Send a link to your students to track their progress
138 Terms
1
New cards
Geordend verband of netwerk
Een zekere voorspelbaarh ih handelen vd betrokken actoren
2
New cards
Sociale structuur
\= Een globale richtingaanwijzer vr het samenhandelen
3
New cards
Sociale normen
\= Normeren het samenhandelen met als doel een vlotte sociale omgang (formele (soms juridisch afdwingbaar) vs informele)
4
New cards
Sociale positie
\= De plaats die iemand inneemt in een sociale relatie in verhouding tot anderen; positiebekleder
5
New cards
Sociale rol
\= Geheel v verwachtingen over het handelen ve positiebekleder
6
New cards
Sociale ongelijkh
= Het bestaan ve asymmetrie of hiërarchie tss individuele of collectieve actoren; oneven verdeling v soc privileges
Obj en subj dimensie
7
New cards
Obj dimensie
Soc ongelijke verdeling v schaarse en alg hooggewaardeerde zaken als inkomen (economisch kapitaal), diploma’s (onderwijskapitaal) en macht (organisatiegebonden beslissingskapitaal)
8
New cards
Sociale of maatsch ladder
Treden verdeling v schaarse en hooggewaardeerde zaken; soc stijging en daling; obj dimensie
!= status/prestigeladder
9
New cards
Sociale mobiliteit
= Bewegen v individuen op soc ladder (obj dimensie)
Intragenerationeel: individuele levensloop
Intergenerationeel: ouders
10
New cards
Subj dimensie
\= Ongelijke waardering en behandeling v individuen of soc actoren
11
New cards
Statusincongruentie/-inconsistentie
Innemen v uiteenlopende soc posities binnen verschillende hiërarchische dimensies
=> Statusonzekerheid
12
New cards
Sociale laag/sociaal stratum
Groep v sociale posities die binnen de obj dimensie v sociale ongelijkh op min of meer dezelfde hoogte zitten
13
New cards
Soc stratificatie
De opdeling ve maatschappij, vanuit obj soc ongelijkh, in onderling ongelijke lagen v vglbare soc posities
14
New cards
Convivium
Mensen gaan voornamelijk om met mensen binnen hun eigen sociale laag
15
New cards
Connubium
Affectieve banden aangaan (huwen,…) met iemand binnen het eigen stratum
16
New cards
Klasse (alg zin)
Een soc stratum v onderling vglbare beroepsposities
17
New cards
Klasse (specifieke zin)
Een rel duurzaam soc stratum v huishoudens die vglbaar zijn vanuit het oogpunt vd obj soc ongelijkh
18
New cards
Klassenpositie (alg zin)
Beroepspositie binnen een bepaalde klasse
19
New cards
Klassenpositie (specifieke zin)
Pos ve leefeenheid binnen een bepaalde klasse
20
New cards
John Goldthorpe
Empirisch klassenmodel met 3 grote klassen & telkens 2 of meer subklassen/-strata;
baseert zich op de marktsituatie, werksituatie en scholingsgraad;
5 kritiekpunten op
21
New cards
Marktsituatie
Gebaseerd op: bron en hoogte v inkomen, inkomenszekerheid en mogelijkheden tot verbeteren v economische positie
22
New cards
Werksituatie
Gebaseerd op: plaats binnen bedrijf en mate v autonomie bij uitvoering v taken
23
New cards
Kritiekpunten op Goldthorpe
Houdt gn rekening met:
Evolutie v functies
Feitelijke vermogensverschillen buiten inkomen
OHafh individuen en gezinnen (onderklasse)
Geslachts- en etnisch gebonden stratificatie
Situatie v gezinnen in geheel (enkel mannelijke voorrangsregel mr nt altijd correct)
24
New cards
Uiteenlopende effecten v klassenongelijkh
Grotere inkomensongelijkh → daling v alg onderling vertrouwen, mentale gezondheid, prestatiegraad op school, soc mobiliteit, levensverwachting → stijging v obesitas, tienerzwangerschap, doodslag en gevangenispopulatie
Problemen vooral op onderste treden v soc ladder
Kleine inkomensongelijkh is beter vr milieu
25
New cards
Methodologisch nationalisme
Klassenongelkh binnen vooral nationale samenlevingen bestuderen (Beck);
nadeel: dr hierop te concentreren is er blindheid vr de transcontinentale factoren die ook invloed hebben op de klassenongelkh
