1/47
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Systeem 1
Het snelle, automatische en onbewuste denksysteem. Werkt moeiteloos, geeft een direct 'gevoel van inzicht' en gebruikt mentale shortcuts (heuristieken). Kenmerk: "What You See Is All There Is" (WYSIATI) - baseert zich alleen op direct beschikbare informatie
Systeem 2
Het langzame, analytische en bewuste denksysteem. Kost moeite, wordt actief bij complexe problemen en is nodig voor controle, correctie en logische analyse van de oordelen van Systeem 1
Propositie
Een abstracte uitspraak die waar of onwaar kan zijn (bv. 'Fido is een hond'
Inferentie
Gevolgtrekking; de overgang van premissen naar een conclusie. De eigenlijke afleiding van de conclusie uit de premissen binnen een redenering
Deductie
De sterkste vorm van redeneren waarbij de conclusie onomstotelijk (met logische noodzaak) uit de premissen volgt. Als de premissen waar zijn, is de conclusie 100% waar omwille van de logische vorm
Inductie
Een zwakkere vorm van redeneren van het bijzondere naar het algemene. Op basis van observaties van concrete gevallen wordt een algemene conclusie getrokken. De conclusie is nooit logisch geldig, hoogstens waarschijnlijk
Abductie
Een zwakkere vorm van redeneren, ook wel "inferentie naar de beste verklaring" genoemd. Je vertrekt van een waargenomen feit (gevolg) en redeneert terug naar de meest aannemelijke oorzaak of hypothese die dit feit verklaart
Logica
De normatieve studie van geldig deductief redeneren. Ze bestudeert de vorm van redeneringen, niet de feitelijke inhoud. Heeft een descriptieve kant (beschrijving van normen) en een prescriptieve/normatieve kant (voorschrijven van normen)
Propositielogica
De meest rudimentaire vorm van logica die het verband tussen proposities onderzoekt
Contradictorische uitspraken
Uitspraken die niet beide waar en niet beide onwaar kunnen zijn. Ze zijn elkaars exacte logische negatie. Eén van beide is altijd waar. Dit is de sterkste tegenstelling. (bv. "Het regent" vs. "Het regent niet")
Contraire uitspraken
Uitspraken die niet beide waar kunnen zijn, maar wel beide onwaar kunnen zijn. (bv. "Alle studenten zijn geslaagd" vs. "Geen enkele student is geslaagd")
Subcontraire uitspraken
Uitspraken die niet beide onwaar kunnen zijn, maar wel beide waar kunnen zijn. (bv. "Sommige studenten zijn geslaagd" vs. "Sommige studenten zijn niet geslaagd")
Geldige deductieve inferentie
Een redenering waarbij de conclusie ook echt noodzakelijk uit de premissen volgt. Praktische test: voeg aan de premissen de ontkenning van de conclusie toe; als die combinatie onmogelijk is, is de redenering geldig
Syllogisme
Een geldige redeneervorm bestaande uit: algemene regel
concreet geval → conclusie over dat geval. Ook wel categorisch syllogisme genoemd (met woorden als 'alle', 'geen', 'sommige')
Modus Ponens
(bevestigende vorm) Structuur: Als p, dan q (p → q) p Dus: q. Je bevestigt het antecedens (p) en mag daaruit concluderen dat ook het consequens (q) bevestigd moet worden
Modus Tollens
(ontkennende vorm) Structuur: Als p, dan q (p → q) niet q (¬q) Dus: niet p (¬p). Je ontkent het consequens (¬q) en mag daaruit concluderen dat ook het antecedens ontkend moet worden (¬p)
Bevestigen van het Consequens
(Converse fout) Een ongeldige redeneervorm: p → q, q Dus: p (ONGELDIG)
Ontkennen van het Antecedens
Een ongeldige redeneervorm: p → q, ¬p Dus: ¬q (ONGELDIG)
Geldigheid
Een redenering is geldig wanneer ze de regels van de logica volgt (de vorm klopt). Logica stelt de waarheid van premissen niet in vraag; feitelijke juistheid is irrelevant voor logica
Correctheid
Een redenering is correct wanneer ze geldig is EN alle premissen feitelijk waar zijn
Noodzakelijke voorwaarde
Een voorwaarde zonder welke het gevolg niet kan optreden. Iets dat noodzakelijk is voor het resultaat. Geldigheid is een noodzakelijke voorwaarde voor correctheid
Voldoende voorwaarde
Een voorwaarde waarbij, als ze vervuld is, het resultaat zeker volgt. Iets dat genoeg is voor het resultaat. Correctheid is een voldoende voorwaarde voor geldigheid
Enthymeem
Een redenering waarvan één of meerdere premissen verzwegen worden (niet expliciet worden uitgesproken)
Welwillendheidsprincipe
