Biologie afweer en ecologie begrippen | Quizlet

0.0(0)
studied byStudied by 0 people
0.0(0)
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/140

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 3:35 PM on 11/18/25
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

141 Terms

1
New cards

aanpassing

Iedere eigenschap van een organisme die zijn overlevingskans vergroot.

2
New cards

AB0-bloedgroep

van de vele antigeensystemen op je rode bloedcellen.

3
New cards

abiotisch

Tot de levenloze natuur behorend.

4
New cards

acute afstoting

Als het transplantaat na enkele dagen tot enkele weken na de transplantatie wordt afgestoten.

5
New cards

afweersysteem (immuunsysteem)

Het geheel aan mechanismen in je lichaam dat ziekteverwekkers onschadelijk maakt.

6
New cards

agglutinatie

Samenklontering van bloedcellen door agglutininen uit het bloedplasma.

7
New cards

AIDS

Acquired Immune Deficiency Syndrome. 

8
New cards

allergenen

Antigenen die een allergische reactie veroorzaken.

9
New cards

ammonificatie

Omzetting van organische stikstofverbindingen in o.a. ammoniumionen.

10
New cards

antibioticum

Stoffen die door sommige schimmels worden gemaakt als afweer tegen bacteriën.

11
New cards

antigeen

Het kenmerkend deeltje van een cel of virus dat past op een celreceptor van een lymfocyt.

12
New cards

antilichaam of antistof

immunoglobuline, eiwitmolecule die op één bepaald antigeen reageert.

13
New cards

antiresus

Antistoffen tegen resus; worden ingespoten na geboorte van resuspositieve baby uit resusnegatieve moeder.

14
New cards

antiserum

Serum met antistoffen (immuoglobulinen) tegen een bepaalde ziekteverwekker.

15
New cards

auto-immuunziekte

Als je antistoffen maakt tegen lichaamseigen antigenen (bijvoorbeeld suikerziekte en reuma).

16
New cards

beperkende factor

De factor die het maximum van een proces bepaalt (vooral met betrekking tot groeiprocessen).

17
New cards

besmetting

Zodra een ziekteverwekkend micro-organisme het lichaam is binnengedrongen.

18
New cards

biochemische barrière

Onschadelijke bacteriën die normaal op de huid voorkomen: scheiden stoffen af die de groei van schadelijke bacteriën remmen.

19
New cards

biodiversiteit

Mate van soortenrijkdom

20
New cards

bio-indicator (kensoort)

Een organisme dat door zijn aanwezigheid informatie geeft over één of meer plaatselijke milieufactoren.

21
New cards

biologisch evenwicht

Situatie waarin de grootte van de populaties van een ecosysteem weinig schommelt.

22
New cards

biomassa

De hoeveelheid droge of natte massa van organismen op een bepaald terreinoppervlak.

23
New cards

biosfeer

Deel van de Aarde waar leven mogelijk is.

24
New cards

biotisch

Tot de levende natuur behorend.

25
New cards

biotoop

Het totaal van abiotische factoren in een ecosysteem.

26
New cards

B-lymfocyten

Leukocyten die zorgen voor de humorale immuniteit.

27
New cards

cellulaire fractie

Het deel van het bloed bestaande uit cellen.

28
New cards

cellulaire immuniteit

Immuniteit veroorzaakt door cytotoxische T-cellen.

29
New cards

Celreceptoren

Karakteristieke eigen antigenen die antigenen van ziekteverwekker volgens het sleutel-slot model als tangetjes kunnen presenteren.

30
New cards

chemotaxis

Het proces waarbij fagocyten worden gelokt door signaalmoleculen, die afgegeven zijn door beschadigde cellen van de huid.

31
New cards

chronische afstoting

Als gedurende enkele maanden een geleidelijke beschadiging van het transplantaat plaats vindt.

32
New cards

climax-ecosysteem

Eindstadium van successie, een stabiel ecosysteem (bos, tropisch regenwoud).

33
New cards

commensalisme

Samenleving van organismen van twee verschillende soorten waarbij een soort voordeel heeft van de samenleving en de ander geen nadeel. (+/0)

34
New cards

concurrentie

Proces waarbij individuen of soorten elkaar in hun bestaan nadelig beïnvloeden (door bijv. gebrek aan voedsel/ruimte).

35
New cards

cytokinen

Eiwitten, afgegeven door lymfocyten, die functioneren als signaalstoffen voor andere lymfocyten zoals B-cellen en T-cellen en andere afweercellen.