26
New cards
Methodologisch kosmopolitisme
Mondiale benadering v klassenonglkh;
valt meteen op dat import uit lagelonenlanden invloed de gevolgen v inkomensongelijkh in vb BE indirect verkleint
27
New cards
Etnie
Een sociaal verband waarbinnen een zeker wij-gevoel leeft vanwege gemeenschap cultureel erfgoed;
etnische meerderheidsgroepen (vb Limburgers) en etnische minderhgroepen
28
New cards
Etnische stratificatie
Onderste treden w bevolkt dr uiteenlopende etnische groepen (heeft vaak veel te maken met rel slechte arbeidsmarkt- en werksituatie)
29
New cards
Geslachtsstratificatie
Veelvormige obj soc ongelijkh tss mannen en vrouwen, vb id seksuele arbeidsdeling
Schaduwarbeid: in privésfeer, chores; komen vaak bij vrouwen terecht
‘Typische vrouwelijke’ jobs: versterkt stereotypen want heeft te maken met emotionaliteit
Bij vgl werk: geslachtspremie en glazen plafond
30
New cards
Patriarchaat (wet vd vader)
Een systeem v soc structuren en praktijken waarbinnen mannen vrouwen domineren, onderdrukken en uitbuiten
31
New cards
Sekse
Biologische verschillen tss mannen en vrouwen
32
New cards
Geslacht/gender in brede zin
Tweedeling v mannen en vrouwen op vlak v organisatie vd reproductie, seksuele arbeidsdeling en culturele def
33
New cards
Geslact/gender in spec zin
Soc dominante def v geslachtsentiteiten
34
New cards
Zelfdwang
= Drift- en affectcontrole
Veralgemeende of gegenacrileerde afhh
Automatische zelfdwang z zelfbesef
Onze persoonlijkh is sterk ingesteld op de afhh v anderen
35
New cards
Controlled decontrolling
Vrijetijdssfeer
Er w sociaal verwacht dat men zich ‘laat gaan’
Geremd ongeremd
36
New cards
Socialisatie
Een samenhadnelen waarin een of meer belerende anderen een lerend individuen sociaal maken, dus het vermogen tot samenhandelen bijbrengen
37
New cards
Internalisering
= Verinnerlijking
= Externe dwang tot zelfdwang w een quasiautomatische innerlijke zelfcontrole
38
New cards
Socialisatieverhouding of -binding
= Soc vaardigh (‘kunnen’) en weten (‘kennen’) dr soc gevestigden aan nieuwkomers overgedragen met het oog ook hun alg soc functioneren of op hun functioneren binnen een meer specifiek soc verband
2 dimensies: praktische en cognitieve Leerrelatie: soms door deskundigen in een bepaalde materie
39
New cards
Primaire socialisatie
Dr gezin en familie
Primaire habitus
Sociaal milieu is belangrijk
Lagere klassen vaak autoritaire opvoedingsstijl, midden- of hoge klasse vaak democratische
Je kan slechts doorgeven wat je zelf kent/kunt (taal (AN/dialect), muzieksmaak,…)
Geslachtsgebonden (vb roze speelgoed vs blauw speelgoed)
Gebeurt diffuus en impliciet
40
New cards
Secundaire socialisatie
Dr onderwijs (georganiseerde of formele manier)
Veronderstelt al een min aan alg soc competenties en scherpt die aan
Ook dr peergroup (specifieker socialisatieproces)
Kwalificeert op dubbele manier: beroepsposities op arbeidsmarkt (direct) en klassenpositie op de soc ladder (indirect) => reproductie v soc ongelijkh (onbedoeld gevolg v onderwijs)
41
New cards
Primaire habitus
Het eerst verworven geheel neigingen om zus en niet zo te handelen
42
New cards
Tertiaire socialisatie
= Socialisatieprocessen naast of na de primaire en secundaire
Vb socialisatie ve nieuwe collega op de werkvloer
Vb marihuanagebruikers
43
New cards
Anticiperende socialisatie
Strikt genomen gn socialisatieproces
= Vooraf leren met het oog op het gewenste lidmaatschap ve soc verband waarbinnen men verder zal leren
Vb laatstejaarsstudent (boeken onder de arm, voetnoten, vragen in colleges)
44
New cards
Persoonlijke identiteit
= Het individuele zelfbeeld dat een antwoord geeft op de vraag ‘wie ben ik?’
