1/32
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Episodisch geheugen
specifieke gebeurtenissen uit je eigen leven te herinneren
Semantisch geheugen
kennis
Categorisatie
opdelen van de wereld in groepen van voorwerpen
Inductie
de categorie waarin een voorwerp geplaatst wordt, worden verschillende eigenschappen toegeschreven aan dat voorwerp.
Concept (aanzet tot leren)
Een concept is een mentale representatie van een categorie (vb. vogel).
Vaak koppelen we hier typische eigenschappen aan (vb. vogels vliegen, hebben veren, leggen eieren).
Maar die eigenschappen zijn geen vaste regels : ze kunnen veranderen door nieuwe informatie.
Conceptuele combinaties
en nieuw samengesteld woord of begrip dat ontstaat door twee bestaande concepten samen te voegen.
Vb. oceaangeleerde, vissen, oceaanwolk, oceaanboot, oceaanwater, oceaankaart
Family resemblance methode
de mate waarin een concept eigenschappen deelt met andere leden van dezelfde categorie.
Typische exemplaren (vb. stoel bij meubelen) hebben veel overlappende eigenschappen met andere leden.
Minder typische exemplaren (vb. schilderij bij meubelen) hebben weinig overlappende eigenschappen.
Typicaliteitsbeoordeling
Moeten voor elke categorie de verschillende concepten rangschikken van meest typisch tot minst typisch
Genereren van eigenschappen
Moeten voor elk van de concepten de definiërende eigenschappen opsommen
Contrastcategorieën
concepten die minder exclusief zijn voor één categorie, omdat ze ook bij andere passen (tegengestelden, onderscheiden)
Prototypische visie
Categorisatie en typicaliteit is gebaseerd op de gelijkenis met het prototype
Prototype = het meest typische, centrale voorbeeld van een categorie.
Vb. appel is prototype van fruit
Exemplaarvisie
categorisatie en typicaliteit is gebaseerd op de gelijkenis met de opgeslagen exemplaren (geheugensporen)
Generische visie
Abstractie = continuüm (i.p.v. dichotomie) met prototype en exemplaarmodel als de extremen, maar met tussenliggende niveaus van abstractie (subprototypes of superexemplaren)
Gaat uit van een variërende abstractie
Theorie gebaseerde visie
Heeft in eerste instantie kritiek op similariteitsgebaseerde visies : kunnen niet goed verklaren wat relevant is en wat niet
Leggen de focus op de samenhang van een concept, gebaseerd op de ‘lekentheorie’
We categoriseren niet omdat dingen lijken op elkaar
We categoriseren omdat we begrijpen hoe dingen in elkaar zitten
Twee patroon hypothese
behouden benoemingspatronen van beide talen
Een patroon hypothese
één gemeenschappelijk benoemingspatroon voor beide talen (verschillende van beide afzonderlijke patronen)
Tussenpositie hypothese
positie van het benoemingspatroon van de tweetaligen hangt af van de relatieve invloed van beide talen (kan iets meer doorwegen naar de ene of de andere taal)
Polyseme woorden
verschillende woorden met verwante betekenissen
Vb. boek (voorwerp, inhoud), kerk (gebouw, geloof)
Exhaustieve theorie
alle betekenissen altijd geactiveerd, ongeacht context en relatieve frequentie
Geordende zoekhypothese
seriële activatie o.b.v. relatieve frequentie; stoppen bij plausibele betekenis
Contextafhankelijke lexicale toegang
enkel betekenis die relevant is voor context wordt geactiveerd
Homonymen
verschillende woorden zijn ongerelateerd → 2 betekenissen en heeft niks met elkaar te maken
Vb. bank (zitmeubel heeft niks te maken met financiële bank)
Modifier
eerste deel van een woord
Manier waarop modifier gewoonlijk gecombineerd wordt met andere woorden bepaalt de responstijd voor het interpreteren van een combinatie
Vlugger bij iets die vaker voorkomt (leeprocessen : gewoonte)
Geeft de richting aan door de semantische rol (niet door de plaats van de modifier)
Head noun
Tweede deel van een woord
Domeinspecifieke kennis
Concepten onderscheiden in concepten die verwijzen naar levende vs niet-levende dingen (fundamenteel verschillend)
Reden : op verschillende momenten belangrijk in evolutie → op verschillende plekken in hersenen bewaard
Modaliteitsspecifieke kennis
Semantische kennis van natuurlijke soorten gebaseerd op perceptuele eigenschappen (vorm, kleur, geluid)
Semantische kennis van artefacten gebaseerd op functionele eigenschappen
Stimulus onset asynchrony SOA
tijdsinterval tussen begin presentatie prime en begin presentatie target
< 250 msec → automatische verwerking (geen strategieën toegepast)
Priming het sterkste bij ‘automatische verwerking’
Affectieve priming
om uit te maken ‘is een doelwoord positief (of negatief) in betekenis?
Affectieve priming sterk bij ‘automatische verwerking’ → toont aan dat affectiviteit een belangrijke rol in onze semantiek speelt
Affectieve priming verdwijnt bij lange SOA (SOA > 1000 msec)
Maar er treden geen primingeffecten op bij korte hoogfrequente woorden
Hiërarchisch netwerkmodel
Elk knooppunt → woord
Bij elk knooppunt ook essentiële eigenschappen verteld die voor dat woord en alle woorden onder dat woord gelden
Bovenaan : brede categorieën
Onderaan : specifieke concepten
Woordassociatienetwerk
Moderne versie van holistisch model met activatie via spreidingsprincipe
Sterkte van verspreide activatie neemt af met tijd/(semantische)afstand
Gebruikt voor succesvolle predictie van...
Vergeten van aangeleerde zinnen
Herinneren van feiten
Leren van zinnen
Priming
Opmerking : patiënt met Schizofrenie veel meer connecties → hierdoor lijkt denken verward
Associatieve sterkte
de kans dat een bepaald responswoord wordt gegeven wanneer een bepaald cuewoord wordt aangeboden.
vb. hoe waarschijnlijk is het dat iemand sport zegt als hij atleet als cue krijgt?
Cosinus similariteit
Gezamenlijke directe buren
Cosinus similariteit berekent de hoek tussen twee vectoren
Kleine hoek → hoge gelijkenis (cosinus dicht bij 1).
Grote hoek → lage gelijkenis (cosinus dicht bij 0).
Gebruikt enkel lokale structuur van een woord
vb. atleet - sportman → hoge cosinus/hoge gelijkenis (zelfde associaties met dezelfde sterktes)
Kan synoniemen geven!
Vergelijkbare associatiepatronen
Vb. dokter en arts → beide geassocieerd met ziekenhuis, patiënt, geneeskunde.
Random walk
kijkt naar de globale structuur: hoe een woord verbonden is met de hele netwerkruimte.
Gezamenlijke (in)directe buren
Gebruikt globale structuur van het netwerk
Maakt gebruik van activatiespreiding