate waarin aangeboren (primair/secundair) en mate waarin het aangeleerd is
Ontstaan van het complexere brein
Mutaties in de genen
Omgeving beter
Voedsel werd beter (fatty acids) → hersenen werden beter in staat om elektriciteit te geleiden
Genotype
Genetisch materiaal
Fenotype
Hoe genetisch materiaal tot uiting komt (bvb blauwe ogen)
Chromosomen
Lange, draadachtige moleculen bestaande uit DNA
Biologie > SES
Genotype wat zich uit in fenotype is sterker dan wat omgeving doet

Dura mater
Stevige ‘plastic’ laag waar je niet zo snel doorgeen komt

Arachnoid membrame
Hersenen kunnen hier lichtelijk in bewegen, zoals in een spinnenweb

Pia mater
Bestaat uit voeding en herstellingsmateriaal

Subarachnoid space
Bevat hersenvloeistof

White matter
Verbindt alle hersengebieden met elkaar (glasvezelnetwerk)

Gray matter
Hier slaan we informatie in op

Corpus callosum
verbindt de linker en rechterhersenhelft
Centrale zenuwstelsel
Hersenen en ruggenmerg, controlecentrum van zenuwstelsel
Perifere zenuwstelsel
Verbinding tussen centrale zenuwstelsel, spieren en zintuigen
Somatische zenuwstelsel
Deel van perifeer zenuwstelsel waar we controle over hebben, niet altijd bewust. Zorgt voor kunnen lopen, bewegen en praten
Autonome zenuwstelsel
Deel van zenuwstelsel waar we geen controle over hebben. Stuurt gladde spieren, het hart en diverse organen aan .
Sympatisch zenuwstelsel
Deel dat geactiveerd is als we actief zij (bvb in stressvolle situaties). Stimulatory “fight or flight”
Parasympatisch zenuwstelsel
Deel dat actief is als we in rust zijn. Inhibitory “rest and digest”
Hindbrain
Ondersteund vitale functies
Medula (hindbrain)
Ademhaling en hartslag regulatie
Pons (hindbrain)
Treinstation tussen de hersenen en rest vanhetlijf, signalen doorgeven
Cerebellum/kleine hersenen (hindbrain)
Coördinatie en fijne motoriek
Midbrain
Verwerking van visuele en auditieve signalen, met name ter verwerking van motor signalen
Thalamus
Naast doorgeven motorische info, ook slaap, alertheid en bewustzijn
Hypothalamus
Stimuleren van hormonen (reguleren lichaamstemperatuur, honger, vermoeidheid, slaapritme)
Telencephalon
Cerebrum/grote hersenen: controleren alle vrijwillige bewegingen
Stem
Stamcel, bevat DNA
Progenitor
Cel die al weet wat voor functie hij vervult
Blast
Tweedeling: neural en glial cellen → gespecialiseerd
Dendrieten
Ontvangen elektrische impulsen. Zorgt voor vergroting van oppervlakte van cel, meer contactpunten (spines)
Axon
Geven impulsen door aan ander neuronen of spiercellen Uitloper, vertakkingen aan uiteinde (teleodendria)
Sensory neuron
Stuurt informatie naar het centrale zenuwstelsel
Interneuron
Schakelstation, heel gevoelig, hoe dieper in het brein hoe meer
Motor neuron
Stuurt signalen van het centrale zenuwstelsel naar de spieren
Gliacellen
Ondersteunde cellen die zorgen voor stevigheid, voeding en opruiming
Oligodendroglia
Bundelen en isoleren verschillende groepen neuronen met myeline
Schwann-celllen
wikkelen zich om een neuron en isoleren met myeline
Grijze materie
Bevindt zich aan de buitenkant van de hersenen en bestaat vooral uit neuronen → informatieverwerking
Witte materie
Bevindt zich in de binnenkant, bevat gliale cellen, interneuronen en ondersteunend materiaal
Reticulaire materie
Hersenstam
Nucleus (celkern)
Bevat het DNA
Endoplastisch reticulum
Netwerk van membranen wat zorgt voor de productie van eiwitten
Golgi-apparaat
Verwerkt het materiaal en slaat dit tijdelijk op
Lysomen
Breken afvalstoffen en beschadigd materiaal af
Cytosol
Grondvloeistof, hier stromen alle stoffen in
Mitochondria
Maken energie door de verbranding van zuurstof, zodat de cel actief blijft
Myeline
Laag om axon die zorgt voor betere geleiding dmv het maken van sprongetjes
Knopen van Ranvier
Knopen die zorgen voor de sprongetjes die elektrische signalen maken, wat voor meer snelheid en efficiëntie zorgt
Hyperpolarisatie
Een gegradeerde potentieel zo sterk dat een volgende stimulus tijdelijk geen effect meer heeft
Exitatoire synapsen (EPSP)
Aanjagende signalen
Inhibitoire synapsen
Remmende signalen
Betablocker
Gaat voor een receptor liggen zodat de neurotransmitter niet geactiveerd kan worden

Cholinergisch systeem
Heeft invloed op alertheidsniveau, geheugen en motoriek. Degeneratie bij de ziekte van Alzheimer.