Spiegelbeeldzelf
Hybride persoonlijke identiteit
45
New cards
Hybride persoonlijke identiteit
\= De neerslag ve mix v identificaties met nt naadloos op elkaar aansluitende collectieve identiteiten
46
New cards
Spiegelbeeldzelf
(looking glass self)
3 componenten: nadeken hoe andere ons zien, wat ze daar van vinden en één of ander zelfgevoel (vb trots of krenking)
Heeft pos of neg invloed op persoonlijke identiteit
Vb gekoloniseerde neemt het beeld dat de kolonisator van hem heeft deels over (ook al weet hij dat dat niet waar is)
47
New cards
Interne collectieve identiteit
= Een binnen een groepering of soc verband sterk gedeeld wij-beeld
Vb klassenidentiteit (arbeiders) of geslachtsidentiteit
48
New cards
Externe collectieve identiteit
= Een zij-beeld ve groepering of soc verband dat breed w gedragen dr buitenstaanders
Vb mannen zijn sterk
49
New cards
Soc constructies
= Selectieve uitvergrotingen v bepaalde groepskenmerken dr binnen- en buitenstaanders
Homogenisering
Verbeelde gemeenschap
50
New cards
Verbeelde gemeenschap
(nationalisme)
Als je lid bent van een groot soc verband (vb natie) kan je onmogelijk iedereen kennen, dus iedere voorstelling v eenheid is verbeeld (!= ingebeeld)
51
New cards
Homogenisering
\= Soc of pers verschillen w uitgevlakt en ‘gemeenschappelijke’ kenmerken w uitvergroot
52
New cards
Collectieve identiteit
Interne collectieve identiteit
Externe collectieve identiteit
Zij-beeld kan transformeren in een wij-beeld (vb gekoloniseerde groep gaat zichzelf zien zoals de kolonisatoren hen zien)
Soc constructies
Negatieve zelfdefiniëring
53
New cards
Negatieve zelfdefiniëring
= Een soc verband of groepering identificeert zichzelf dr een ander soc verband of groepering exact de omgekeerde eigenschap toe te kennen
Vb Walen zijn lui => Vlamingen werken hard
54
New cards
Identificatie
De internalisering ve collectieve identiteit, zodat die deel w vd pers identiteit (
55
New cards
Essentialisering
\= Het voorstellen ve collectieve identiteit als noodz vr alle leden (\=\> wij-beeld w essentie v iemands persoonlijke identiteit)
56
New cards
Identiteitspolitiek
= Het thematiseren v collectieve identiteiten binnen de publieke arena
Intussen direct pol verlengstuk dr rechts-populistische partijen (vb Vl belang)
57
New cards
Sociologisch perspectief
Algemene denktrant die het sociale uiteenlegt, afhankelijkheden uitlegt en antwoordt geeft op vier basisvragen
* Hoe is een geordend samenleven mogelijk? * Hoe werkt het samenleven door in individuele levens? * Hoe zien de basiscontouren v onze samenleving eruit? * Hoe komen we tot een algemene, empirisch onderbouwde sociologische kennis?
58
New cards
Kwantitatief onderzoek
Harde data, valide conclusies vanuit relatief kleine staal, surveyonderzoek, explorerend karakter
59
New cards
Kwalitatief onderzoek
Diepgaand onderzoek, participerende observatie, diepte-interview, “een meer levensnabij portret”, toetsen of opnieuw testen v hypothesen
60
New cards
Sociologische driehoek
Theorievorming, empirisch onderzoek en sociale sturing
61
New cards
Sociaal handelen
Het handelen ve actor georiënteerd op het handelen van een of meer andere actoren, kan passief (zoals tv-kijken)
Zelfreferentialiteit: ieder nieuw element refereert nr een voorafgaand of toekomstig element
Dynamisch, tijdgebonden proces
Relatief open, onvoorspelbaar karakter: je weet dat er reactie komt, maar je weet nt zeker welke
Reflexieve monitoring v handelen: bewuste deelname, minimale psychische betrokkenheid
64
New cards
Sociaal verband
Samenhangend geheel v sociale bindingen met een zekere duurzaamh en vr derden observeerbare grenzen
Cognitief (kennisoverdracht), economisch, politiek en affectief
65
New cards
Sociaal netwerk
\= Een lange ketting v afhheden, iedere activiteit/elk product verwijst nr een sociaal en geografisch wijdvertakt netwerk
66
New cards
Verdinglijking/reïficatie
\= Iets (zoals bv “de markt”) dat bestaat uit specifieke verhoudingen, bindingen en verbanden bestaat verzelfstandigen naar een autonoom object dat buiten ons om bestaat
67
New cards
Maatschappij
\= Samenleving \= Het sociale \= Het momentane geheel v alle sociale relaties, bindingen, verbanden en netwerken; hyperdynamisch
68
New cards
Globalisering
\= Mondialisering \= Meer sociale relaties en bindingen tss geografisch verafgelegen actoren + meer sociale netwerken en verbanden met een transcontinentaal en mondiaal karakter
69
New cards
Wereldmaatschappij
\= Het momentane geheel v transcontinentale sociale relaties, bindingen, verbanden en netwerken
