Kaarten: Functieleer 2 Taal | Quizlet

0.0(0)
studied byStudied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/32

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 3:02 PM on 1/11/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

33 Terms

1
New cards

Episodisch geheugen

specifieke gebeurtenissen uit je eigen leven te herinneren

2
New cards

Semantisch geheugen

kennis

3
New cards

Categorisatie

opdelen van de wereld in groepen van voorwerpen

4
New cards

Inductie

de categorie waarin een voorwerp geplaatst wordt, worden verschillende eigenschappen toegeschreven aan dat voorwerp.

5
New cards

Concept (aanzet tot leren)

Een concept is een mentale representatie van een categorie (vb. vogel).

Vaak koppelen we hier typische eigenschappen aan (vb. vogels vliegen, hebben veren, leggen eieren).

Maar die eigenschappen zijn geen vaste regels : ze kunnen veranderen door nieuwe informatie.

6
New cards

Conceptuele combinaties

en nieuw samengesteld woord of begrip dat ontstaat door twee bestaande concepten samen te voegen.

Vb. oceaangeleerde, vissen, oceaanwolk, oceaanboot, oceaanwater, oceaankaart

7
New cards

Family resemblance methode

de mate waarin een concept eigenschappen deelt met andere leden van dezelfde categorie.

Typische exemplaren (vb. stoel bij meubelen) hebben veel overlappende eigenschappen met andere leden.

Minder typische exemplaren (vb. schilderij bij meubelen) hebben weinig overlappende eigenschappen.

8
New cards

Typicaliteitsbeoordeling

Moeten voor elke categorie de verschillende concepten rangschikken van meest typisch tot minst typisch

9
New cards

Genereren van eigenschappen

Moeten voor elk van de concepten de definiërende eigenschappen opsommen

10
New cards

Contrastcategorieën

concepten die minder exclusief zijn voor één categorie, omdat ze ook bij andere passen (tegengestelden, onderscheiden)

11
New cards

Prototypische visie

Categorisatie en typicaliteit is gebaseerd op de gelijkenis met het prototype

Prototype = het meest typische, centrale voorbeeld van een categorie.

Vb. appel is prototype van fruit

12
New cards

Exemplaarvisie

categorisatie en typicaliteit is gebaseerd op de gelijkenis met de opgeslagen exemplaren (geheugensporen)

13
New cards

Generische visie

Abstractie = continuüm (i.p.v. dichotomie) met prototype en exemplaarmodel als de extremen, maar met tussenliggende niveaus van abstractie (subprototypes of superexemplaren)

Gaat uit van een variërende abstractie

14
New cards

Theorie gebaseerde visie

Heeft in eerste instantie kritiek op similariteitsgebaseerde visies : kunnen niet goed verklaren wat relevant is en wat niet

Leggen de focus op de samenhang van een concept, gebaseerd op de ‘lekentheorie’

We categoriseren niet omdat dingen lijken op elkaar

We categoriseren omdat we begrijpen hoe dingen in elkaar zitten

15
New cards

Twee patroon hypothese

behouden benoemingspatronen van beide talen

16
New cards

Een patroon hypothese

één gemeenschappelijk benoemingspatroon voor beide talen (verschillende van beide afzonderlijke patronen)

17
New cards

Tussenpositie hypothese

positie van het benoemingspatroon van de tweetaligen hangt af van de relatieve invloed van beide talen (kan iets meer doorwegen naar de ene of de andere taal)

18
New cards

Polyseme woorden

verschillende woorden met verwante betekenissen

Vb. boek (voorwerp, inhoud), kerk (gebouw, geloof)

19
New cards

Exhaustieve theorie

alle betekenissen altijd geactiveerd, ongeacht context en relatieve frequentie

20
New cards

Geordende zoekhypothese

seriële activatie o.b.v. relatieve frequentie; stoppen bij plausibele betekenis

21
New cards

Contextafhankelijke lexicale toegang

enkel betekenis die relevant is voor context wordt geactiveerd

22
New cards

Homonymen

verschillende woorden zijn ongerelateerd → 2 betekenissen en heeft niks met elkaar te maken

Vb. bank (zitmeubel heeft niks te maken met financiële bank)

23
New cards

Modifier

eerste deel van een woord

Manier waarop modifier gewoonlijk gecombineerd wordt met andere woorden bepaalt de responstijd voor het interpreteren van een combinatie

Vlugger bij iets die vaker voorkomt (leeprocessen : gewoonte)

Geeft de richting aan door de semantische rol (niet door de plaats van de modifier)

24
New cards

Head noun

Tweede deel van een woord

25
New cards

Domeinspecifieke kennis

Concepten onderscheiden in concepten die verwijzen naar levende vs niet-levende dingen (fundamenteel verschillend)

Reden : op verschillende momenten belangrijk in evolutie → op verschillende plekken in hersenen bewaard

26
New cards

Modaliteitsspecifieke kennis

Semantische kennis van natuurlijke soorten gebaseerd op perceptuele eigenschappen (vorm, kleur, geluid)

Semantische kennis van artefacten gebaseerd op functionele eigenschappen

27
New cards

Stimulus onset asynchrony SOA

tijdsinterval tussen begin presentatie prime en begin presentatie target

< 250 msec → automatische verwerking (geen strategieën toegepast)

Priming het sterkste bij ‘automatische verwerking’

28
New cards

Affectieve priming

om uit te maken ‘is een doelwoord positief (of negatief) in betekenis?

Affectieve priming sterk bij ‘automatische verwerking’ → toont aan dat affectiviteit een belangrijke rol in onze semantiek speelt

Affectieve priming verdwijnt bij lange SOA (SOA > 1000 msec)

Maar er treden geen primingeffecten op bij korte hoogfrequente woorden

29
New cards

Hiërarchisch netwerkmodel

Elk knooppunt → woord

Bij elk knooppunt ook essentiële eigenschappen verteld die voor dat woord en alle woorden onder dat woord gelden

Bovenaan : brede categorieën

Onderaan : specifieke concepten

30
New cards

Woordassociatienetwerk

Moderne versie van holistisch model met activatie via spreidingsprincipe

Sterkte van verspreide activatie neemt af met tijd/(semantische)afstand

Gebruikt voor succesvolle predictie van...

Vergeten van aangeleerde zinnen

Herinneren van feiten

Leren van zinnen

Priming

Opmerking : patiënt met Schizofrenie veel meer connecties → hierdoor lijkt denken verward

31
New cards

Associatieve sterkte

de kans dat een bepaald responswoord wordt gegeven wanneer een bepaald cuewoord wordt aangeboden.

vb. hoe waarschijnlijk is het dat iemand sport zegt als hij atleet als cue krijgt?

32
New cards

Cosinus similariteit

Gezamenlijke directe buren

Cosinus similariteit berekent de hoek tussen twee vectoren

Kleine hoek → hoge gelijkenis (cosinus dicht bij 1).

Grote hoek → lage gelijkenis (cosinus dicht bij 0).

Gebruikt enkel lokale structuur van een woord

vb. atleet - sportman → hoge cosinus/hoge gelijkenis (zelfde associaties met dezelfde sterktes)

Kan synoniemen geven!

Vergelijkbare associatiepatronen

Vb. dokter en arts → beide geassocieerd met ziekenhuis, patiënt, geneeskunde.

33
New cards

Random walk

kijkt naar de globale structuur: hoe een woord verbonden is met de hele netwerkruimte.

Gezamenlijke (in)directe buren

Gebruikt globale structuur van het netwerk

Maakt gebruik van activatiespreiding