1/247
Alle begrippen die je moet weten voor het Aardrijkskunde examen HAVO.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced |
---|
No study sessions yet.
Analfabetisme
Het niet kunnen lezen of schrijven.
Arbeidsmigratie
Het verhuizen van mensen als gevolg van het zoeken naar werk.
Beroepsbevolking
Het deel van de bevolking tussen de 15 en 65 jaar, dat werk heeft of werk zoekt.
Bevolkingsdichtheid
De verhouding tussen het aantal inwoners en de oppervlakte van een gebied.
Bevolkingsgroei
De toename van het aantal inwoners in een bepaalde periode.
Bevolkingsspreiding
De manier waarop een bevolking zich over een gebied verdeelt.
Bruto binnenlands product
De waarde van alle geproduceerde goederen en diensten van een land in een jaar.
Bruto nationaal product
De waarde van alle goederen en diensten die in een jaar in een land worden geproduceerd, plus het inkomen dat inwoners uit dat land verdienen in het buitenland minus de inkomens die door buitenlanders die werken in dat land worden verdiend.
Bruto regionaal product
De waarde van alle goederen en diensten die in een bepaald jaar in een gebied (regio) worden geproduceerd.
Centrum
In het wereldsysteem zijn dit de rijke, kapitalistische landen (de westerse wereld).
Cultuurgebied
Een gebied waar mensen met dezelfde cultuur leven.
Dekolonisatie
Het proces waarbij koloniën onafhankelijk worden.
Demografische druk
De som van het aantal personen van 0 tot 20 jaar en 65 jaar of ouder in verhouding tot de personen van 20 tot 65 jaar.
Demografisch transitiemodel
Een model dat de overgang van hoge geboorte- en sterftecijfers naar lage geboorte- en sterftecijfers beschrijft naarmate een land zich economisch ontwikkelt.
Diffusie
De verspreiding van cultuurelementen van het ene naar het andere cultuurgebied.
Exploitatiekolonie
Een kolonie die door een ander land werd overheerst en gebruikt om grondstoffen te leveren.
Inkomen
Het geldbedrag dat een persoon in een bepaalde periode ontvangt aan loon, winst, huur, pacht of rente.
Koopkracht
De hoeveelheid goederen en diensten die een persoon van zijn geld kan kopen.
Leeftijdsopbouw
De samenstelling van een bevolking naar leeftijd.
Periferie
In het wereldsysteem zijn dit de achtergestelde arme landen (de derde wereld).
Pullfactoren
Factoren in een bepaald gebied die mensen als prettig kunnen ervaren, waardoor migranten zich aangetrokken voelen tot dat gebied.
Pushfactoren
Factoren in een bepaald gebied die mensen als onprettig kunnen ervaren, waardoor mensen worden aangezet om te migreren naar een ander gebied.
Ruilvoet
De verhouding tussen de waarde van de export en de waarde van de import.
Semi-periferie
In het wereldsysteem zijn dit de opkomende landen op economisch gebied.
Verstedelijking
Het verschijnsel dat relatief steeds meer mensen in steden wonen en relatief minder op het platteland.
Vestigingskolonie
Een gebied overzee dat als doel had om als vestigingsgebied voor Europeanen te functioneren.
Vrijhandel
Internationale handel zonder handelsbelemmeringen.
Internationale arbeidsverdeling
De arbeidsverdeling tussen landen, waarbij landen zich toeleggen op de productie van producten waar zij relatief goed in zijn.
Multinationale onderneming
Een bedrijf met vestigingen in meerdere landen.
Wereldsysteem
De theorie dat de wereld bestaat uit een centrum, een periferie en een semi-periferie.
VN-ontwikkelingsindex
Indicator die wordt gebruikt om landen te vergelijken op het gebied van gezondheid, kennis en levensstandaard.
Kolonialisme
Het proces waarbij een land andere gebieden onder zijn controle brengt en exploiteert voor eigen voordeel.
Handelsbelemmeringen
Maatregelen die de vrijhandel tussen landen beperken, zoals importtarieven of importquota.