36
New cards

cytotoxische T-cellen

Leukocyten die in staat zijn om lichaamscellen te vernietigen die geïnfecteerd zijn met virussen: deel van specifieke afweersysteem.

37
New cards

demineralisering

Verwijdering van mineralen (bijv. fosfaat en nitraat uit rioolwater).

38
New cards

denitrificatie

Omzetting door bacteriën van nitraationen in het gas stikstof.

39
New cards

dispersie

Natuurlijke verspreiding van een soort.

40
New cards

drooggewicht

Het gewicht van gedroogd biotisch materiaal, teneinde het gewicht van de opgenomen en geproduceerde stoffen te bepalen, en zo onafhankelijk te zijn van de sterk wisselende watergehaltes van organismen. Vergelijking wordt hierdoor 'eerlijker'.

41
New cards

ecologie (oecologie)

De wetenschap die relaties bestudeert tussen organismen en hun milieu.

42
New cards

Ecosysteem

Biotische- en abiotische factoren samen in een min of meer natuurlijk begrensd deel van de biosfeer.

43
New cards

emigratie

Definitief vertrek uit een gebied of uit een populatie.

44
New cards

epidemie

Een snelle toename van het aantal lijders aan een bepaalde besmettelijke ziekte. Vaak wordt dan van een epidemie gesproken als er meer van 15 mensen per 10.000 inwoners ziek zijn.

45
New cards

eutrofiering

Toename van de hoeveelheid voedingsstoffen in een ecosysteem.

46
New cards

eutroof

Voedselrijk

47
New cards

exoot

Soort die zich buiten zijn natuurlijke verspreidingsgebied heeft gevestigd.

48
New cards

fagocytose

Het 'opeten' van ziekteverwekkers door granulocyten en macrofagen. fysische barrière De eerste afweerlinie, de niet-specifieke afweer.

49
New cards

geboortecijfer

Aantal dieren van een populatie dat per tijdseenheid door voortplanting ontstaat.

50
New cards

geheugen B-cellen

Dochtercellen van de B-lymfocyten die bij de secundaire immuunreactie weer plasmacellen maken.

51
New cards

habitat

De plaats waar een soort leeft, gekenmerkt door bepaalde biotische en abiotische factoren.

52
New cards

helper T-cellen

Verzorgen de communicatie tussen macrofagen en lymfocyten.

53
New cards

hemolyse

Het kapot gaan van de rode bloedcellen door het samenklonteren.

54
New cards

HIV

Human Immunodeficiency Virus.

55
New cards

HLA(=MHC)

Antigenen die viruseiwitten presenteren zodat bijv. cytotoxische T-cellen zich daaraan kunnen binden.

56
New cards

humorale immuniteit

Immuniteit veroorzaakt door antistoffen (in vloeistoffen).

57
New cards

humus

Gedeeltelijk afgebroken plantaardige en dierlijke resten; indien aanwezig bovenste laag van de bodem.

58
New cards

hyperacute afstoting

Als het transplantaat binnen enkele minuten wordt afgestoten.

59
New cards

hypertroof

Een overmaat aan voedingsstoffen (ook wel: over-eutroof) (doorgaans gebruikt met betrekking tot water).

60
New cards

immigratie

Aankomst en vestiging in een bepaald gebied of populatie.

61
New cards

immunoglobulinen

Bolvormige eiwitten die als losse antistoffen in het bloed afweer verzorgen.

62
New cards

incubatietijd

De tijd vanaf de besmetting tot het optreden van de eerste ziekteverschijnselen.

63
New cards

infectie

Als de ziekteverwekker de kans krijgt zich te vermenigvuldigen in het lichaam ontstaat er een infectie.

64
New cards

invasieve soort

Soort die zich buiten zijn natuurlijke verspreidingsgebied heeft gevestigd.

65
New cards

J-curve

Grafiek die het verband weergeeft tussen de populatiegrootte en de tijd bij exponentiele groei van die populatie (plaag).

66
New cards

klonale selectie

Het proces waarbij een B-lymfocyt geselecteerd wordt door binding met een antigeen en waarna de betreffende B-lymfocyt zich gaat delen.

67
New cards

knolletjesbacteriën

Bacteriën die lucht stikstof kunnen binden en omzetten tot voedingszouten voor planten waarmee ze samenleven (o.a. vlinderbloemigen).

