1/140
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
aanpassing
Iedere eigenschap van een organisme die zijn overlevingskans vergroot.
AB0-bloedgroep
van de vele antigeensystemen op je rode bloedcellen.
abiotisch
Tot de levenloze natuur behorend.
acute afstoting
Als het transplantaat na enkele dagen tot enkele weken na de transplantatie wordt afgestoten.
afweersysteem (immuunsysteem)
Het geheel aan mechanismen in je lichaam dat ziekteverwekkers onschadelijk maakt.
agglutinatie
Samenklontering van bloedcellen door agglutininen uit het bloedplasma.
AIDS
Acquired Immune Deficiency Syndrome.
allergenen
Antigenen die een allergische reactie veroorzaken.
ammonificatie
Omzetting van organische stikstofverbindingen in o.a. ammoniumionen.
antibioticum
Stoffen die door sommige schimmels worden gemaakt als afweer tegen bacteriën.
antigeen
Het kenmerkend deeltje van een cel of virus dat past op een celreceptor van een lymfocyt.
antilichaam of antistof
immunoglobuline, eiwitmolecule die op één bepaald antigeen reageert.
antiresus
Antistoffen tegen resus; worden ingespoten na geboorte van resuspositieve baby uit resusnegatieve moeder.
antiserum
Serum met antistoffen (immuoglobulinen) tegen een bepaalde ziekteverwekker.
auto-immuunziekte
Als je antistoffen maakt tegen lichaamseigen antigenen (bijvoorbeeld suikerziekte en reuma).
beperkende factor
De factor die het maximum van een proces bepaalt (vooral met betrekking tot groeiprocessen).
besmetting
Zodra een ziekteverwekkend micro-organisme het lichaam is binnengedrongen.
biochemische barrière
Onschadelijke bacteriën die normaal op de huid voorkomen: scheiden stoffen af die de groei van schadelijke bacteriën remmen.
biodiversiteit
Mate van soortenrijkdom
bio-indicator (kensoort)
Een organisme dat door zijn aanwezigheid informatie geeft over één of meer plaatselijke milieufactoren.
biologisch evenwicht
Situatie waarin de grootte van de populaties van een ecosysteem weinig schommelt.
biomassa
De hoeveelheid droge of natte massa van organismen op een bepaald terreinoppervlak.
biosfeer
Deel van de Aarde waar leven mogelijk is.
biotisch
Tot de levende natuur behorend.
biotoop
Het totaal van abiotische factoren in een ecosysteem.
B-lymfocyten
Leukocyten die zorgen voor de humorale immuniteit.
cellulaire fractie
Het deel van het bloed bestaande uit cellen.
cellulaire immuniteit
Immuniteit veroorzaakt door cytotoxische T-cellen.
Celreceptoren
Karakteristieke eigen antigenen die antigenen van ziekteverwekker volgens het sleutel-slot model als tangetjes kunnen presenteren.
chemotaxis
Het proces waarbij fagocyten worden gelokt door signaalmoleculen, die afgegeven zijn door beschadigde cellen van de huid.
chronische afstoting
Als gedurende enkele maanden een geleidelijke beschadiging van het transplantaat plaats vindt.
climax-ecosysteem
Eindstadium van successie, een stabiel ecosysteem (bos, tropisch regenwoud).
commensalisme
Samenleving van organismen van twee verschillende soorten waarbij een soort voordeel heeft van de samenleving en de ander geen nadeel. (+/0)
concurrentie
Proces waarbij individuen of soorten elkaar in hun bestaan nadelig beïnvloeden (door bijv. gebrek aan voedsel/ruimte).
cytokinen
Eiwitten, afgegeven door lymfocyten, die functioneren als signaalstoffen voor andere lymfocyten zoals B-cellen en T-cellen en andere afweercellen.
cytotoxische T-cellen
Leukocyten die in staat zijn om lichaamscellen te vernietigen die geïnfecteerd zijn met virussen: deel van specifieke afweersysteem.
demineralisering
Verwijdering van mineralen (bijv. fosfaat en nitraat uit rioolwater).
denitrificatie
Omzetting door bacteriën van nitraationen in het gas stikstof.
dispersie
Natuurlijke verspreiding van een soort.
drooggewicht
Het gewicht van gedroogd biotisch materiaal, teneinde het gewicht van de opgenomen en geproduceerde stoffen te bepalen, en zo onafhankelijk te zijn van de sterk wisselende watergehaltes van organismen. Vergelijking wordt hierdoor 'eerlijker'.
ecologie (oecologie)
De wetenschap die relaties bestudeert tussen organismen en hun milieu.
Ecosysteem
Biotische- en abiotische factoren samen in een min of meer natuurlijk begrensd deel van de biosfeer.
emigratie
Definitief vertrek uit een gebied of uit een populatie.
epidemie
Een snelle toename van het aantal lijders aan een bepaalde besmettelijke ziekte. Vaak wordt dan van een epidemie gesproken als er meer van 15 mensen per 10.000 inwoners ziek zijn.
eutrofiering
Toename van de hoeveelheid voedingsstoffen in een ecosysteem.
eutroof
Voedselrijk
exoot
Soort die zich buiten zijn natuurlijke verspreidingsgebied heeft gevestigd.
fagocytose
Het 'opeten' van ziekteverwekkers door granulocyten en macrofagen. fysische barrière De eerste afweerlinie, de niet-specifieke afweer.
geboortecijfer
Aantal dieren van een populatie dat per tijdseenheid door voortplanting ontstaat.
geheugen B-cellen
Dochtercellen van de B-lymfocyten die bij de secundaire immuunreactie weer plasmacellen maken.
habitat
De plaats waar een soort leeft, gekenmerkt door bepaalde biotische en abiotische factoren.
helper T-cellen
Verzorgen de communicatie tussen macrofagen en lymfocyten.
hemolyse
Het kapot gaan van de rode bloedcellen door het samenklonteren.