Migratienetwerken
Netwerken bestaande uit contacten en gemeenschappen die nieuwe migranten ondersteunen bij hun vestiging en integratie in een nieuw land.
Selectieve migratie
Het proces waarbij mensen met specifieke vaardigheden of kwalificaties migreren naar landen waar deze vaardigheden gevraagd zijn.
De-industrialisatie
De ontwikkeling waarbij de industriële activiteiten in een regio grotendeels verdwijnen.
Industrialisatie
De overgang naar een samenleving waarin de industrie een belangrijk middel van bestaan is.
Brp per hoofd
Het bruto regionaal product van een regio gedeeld door het aantal inwoners van die regio.
Bbp per hoofd
Het bruto binnenlands product van een land gedeeld door het aantal inwoners van dat land.
Natuurlijke bevolkingsgroei
De veranderingen in de omvang van de bevolking als gevolg van geboorte en sterfte.
Sociale bevolkingsgroei
De veranderingen in de omvang van de bevolking als gevolg van migratie (immigratie en emigratie).
Amerikanisering
De wereldwijde verspreiding van Amerikaanse cultuurelementen.
Culturele globalisering
Het proces van wereldwijde culturele integratie, wat wordt gekenmerkt door de internationale verspreiding van cultuurelementen, informatie en ideeën.
Economische globalisering
Het proces van wereldwijde economische integratie, wat wordt gekenmerkt door internationale kapitaalstromen, internationale handel, internationale arbeidsverdeling, multinationale ondernemingen, internationale productieketens en minder economische restricties.
Globalisering
Het proces van wereldwijde economische, politieke en culturele integratie van gebieden en samenlevingen.
Global shift
De verschuiving op aarde van het economisch kerngebied.
Culturele identiteit
Het gevoel van verbondenheid en herkenning dat iemand heeft met een bepaalde cultuur, gebaseerd op gemeenschappelijke taal, tradities, waarden, en normen.
Lingua franca
De gemeenschappelijke taal die wordt gebruikt als mensen met een verschillende moedertaal met elkaar communiceren.
Mondiaal netwerk
Een wereldwijde verbinding tussen gebieden en landen op economisch, politiek of sociaal-cultureel terrein.
Productieketen
De schakels waaruit het productieproces van goederen bestaat, van grondstof tot eindproduct.
Regionale ongelijkheid
Verschillen in de welvaart en ontwikkeling tussen verschillende gebieden.
Sociale ongelijkheid
Verschillen in inkomen, kennis en status tussen verschillende groepen van de bevolking.
Tijd-ruimtecompressie
Het proces waardoor de relatieve afstand tussen gebieden afneemt door ontwikkelingen in de transporttechnologie en informatietechnologie.
Transporttechnologie
De technische voorzieningen en infrastructuur die het transport van mensen en goederen mogelijk maken.
Wereldstad
Een stad die wereldwijd een belangrijke rol speelt op economisch, cultureel of politiek gebied.
World Trade Organization
Organisatie die de handel tussen landen reguleert en streeft naar het zoveel mogelijk vrij maken van de internationale handel.
Informatie- en communicatietechnologie (ICT)
Geheel van technische middelen waardoor informatie snel kan worden opgeslagen en verspreid, zoals via computers en het internet.
Offshoring
Het verplaatsen van bedrijfsactiviteiten of productieprocessen naar een ander land om kosten te besparen of de efficiëntie te verhogen.
Reshoring
Het terughalen van de productie uit lagelonenlanden naar het eigen land.
Aardbeving
Een trillende beweging van de aardkorst, ontstaan door krachten van binnenuit de aarde.
Aardverschuiving
Situatie dat plotseling een grote hoeveelheid grond naar beneden glijdt onder invloed van de zwaartekracht.
Atmosferische circulatie
De wereldwijde verplaatsing van lucht laag en hoog in de atmosfeer.
Basalt
Zeer hard, donker gekleurd, stollingsgesteente.
Caldera
Het deel van een stratovulkaan dat overblijft als de bovenkant van de vulkaan na een explosieve uitbarsting instort.
Chemische verwering
Het oplossen van gesteente door de inwerking van water, zuren en zuurstof.
