VWO 5 - Biologie - regeling

0.0(0)
studied byStudied by 1 person
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/99

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 4:26 PM on 5/20/23
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

100 Terms

1
New cards
actief transport
verplaatsing van een stof door een biologisch membraan tegen het concentratieverval of tegen een elektrochemische gradiënt in, door middel van energietoevoer en speciale transporteiwitten
2
New cards
adenohypofyse
hypofysevoorkwab
3
New cards
ADH
antidiuretisch hormoon, hormoon dat de terugresorptie van water in de nierkanaaltjes stimuleert
4
New cards
adrenaline
hormoon dat door het bijniermerg wordt afgescheiden. Adrenaline wordt ook door zenuwvezels van het sympathische zenuwstelsel afgescheiden
5
New cards
animaal zenuwstelsel
regelt vooral je bewuste reacties
6
New cards
antagonist
spier (of ander orgaan) waarvan de werking tegengesteld is aan een andere spier (of ander orgaan)
7
New cards
autonoom zenuwstelsel
(vegatatieve) zenuwstelsel dat de zogenaamde autonome functies regelt. Autonome functies vinden onafhankelijk van wilsinvloeden plaats
8
New cards
axon
uitloper van een zenuwcel die impulsen van het cellichaam af geleiden (\= neuriet)
9
New cards
bewegingszenuwcellen
geleiden impulsen van het centrale zenuwstelsel naar spieren en klieren
10
New cards
biceps
armbuigspier
11
New cards
cel van Schwann
cel die de myelineschede, mergschede, om een zenuwceluitloper vormen
12
New cards
centraal zenuwstelsel
de grote hersenen, kleine hersenen, hersenstam en ruggenmerg
13
New cards
conductor
zenuwcel, geleider
14
New cards
corticosteroiden
hormonen zoals cortisol geproduceerd door het bijnjerschors, onderdrukken o.a. het afweersysteem
15
New cards
dendriet
uitlopers van een zenuwcel die impulsen naar het cellichaam toe geleiden
16
New cards
diabetes
ziekte waarbij de regeling van het bloedsuikergehalte verstoord is, meestal door een tekort aan het hormoon insuline (Suikerziekte)
17
New cards
drempelwaarde
minimale sterkte van een prikkel die effect heeft, de prikkeldrempel
18
New cards
dwarsgestreepte spieren
spieren die aan delen van het skelet vastzitten en die delen kunnen laten bewegen, ook wel skeletspieren
19
New cards
effector
spier of klier
20
New cards
eilandjes van Langerhans
celgroepjes in de alvleesklier die voor de vorming van de hormonen insuline en glucagon zorgen
21
New cards
endocriene klier
klier die zijn product afgeeft aan het bloed
22
New cards
epo
erytroproteine, hormoon dat de vorming van rode bloedcellen stimuleert
23
New cards
excitatie
stimulering van een zenuwcel
24
New cards
exocriende klier
klier die zijn product afgeeft via een afvoerbuis
25
New cards
genregulatie
is in de biologie de sturing van de genexpressie. De genregulatie bepaalt de concentratie van een door een gen gecodeerd eiwit in een cel.
26
New cards
gevoelszenuwcellen
geleiden impulsen van zintuigcellen naar het centrale zenuwstelsel
27
New cards
gewenning
proces, waarbij steeds minder op prikkels wordt gereageerd. Dit treedt op bij continue prikkels. De impulsfrequentie neemt af
28
New cards
gladde spier
spier dieaangestuurd wordt door het autonome zenuwstelsel, o.a. in de wanden van het darmkanaal
29
New cards
gladde spier
Spier dieaangestuurd wordt door het autonome zenuwstelsel, o.a. in de wanden van het darmkanaal
30
New cards
gliacellen
zijn cellen die in het zenuwstelsel voorkomen en de neuronen verzorgen. De verhouding gliacellen/zenuwcellen is ongeveer 10:1. In tegenstelling tot de neuronen zijn gliacellen wel in staat zich te delen.
31
New cards
glucagon
hormoon gevormd in de alvleesklier in de eilandjes van Langerhans. De werking is tegengesteld aan de werking van insuline. Glucagon verhoogt het glucosegehalte van het bloed
32
New cards
glycogeen
polysacharide, opgebouwd uit glucose-eenheden. Glycogeen wordt als reservestof opgehoopt in bijvoorbeeld spier- en levercellen
33
New cards
grijze stof
gedeelte in het centrale zenuwstelsel(hersenen en ruggenmerg) waar zich de cellichamen van zenuwcellen bevinden. Grijze stof geeft het weefsel een grijze kleur
34
New cards
groeihormoon
hormoon dat de groei bevordert, door de lengtegroei van de botten te stimuleren. Het groeihormoon wordt afgescheiden door de hypofyse
35
New cards
hersenstam