(Principle of Charity) Interpreteer uitspraken van anderen steeds op de meest redelijke en logisch coherente manier. Vul een enthymeem aan met de premisse die de redenering geldig maakt
Representativiteit
De geobserveerde gevallen (de steekproef) moeten een goede afspiegeling zijn van de hele groep (de populatie) waarover je een uitspraak wil doen
Foutenmarge
Hoe kleiner de steekproef, hoe groter de foutenmarge
Falsificatie
(Karl Popper) Een inductieve conclusie (hypothese) kan nooit definitief bewezen worden, maar wel weerlegd. Eén enkel tellend tegenvoorbeeld volstaat om de hypothese te falsifiëren. Een niet-gefalsifieerde hypothese is gecorroboreerd (bevestigd)
Gesloten domein
Een domein (bv. fysica) waarin verbanden/wetten stabiel en onveranderlijk zijn (niet van buitenaf wijzigbaar). Inductie werkt hier goed
Open domein
Een domein (bv. recht, sociale wetenschappen) waarin inzicht, relaties en wetten wijzigbaar zijn van buitenaf (bv. door nieuwe gebeurtenissen). Inductie is hier problematisch
Conservatieve verklaring
Een verklaring die verenigbaar is met bestaande, gevestigde kennis en overtuigingen
Eenvoudige verklaring
Een verklaring die geen ingewikkelde ad-hoc-hypothesen nodig heeft. (Zuignap van Ockham)
Ad-hoc-hypothese
Een hypothese die speciaal wordt bedacht om een bepaalde waarneming te verklaren zonder dat ze past in een breder theoretisch kader
Heuristiek
Een mentale vuistregel of 'shortcut' die helpt om snel en efficiënt beslissingen te nemen (Systeem 1). Een praktische benadering om iets te vinden of op te lossen; voldoende, maar niet per se optimaal. Bijv. vuistregels, beredeneerde gokken, gezond verstand
Bias
Een 'systematische vertekening', 'vooroordeel' of 'vooringenomenheid'. Een voorspelbare denkfout die ontstaat wanneer een heuristiek ons onder bepaalde omstandigheden systematisch op het verkeerde been zet
Self-serving bias
De neiging om succes aan onszelf toe te schrijven en mislukking aan anderen of omstandigheden
Fundamentele attributiefout
De neiging om gedrag van anderen vooral te verklaren door hun karakter of persoonlijkheid, en te weinig door de situatie
Verankering (Anchoring)
De neiging om bij het schatten van een waarde onevenredig veel gewicht te hechten aan een initieel getal (het 'anker'), ook al is dat willekeurig of irrelevant
Framing effect
De neiging om anders te oordelen of te kiezen wanneer dezelfde informatie op een verschillende manier wordt gepresenteerd (positief vs. negatief)
Bevestigingsbias
De neiging om informatie te zoeken, te onthouden en te interpreteren op een manier die de eigen bestaande overtuigingen bevestigt, terwijl tegengesteld bewijs wordt genegeerd of ondergewaardeerd
Opvattingspersistentie
Het vasthouden aan een overtuiging, zelfs nadat de oorspronkelijke bewijsvoering is ontkracht (verwant aan bevestigingsbias)
Post hoc, ergo propter hoc
(Latijn voor "erna, dus erdoor") De drogreden waarbij men aanneemt dat omdat gebeurtenis A plaatsvond voor gebeurtenis B, A de oorzaak was van B, zonder bewijs voor een causaal verband
Hindsight bias
(achterafwijsheid) De neiging om, nadat een gebeurtenis heeft plaatsgevonden, te denken dat men die uitkomst altijd al had kunnen voorspellen ("Ik wist het al de hele tijd")
Beschikbaarheidsheuristiek
De neiging om de waarschijnlijkheid van een gebeurtenis in te schatten op basis van hoe gemakkelijk voorbeelden in je opkomen (hoe 'beschikbaar' ze zijn in je geheugen)
Affectheuristiek
Het fenomeen dat beslissingen worden gestuurd door huidige emoties (positief of negatief gevoel). Als we iets leuk vinden, schatten we de risico's lager en de baten hoger in
Representativiteitsheuristiek
De neiging om de kans dat iets tot een bepaalde categorie behoort, in te schatten op basis van hoe goed het past bij het stereotype of prototype van die categorie, waarbij vaak voorbij wordt gegaan aan basiskansen
Valse dichotomie
Een denkfout waarbij ten onrechte wordt gesuggereerd dat er maar twee mogelijkheden zijn (vaak voorgesteld als contradictie), terwijl er meer opties bestaan. Bijv. "De speler veroorzaakte een strafschop" vs. "De speler veroorzaakte geen strafschop" wordt ten onrechte als contrair voorgesteld, maar neutraal zijn is een optie
Zuignap van Ockham
(Occam's Razor) Het principe dat de eenvoudigste verklaring (met de minste aannames) vaak de beste is. Wordt gebruikt bij abductief redeneren