HIV
Human Immunodeficiency Virus.
HLA(=MHC)
Antigenen die viruseiwitten presenteren zodat bijv. cytotoxische T-cellen zich daaraan kunnen binden.
humorale immuniteit
Immuniteit veroorzaakt door antistoffen (in vloeistoffen).
humus
Gedeeltelijk afgebroken plantaardige en dierlijke resten; indien aanwezig bovenste laag van de bodem.
hyperacute afstoting
Als het transplantaat binnen enkele minuten wordt afgestoten.
hypertroof
Een overmaat aan voedingsstoffen (ook wel: over-eutroof) (doorgaans gebruikt met betrekking tot water).
immigratie
Aankomst en vestiging in een bepaald gebied of populatie.
immunoglobulinen
Bolvormige eiwitten die als losse antistoffen in het bloed afweer verzorgen.
incubatietijd
De tijd vanaf de besmetting tot het optreden van de eerste ziekteverschijnselen.
infectie
Als de ziekteverwekker de kans krijgt zich te vermenigvuldigen in het lichaam ontstaat er een infectie.
invasieve soort
Soort die zich buiten zijn natuurlijke verspreidingsgebied heeft gevestigd.
J-curve
Grafiek die het verband weergeeft tussen de populatiegrootte en de tijd bij exponentiele groei van die populatie (plaag).
klonale selectie
Het proces waarbij een B-lymfocyt geselecteerd wordt door binding met een antigeen en waarna de betreffende B-lymfocyt zich gaat delen.
knolletjesbacteriën
Bacteriën die lucht stikstof kunnen binden en omzetten tot voedingszouten voor planten waarmee ze samenleven (o.a. vlinderbloemigen).
kolonisatie
Zich blijvend vestigen en uitbreiden van een soort in een 'nieuw' gebied.
kringloop
Alle stoffen doorlopen een kringloop (behalve zonlicht) via: producenten - consumenten - reducenten.
LD-50
dosis van een stof waarbij 50% van de proefdieren dood gaat (LD=Letale Dosis).
leukocyt
Witte bloedcel; behoort tot het afweersysteem.
levensgemeenschap
Alle organismen in een ecosysteem.
lysosoomfusie
De fusie van het fagosoom met de lysosomen waarna de inhoud door enzymen wordt afgebroken.
lysozym
Een enzym dat de celwand van de bacterie afbreekt.
macrofaag
Een fagocyt die een bacterie of dood celmateriaal via endocytose opneemt en verteert; restjes bacterie-eiwit, en daarmee bacterie- antigenen, komen in het celmembraan van de macrofaag terecht. Bij contact met een lymfocyt wordt de lymfocyt door alleen deze bacterie- antigenen geactiveerd.
MAC-waarde
De norm voor stoffen waaraan mensen in bedrijfssituaties maximaal mogen worden blootgesteld (MAC=Maximaal Aanvaardbare Concentratie).
mestcellen
Leukocyten die in slijmvliezen en dichtbij bloedvaten liggen en histaminen produceren na contact met allergenen.
MHC-I
Antigeen op lichaamscel die viruseitwit presenteert voor Tc-cel
MHC-II
Antigeen op facocyt die viruseiwit presenteert voor Th-cel
MHC-restrictie
Cytotoxische T-cellen kunnen alleen geïnfecteerde cellen vernietigen als ze contact kunnen maken met de viruseiwitten en MHC-receptoren van het eigen lichaam op het membraan.
milieu
Leefomgeving: de gezamenlijke biotische- en abiotische factoren.
mineralisatie
Omzetting door reducenten van organische verbindingen in o.a. anorganische zouten.
monocultuur
Verbouwen van een cultuurgewas op een groot oppervlak.
monoklonale antistoffen
Antistoffen die door B-cel hybridoma's gemaakt worden.
MRSA
De 'ziekenhuisbacterie' methicilline resistente Staphylococcus aureus.
mutatie
Verandering in het erfelijk materiaal.
mutualisme
Samenleving van organismen van verschillende soort waarbij beide voordeel hebben. (+/+)
natural-killer-cellen (NK-cel)
Cellen van de 2e afweerlinie die door middel van membraandoorborende eiwitten de met een virus geïnfecteerde cellen vernietigen
natuurlijk evenwicht
Een situatie in een bepaald gebied waarbij de soortensamenstelling en de aantallen per soort weinig veranderen. Dit wordt veroorzaakt door wederzijdse afhankelijkheid van verschillende soorten bij vrij constante abiotische factoren.
netto reproductiefactor
Quotiënt van geboorte- en sterftecijfer van een populatie.
neutralisatie
Het onschadelijk maken van virussen, bacteriën of toxinen doordat de antistoffen de bindingsplaats blokkeren.
niche (= nis)
Rol die een soort in een ecosysteem vervult (bijv. aaseter).
nitraatbacteriën
Bacteriën die nitriet-ionen omzetten in nitraationen (voor planten opneembare vorm).
nitrietbacteriën
Bacteriën die ammoniumionen omzetten in nitrietionen.
nitrificatie
Omzetting van ammoniumionen in nitraationen.
oligotroof
Arm aan voedingsstoffen
ontstekingsreactie
Het mechanisme van chemotaxis en bloedvatverwijding tezamen.
optimum
Omstandigheden waaronder een proces het beste verloopt.
optimumkromme
Grafische voorstelling van een proces waarbij het optimum het hoogste punt is.
parasiet
Organisme of virus dat al of niet tijdelijk in of op een individu van een andere soort voorkomt en er zijn voedsel aan onttrekt.