70
New cards
Kosmopolitisme
\= Wereldbewustzijn
71
New cards
Egocentrisch maatschappijbeeld
\= De maatschappij bekijken vanuit een persoonlijk perspectief
72
New cards
Sociale blindheid
Het nt opmerken v relaties of afhheden
73
New cards
Relationeel denken
Denken in termen vn soc netwerken, wijdvertakt geheel vn afhankelijkheidsverhoudingen
74
New cards
Decentrering
= Inzien dat individuele levens ook w beïnvloedt dr sociale bindingen met onbekenden
75
New cards
Sociologische verbeeldingskracht
\= Het vermogen onpersoonlijke problemen met sociale feiten of veranderingen te verbinden \=\> Het probleem w gedepersonaliseerd \=\> Je krijgt een ander perspectief op de mogelijke oorzaken Gevaar: victim blaming
76
New cards
Defamiliarisering
\= Vertrouwde stukjes realiteit blijkt na onderzoek/diepgaander bekijken meerdere onbekende dimensies te herbergen; sociale blindheid; vb: kunst (artiest - productieteam)
77
New cards
Waarderingsvrijheid
\= Morele neutraliteit \= Scheiding tss feiten en waarden
78
New cards
Onbedoelde gevolgen
\= Uitkomsten die anders uitvallen dan w bedoeld dr de handelende actor (vb OHinterventies)
79
New cards
Perverse effecten
\= Resultaat is exact het omgekeerde dan het beoogde resultaat
80
New cards
Mattheüseffect
\= Beter gesitueerde profiteren significant meer van sociale OHuitgaven (zoals vb kinderopvang)
81
New cards
Paradox vd sociologische verbeeldingskracht
\= Je kan persoonlijke moeilijkheden als sociale problemen met aanwijsbare oorzaken aanduiden maar weet dat de aanpak vaak onbedoelde gevolgen inhoudt die vr nieuwe verwikkelingen zorgen
82
New cards
Self-denying prophecy
\= Een aanvankelijk correcte of ware voorspelling zorgt onbedoeld vr een handelen dat de voorspelling tenietdoet
83
New cards
Thomas-theorema
\= Wnr mensen situaties als echt bestempelen, w de gevolgen ervan echt
84
New cards
Situatiedefinitie
\= Interpretatie ve verschijnsel die zegt wat het geval is (!\= voorspelling)
85
New cards
Self-fulfilling prophecy
\= Een aanvankelijk onware situatiedefinitie resulteert onbedoeld in handelen dat de oorspronkelijk onware voorstelling v zaken waar maakt
86
New cards
Stereotypen
\= Een geschematiseerde collectieve voorstelling ve sociale groepering en haar leden (pos of neg)
87
New cards
Sociale geloofscirkel
\= De onbewijsbare definitie ve toekomstige situatie is daarom tot een handelen dat de voorspelling bevestigt, waardoor de geloofwaardigh vd voorspellers toeneemt; meesleureffect
88
New cards
Begrip of concept
\= Een notie die abstractie maakt vd meer particuliere uitingen vh omschreven fenomeen
89
New cards
Theorie
\= Een samenhangend geheel v nr elkaar verwijzende abstracte begrippen en daaruit afgeleide conceptuele uitspraken
90
New cards
Grounded/gefundeerde theorie
\= Het inductief ontwikkelen v begrippen en conceptuele uitspraken vanuit concreet onderzoek; Glaser en Strauss
91
New cards
Middle-range theory
\= Een empirisch toetsbaar geheel v abstracte concepten en uitspraken dat zich situeert tss de louter empirische beschrijving v sociale fenomenen en een alomvattende theorie vh sociale
92
New cards
Grand theory/supertheorie
\= Universaliteit, conceptuele grip op alle mogelijke sociale fenomenen, beantwoordt de 3 basisvragen, vertrekt vanaf grondslagenonderzoek (fundamenten soc)
93
New cards
Theoretisch pluralisme
\= Het geg v uiteenlopende theoretische referentiekaders
94
New cards
Theoretisch referentiekaders
\= Een globale visie op de basiselementen vh sociale en hoe die moeten w bestudeerd; divergerende vullen elkaar vaak aan (combinatie mog in onderzoek)
95
New cards
Sociale verhouding
Relatie tss 2/meer personen, soc handelingen tss individuen met elkaar verweven, komt tot stand dr samenhadelen
96
New cards
Karl Marx
Groepsgericht, conflictsociologische benadering, focus op gespannen relaties tss soc groepen met verschil in macht en belangen (socioloog) (voorlopig)
97
New cards
Emile Durkheim
Groepsgericht, nadruk op soc rol vn breed gedeelde opvattingen (socioloog) (voorlopig)
98
New cards
Max Weber
Individugericht, ontstaan vn orde dr persoonlijke motieven die actoren aanzetten tot samenhandelen (socioloog) (voorlopig)
99
New cards
Rational choice theory
Mensen handelen primair vanuit rationele keuzes gebaseerd op eigenbel
100
New cards
Structuurkenmerken
\= Een essentiële en duurzame eigenschap ve soc verband, zoals een samenleving, die licht werpt op haar globale functioneren en geordende karakter In onze maatschappij: taak