gedeelte van de hersenen, gelegen tussen grote hersenen en ruggenmerg. De hersenstam bevat centra voor het autonome zenuwstelsel, is de verbinding tussen hersenen en ruggenmerg. De reflexen van hoofd en hals lopen via de hersenstam.
36
New cards
homeostase
het constant houden van het interne milieu van een organisme
37
New cards
hormonen
stof die door klieren wordt afgescheiden in het bloed, die invloed heeft op de werking van bepaalde organen, de doelwitorganen
38
New cards
hormoonspiegel
de concentratie van een hormoon in het bloed
39
New cards
hypofyse
hypofyse of hersenaanhangsel is een hormoonklier onder aan de hersenen, die in verbinding staat met de hypothalamus en o.a. stimulerende hormonen afscheidt. Stimulerende hormonen stimuleren de werking van andere hormoonklieren.
40
New cards
hypothalamus
gedeelte van de tussenhersenen. De hypothalamus staat in verbinding met de hypofyse en regelt door de afscheiding van neurohormonen de werking van de hypofyse
41
New cards
impuls
impuls of actiepotentiaal is een voortbewegende omkering van de elektrische lading langs het membraan van een zenuwcel(uitloper)
42
New cards
impulsfrequentie
het aantal impulsen per tijdseenheid die door een zenuwcel wordt voortgeleid
43
New cards
impulssterkte
de grootte van de verandering in elektrische lading van het celmembraan
44
New cards
inhibitie
remming van een zenuwcel door een andere zenuwcel. De remming hangt samen met de werking van neurotransmitters die de overdracht van een actiepotentiaal via de synaps (de verbinding tussen twee zenuwcellen) be•nvloeden.
45
New cards
inhibiting hormonen
zorgen ervoor dat de endocriende cellen in de adenohypofyse geen hormonen meer produceren
46
New cards
innervatie
het voorzien van een orgaan met zenuwen
47
New cards
insuline
hormoon, afgescheiden door de eilandjes van Langerhans in de alvleesklier, dat de doorlaatbaarheid van celmembranen voor glucose verhoogt en dus het glucosegehalte van het bloed verlaagt
48
New cards
kleine hersenen
deel van hersenen dat bewegingen coordineert en het evenwicht handhaaft
49
New cards
mctine
Eiwit in een spierfibril
50
New cards
merg
het centraal gelegen deel van een orgaan, bijv. niermerg, merg van de stengel
51
New cards
motorisch eindplaatje
het contactpunt van een uitloper van een motorische zenuwcel met een spiervezel
52
New cards
motorisch eindplaatje
Het contactpunt van een uitloper van een motorische zenuwcel met een spiervezel
53
New cards
motorische eenheid
alle spiervezels die via motorische eindplaatjes in verbinding staan met 1 bewegingszenuwcel
54
New cards
motorische eenheid
Alle spiervezels die via motorische eindplaatjes in verbinding staan met 1 bewegingszenuwcel
55
New cards
mwarsgestreepte spieren
Spieren die aan delen van het skelet vastzitten en die delen kunnen laten bewegen, ook wel skeletspieren
56
New cards
myelineschede
isolerende laag om uitlopers van zenuwcellen
57
New cards
myofibril
Spierfibrillen zitten in een spiervezel
58
New cards
myoglobine
Is het zuurstofbindende eiwit dat in grote hoeveelheden voorkomt in de spieren.
59
New cards
myosine
Eiwit in een spierfibril
60
New cards
natrium-kaliumpomp
Eiwit dat mbv energie natriumionen de cel uit en kaliumionen de cel in transporteert
61
New cards
negatieve terugkoppeling
een vorm van terugkoppeling waarmee een proces negatief wordt be•nvloed tot eventueel de oorspronkelijke waarde weer is bereikt.
62
New cards
neuriet
uitloper van een zenuwcel die impulsen van het cellichaam af geleiden (\= axon)
63
New cards
neurohormoon
hormoon dat is gevormd door een neuron (zenuwcel)
64
New cards
neurohypofyse
hypofyseachterkwab
65
New cards
neuron
zenuwcel
66
New cards
neurosecretie
wanneer hormonen door neuronen worden gevormd
67
New cards
neurotransmitters
stof die door zenuwcellen in de synapsspleet wordt afgescheiden en de potentiaal van het postsynaptische membraan beïnvloeden. Neurotransmitters worden bij het presynaptische membraan afgescheiden als daar impulsen aankomen.
68
New cards
orthosympatisch zenuwstelsel
ook wel sympatisch genoemd; deel van het autonome zenuwstelsel, dat de organen zodanig beïnvloedt dat het lichaam arbeid kan verrichten. Orthosympathicus is antagonistisch (\=tegenovergestelde) aan de parasympathicus.
69
New cards
oxytocine
hormoon dat door de achterkwab van de hypofyse wordt afgescheiden en dat bij de geboorte de weeën opwekt en de melksecretie op gang brengt