68
New cards

kolonisatie

Zich blijvend vestigen en uitbreiden van een soort in een 'nieuw' gebied.

69
New cards

kringloop

Alle stoffen doorlopen een kringloop (behalve zonlicht) via: producenten - consumenten - reducenten.

70
New cards

LD-50

dosis van een stof waarbij 50% van de proefdieren dood gaat (LD=Letale Dosis).

71
New cards

leukocyt

Witte bloedcel; behoort tot het afweersysteem.

72
New cards

levensgemeenschap

Alle organismen in een ecosysteem.

73
New cards

lysosoomfusie

De fusie van het fagosoom met de lysosomen waarna de inhoud door enzymen wordt afgebroken.

74
New cards

lysozym

Een enzym dat de celwand van de bacterie afbreekt.

75
New cards

macrofaag

Een fagocyt die een bacterie of dood celmateriaal via endocytose opneemt en verteert; restjes bacterie-eiwit, en daarmee bacterie- antigenen, komen in het celmembraan van de macrofaag terecht. Bij contact met een lymfocyt wordt de lymfocyt door alleen deze bacterie- antigenen geactiveerd.

76
New cards

MAC-waarde

De norm voor stoffen waaraan mensen in bedrijfssituaties maximaal mogen worden blootgesteld (MAC=Maximaal Aanvaardbare Concentratie).

77
New cards

mestcellen

Leukocyten die in slijmvliezen en dichtbij bloedvaten liggen en histaminen produceren na contact met allergenen.

78
New cards

MHC-I

Antigeen op lichaamscel die viruseitwit presenteert voor Tc-cel

79
New cards

MHC-II

Antigeen op facocyt die viruseiwit presenteert voor Th-cel

80
New cards

MHC-restrictie

Cytotoxische T-cellen kunnen alleen geïnfecteerde cellen vernietigen als ze contact kunnen maken met de viruseiwitten en MHC-receptoren van het eigen lichaam op het membraan.

81
New cards

milieu

Leefomgeving: de gezamenlijke biotische- en abiotische factoren.

82
New cards

mineralisatie

Omzetting door reducenten van organische verbindingen in o.a. anorganische zouten.

83
New cards

monocultuur

Verbouwen van een cultuurgewas op een groot oppervlak.

84
New cards

monoklonale antistoffen

Antistoffen die door B-cel hybridoma's gemaakt worden.

85
New cards

MRSA

De 'ziekenhuisbacterie' methicilline resistente Staphylococcus aureus.

86
New cards

mutatie

Verandering in het erfelijk materiaal.

87
New cards

mutualisme

Samenleving van organismen van verschillende soort waarbij beide voordeel hebben. (+/+)

88
New cards

natural-killer-cellen (NK-cel)

Cellen van de 2e afweerlinie die door middel van membraandoorborende eiwitten de met een virus geïnfecteerde cellen vernietigen

89
New cards

natuurlijk evenwicht

Een situatie in een bepaald gebied waarbij de soortensamenstelling en de aantallen per soort weinig veranderen. Dit wordt veroorzaakt door wederzijdse afhankelijkheid van verschillende soorten bij vrij constante abiotische factoren.

90
New cards

netto reproductiefactor

Quotiënt van geboorte- en sterftecijfer van een populatie.

91
New cards

neutralisatie

Het onschadelijk maken van virussen, bacteriën of toxinen doordat de antistoffen de bindingsplaats blokkeren.

92
New cards

niche (= nis)

Rol die een soort in een ecosysteem vervult (bijv. aaseter).

93
New cards

nitraatbacteriën

Bacteriën die nitriet-ionen omzetten in nitraationen (voor planten opneembare vorm).

94
New cards

nitrietbacteriën

Bacteriën die ammoniumionen omzetten in nitrietionen.

95
New cards

nitrificatie

Omzetting van ammoniumionen in nitraationen.

96
New cards

oligotroof

Arm aan voedingsstoffen

97
New cards

ontstekingsreactie

Het mechanisme van chemotaxis en bloedvatverwijding tezamen.

98
New cards

optimum

Omstandigheden waaronder een proces het beste verloopt.

99
New cards

optimumkromme

Grafische voorstelling van een proces waarbij het optimum het hoogste punt is.

100
New cards

parasiet

Organisme of virus dat al of niet tijdelijk in of op een individu van een andere soort voorkomt en er zijn voedsel aan onttrekt.