Dopaminergisch systeem
Bevat het nigrostriatal circuit en mesolimbische circuit

Nigrostriatal circuit (paars)
Regulatie van motoriek vanuit de frontale cortex. Degeneratie bij de ziekte van Parkinson

Mesolimbische circuit (oranje)
Regulatie van emotioneel gedrag. Wordt aangetast door drugsgebruik. Excessieve activiteit kan zorgen voor schizofrenie

Noradrenergische systeem
Informeel leren en emoties. Afname: ernstige depressie. Toename: manisch

Secrotenergisch systeem
Veel vertakkingen en beïnvloed vrijwel alle functies, speelt rol bij leren en emoties en stemmingen. Afname: depressie. Toename: schizofrenie, manie, obsessieve-compulsieve stoornis.
Thermoreceptor
Receptor gevoelig voor temperatuur
Meissner’s receptor
Receptor gevoelig voor aanraking
Nociceptoren
Receptoren die pijn registreren
Paciaans lichaampje
Receptor die druk registreert
Occipitaalkwab
Verwerkt visuele informatie, en gebruikt hier ook de context bij
Visuele schizofrenie
Patroonherkenning is sterk versterkt, hierdoor zie je dingen die er niet zijn
Fovea
Plek waar licht op het oog valt
Staafjes
Waarneming contrast en beweging
Kegeltjes
Waarneming kleur
Geniculate striate pathway
Wat-pad (via laterale geniculatenuceleus naar de striatencortex en andere visuele gebieden)
Tectopulvinar pathway
Waar-pad (via de superior colliculus en de pulvinair en andere visuele gebieden)
Wat-pad (ventrale pad)
Verwerkt alle kleur. V1 → V2 → V4 → temporaal kwab
Waar-pad (dorsaal)
Verwerkt vorm en snelheid V1 → V2 → V3 → V5 → pariëtale kwab
V1
Primaire visuele cortex/striate cortex, ontvangt sensorische input van LGN
V2
Secundaire visuele cortex/prestriate cortex, ontvangt sterke visuele informatie van V1, analyseert vormen, randen kleuren en texturen
V3
Tertiaire visuele cortex. Verwerkt complexe visuele informatie. Onderdeel van de dorsale stroom: waar-pad. Verwerken van vorm en bewegingsinformatie
V4
Quaternaire visuele cortex. Onderdeel van ventrale stroom: wat-pad. Kleurwaarneming, object- en vormherkening
V5/mediaal temporaal
Bewegingsdetectie: snelheid, richting en coördinatie en beweging. Onderdeel van dorsale stroom: waar-pad
Pad 1: Oog naar SC
Snelle oogreflexen naar duidelijke aanwezige stimuli
Pad 2: Oog naar MT (via LGN en V1)
Ontdekkende bewegingen en verkennen omgeving. Problemen in pad kunnen leiden tot hakerig lezen
Pad 3: Oog naar frontaalkwab (via V1, V2, V4 en temporaal kwab)
Anticipatie en vooruitzien tijdens lezen
Saccades
Brein vult in wat we zien bij momenten waar we technisch blind zijn
Pad 4: Oog naar BG (via V1, V2, V4, temporaal kwab en frontaal kwab)
Betrokken bij inhibitie en aandachtsregulatie
Blindsight
Schade tussen oog en V5. Niks visueel kunnen zien, maar toch zien, want het wordt nog wel verwerkt in de motorische kwab.
Kleurperceptie
Delen van onbeschadigde hersengebieden zorgen ervoor dat een “blind” iemand toch nog kan weten wat voor kleur trui iemand aan heeft zonder het te zien.
Visuele agnosie
Deel van een patroon/plaatje niet kunnen herkennen.
Prosopagnosia
Geen gezichtsherkenning, combinatie niet kunnen maken
Alexia
Geen letters of abstracte symbolen kunnen lezen
Ataxia
Wat je ziet niet kunnen koppelen aan je motoriek (puur op tast beschrijven hoe iets er uit ziet lukt niet)