70
New cards
parasympatisch zenuwstelsel
het deel van het autonome stelsel dat het lichaam in rust brengt
71
New cards
perifere zenuwstelsel
de zenuwen buiten het centrale zenuwstelsel
72
New cards
prikkel
invloed uit het milieu op een organisme
73
New cards
prolactine
hormoon dat rol speelt bij vergroten van melkklieren en ook de melkproductie stimuleert
74
New cards
receptoren
een cel die gespecialiseerd is in het opnemen van specifieke prikkels en opwekken van impulsen onder invloed van de prikkels. De term receptor wordt ook wel gebruikt in de zin van receptoreiwit of receptormolecuul.
75
New cards
reflex
eenvoudige type van gedrag waarbij een bepaalde prikkel vrijwel zonder vertraging een bepaalde reactie teweegbrengt. Dus een snelle vaste onbewuste reactie op een prikkel, bewustwording kan later volgen.
76
New cards
reflexboog
de weg die impulsen bij een reflex afleggen. Een reflexboog bestaat uit een receptor, een sensorisch neuron, een deel van het centrale zenuwstelsel, motorische neuronen, en effectoren.
77
New cards
repolarisatie
ontlading en herlading van de cellen
78
New cards
ruggenmerg
deel van het centrale zenuwstelsel dat zich binnen de wervelkolom bevindt
79
New cards
rustpotentiaal
het verschil in lading tussen de binnen- en buitenzijde van het celmembraan van zenuwcellen als ze geen impulsen voortgeleiden
80
New cards
sacromeer
Is de kleinste zich herhalende structuur die wordt gebruikt voor het samentrekken van spieren.
81
New cards
saltatoire impulsgeleiding
sprongsgewijze impulsgeleiding
82
New cards
schakelcel
zenuwcel die geheel binnen het centrale zenuwstelsel ligt. Dit neuron geleidt impulsen van de ene zenuwcel naar de andere zenuwcel
83
New cards
schildklier
tegen het strottenhoofd gelegen hormoonklier, die schildklierhormoon, thyroxine produceert
84
New cards
schors
weefsel dat aan de buitenzijde van een orgaan ligt, bijv. nierschors of hersenschors
85
New cards
signaalcascade
een signaal wordt via meerdere schakels in de cel doorgegeven
86
New cards
spierbundel
Onderdeel van een spier. Een spierbundel is door bindweefsel gescheiden van andere spierbundels en bestaat uit spiervezels
87
New cards
spierschede
De omhulling van een spier, bestaande uit bindweefsel
88
New cards
spiertonus
Spierspanning
89
New cards
spiervezel
Langwerpige vezelvormige cel in dwarsgestreept spierweefsel. Elke spiervezel is ontstaan door versmelting van vele spiercellen
90
New cards
spinale ganglia
ruggenmergszenuwknopen; deze verdikking is veroorzaakt door een opeenhoping van cellichamen van gevoelszenuwcellen
91
New cards
stereoscopie
het kijken met twee ogen en daardoor diepte zien
92
New cards
summatie
het bij elkaar optellen van depolarisaties van meerdere axonuiteindes
93
New cards
synaps
spleet tussen het uiteinde van een axon en een doelwitcel, waar impulsen worden doorgegeven
94
New cards
terugkoppeling
verschijnsel dat een proces wordt beïnvloed door zijn eigen resultaat. Als de invloed remmend is spreekt men van negatieve terugkoppeling, als de invloed stimulerend is spreekt men van positieve terugkoppeling.
95
New cards
thalamus
deel van de hersenstam dat in verbinding staat met de grote hersenen
96
New cards
thyroxine
door de schildklier gevormd hormoon dat invloed heeft op de stofwisseling
97
New cards
triceps
armstrekspier
98
New cards
TSH
hormoon, gevormd door de voorkwab van de hypofyse, dat de schildklier stimuleert
99
New cards
witte stof
weefsel aan de buitenkant van het ruggenmerg en de binnenkant van de grote hersenen. In de witte stof liggen veel gemyeleiniseerde zenuwvezels
100
New cards
zenuw
bundel met uitlopers van zenuwcellen, omgeven door een laag bindweefsel

Explore top flashcards

Los retrato vocab
Updated 1170d ago
flashcards Flashcards (23)
Kapitel 4
Updated 1115d ago
flashcards Flashcards (69)
Unit 1 Chem
Updated 383d ago
flashcards Flashcards (69)
Bio 2 e-ipsi
Updated 58d ago
flashcards Flashcards (22)
TECTONICS
Updated 638d ago
flashcards Flashcards (40)
Los retrato vocab
Updated 1170d ago
flashcards Flashcards (23)
Kapitel 4
Updated 1115d ago
flashcards Flashcards (69)
Unit 1 Chem
Updated 383d ago
flashcards Flashcards (69)
Bio 2 e-ipsi
Updated 58d ago
flashcards Flashcards (22)
TECTONICS
Updated 638d ago
flashcards Flashcards (40)