Convergente plaatbewegingen
Twee tektonische platen die tegen elkaar aanbotsen (de beweging is convergent).
Delta
Afzetting van sediment voor de monding van een rivier.
Trog
Diepe, smalle kloof in de zeebodem die kan ontstaan na subductie.
Divergente plaatbewegingen
Twee tektonische platen die uit elkaar bewegen (de beweging is divergent).
Effusieve eruptie
Vulkaanuitbarsting waarbij voornamelijk lava vrij komt.
Erosie
Het proces van slijtage van een oppervlak waarbij stukken oppervlakte en materiaal worden meegenomen door stromend water, ijs, wind of de zwaartekracht.
Explosieve eruptie
Heftige vulkaanuitbarsting, waarbij pyroklastisch materiaal wordt uitgestoten.
Fysische verwering
Het verbrokkelen van gesteente door het bevriezen van water en temperatuurwisselingen. Wordt ook wel mechanische verwering genoemd.
Gebergtevorming
Het ontstaan van gebergten door de botsing van twee platen.
Geologische tijdschaal
De indeling van de geschiedenis van de aarde in geologische tijdperken.
Gesteentekringloop
Kringloop waarbij gesteente steeds opnieuw de fasen doorloopt van verwering, erosie, sedimentatie en nieuwe gesteentevorming.
Graniet
Hard soort stollingsgesteente.
Horsten
Een deel van de aardkorst dat langs een breukvlak omhooggekomen is.
Hotspot
Vulkaan die zich niet aan de rand van een plaat bevindt.
Hydrologische kringloop
De reeks van processen die het water doorloopt (verdamping, transport, condensatie en neerslag).
Intertropische convergentiezone (ITCZ)
Lagedrukgebied rond de evenaar.
Kalksteen
Sedimentgesteente dat ontstaat door het samenpersen van schelpen en kalkskeletten.
Klimaatsysteem van Köppen
Een classificatiesysteem dat klimaattypen wereldwijd categoriseert op basis van temperatuur, neerslag en vegetatiekenmerken.
Leisteen
Metamorf gesteente dat onder invloed van druk is ontstaan uit kleisteen.
Marmer
Metamorf gesteente dat onder invloed van druk is ontstaan uit kalksteen.
Massabeweging
Het naar beneden glijden van verweringsmateriaal onder invloed van de zwaartekracht.
Metamorf gesteente
Gesteente dat ontstaat doordat bestaand gesteente onder druk wordt gezet en daardoor vervormt.
Midoceanische rug
Een langgerekte onderzeese vulkanische bergketen in het midden van een oceaan.
Moesson
Wind in tropische gebieden die elk half jaar van richting wisselt, door de verplaatsing van de ITCZ met de seizoenen.
Morene
Sedimentatie dat wordt afgezet door middel van ijs.
Oceanische circulatie
Grote constante beweging van het zeewater dat zich stroomsgewijs in zeeën en oceanen verplaatst in een vaste richting.
Passaat
Stabiele stevige wind die gedurende het hele jaar waait van subtropische hogedrukgebieden naar de evenaar.
Platentektoniek
Geologisch verschijnsel waarbij delen van de aardkorst (genaamd platen), ten opzichte van elkaar verschuiven.
Plooiingsgebergte
Gebergte dat ontstaat door de druk in de aardkorst, waarbij gesteente geplooid en opgeheven wordt.
Puinhelling
De ophoping van stenen die door een aardverschuiving naar beneden zijn gevallen.
Puinwaaier
De ophoping van zand, klei en grind op plaatsen waar de stroomsnelheid van een rivier plotseling afneemt.
Schildvulkaan
Type vulkaan dat wordt gekenmerkt door een brede basis en een langzaam oplopende, flauwe helling.
Sedimentatie
Afzetting van materiaal door rivieren, zeeën, ijs of wind.
Sedimentgesteente
Gesteente dat is ontstaan uit in de grond weggezakt gesedimenteerd verweringsmateriaal en onder druk van de aardkorst is samengeperst tot gesteente.
Slenken
Een laag gelegen deel van de aardkorst dat langs een breuk naar beneden is gegleden.