bestuurskunde quizlet

0.0(0)
studied byStudied by 1 person
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/224

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 12:36 PM on 6/25/23
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

225 Terms

1
New cards
Beschrijf de evolutie van lokale besturen in Belgie.
Gemeenten en provinciebesturen zijn opgericht in 1795. In 1830 bevatte de nieuwe grondwet principes als rechtstreekse verkiezingen van de leden van de raden, open taakstelling, toezicht vanuit centrale overheid en het recht om inwoners te belasten. In 1836 volgde hierop de gemeentewet en de provinciewet. In 1872 werden alle artikels uit de gemeentewet over verkiezingen gebundeld in de gemeentekieswet. In 1988 werd de gemeentewet hernieuwd en tijdens de staatshervormingen van 2001 kregen de gewesten bevoegdheden over de organisatie van de lokale besturen op hun grondgebied. In 2005 richte het Waalse en Vlaamse gewest een gemeentekiesdiscreet in met regels over de verkiezingen. Enkel het Brussels Hoofdstedelijke Gewest heeft tot vandaag geen gebruik gemaakt van die mogelijkheid. Die functioneren op de gemeentewet van 1988. Door al die interne staatshervormingen is de bevoegdheid voor de lokale besturen complex geworden. In Vlaanderen is er veel meer een rol weggelegd voor management dan op het Waalse gewest.
2
New cards
Beschrijf het aantal en soort lokale besturen in Belgie.
589 gemeenten in België waarvan 308 in Vlaanderen. Gemiddelde grote 17.735 inwoners. Op 1 januari 1977 evolueerden de Belgen van 2359 naar 589 gemeentes. Veel fusies hadden partijpolitieke afwegingen en zitten daarom soms krom in elkaar.
3
New cards
Beschrijf de relatie lokale autonomie en centraal gezag.
Lokale besturen hebben autonomie van beleidsvrijheid totdat iemand hen het verbiedt dat te doen, hof, wet of andere afspraken. Daarbij hebben ze ook taken in het medebewind (stamt uit de Franse revolutie dat elk onderdeel uit een staat mee moest werken aan de uitvoering ervan). De discussie tussen lokale en centrale overheid gaat dan ook vaak over de kosten. Overeenkomstig met artikel 41 van de Grondwet kunnen gemeenteraden en privincieraden alles beslissen wat van lokaal of provinciaal belag is.
4
New cards
Beschrijf het toezicht op de lokale besturen.
De autonomie kent grenzen. Want ze kunnen nooit helemaal doen wat ze zelf willen, ze hebben altijd een vorm van toezicht boven zich. De motieven van toezicht zij. Het toezicht gaat altijd om legaliteitstoezicht (is de beslissing juridisch correct?) als het opportuniteitstoezicht (is de beslissing goed voor de gemeente?). Als laatste is er ook nog het dwangtoezicht, op kosten van de gemeente worden taken uitgevoerd waartoe de gemeente vokgens het medebewind verplicht is maar ze weigert uit te voeren. Er zijn twee vormen van toezicht, algemeen toezicht: heeft betrekking op alle beslissingen voor de normale werking van de gemeente, alle belastingen die de gemeenteraad en college nemen. De Vlaamse minister van binnenlandse zaken treedt op. Het tweede is het specifieke toezicht. Dit omvat alle vormen die opgenomen zijn in sectorale regelgeving in de verschillende bekeidssectoren, zowel van de federale als van de Vlaamse overheid.
5
New cards
Beschrijf de vijf lokale inkomsten.
45% van de publieke investeringen gebeurt door de lokale besturen. De inkomsten komen bijna voor de helft uit belastingen. 1) Gemeente heffen vooral belastingen aanvullend op een andere belasting ingesteld door de centrale overheid. In de praktijk zijn dat voor de gemeente opcentiemen op de Vlaamse ontroerend voorheffing en een percentag op de federale inkomensbelasting. 80% van de belastinginkomsten komt van die twee aanvullende belastingen. 2) gemeentefonds sedert 1836. Het Vlaamse gemeentefonds goed voor 587 miljoen euro, of bijna 10% van de Vlaamse begroting. Het is niet aan voorwaarden of verantwoording gekoppeld. 3) Stedenfonds voor 13 centrumsteden gekoppeld aan bepaalde prestaties en met verantwoording. 4) geoormerkte subsidies: dat zijn tussenkomsten van de centrale overheden die wel voor specifieke uitgaven dienen. 5) retributies (leges in Nederland) en jaarlijkse dividenden zijn vorige inkomsten.
6
New cards
Beschrijf de provinciale besturen en de provinciale autonomie.
In het begin heeft men de macht van provincies zo klein mogelijk gehouden omdat ze bang waren dat ze gingen samensmelten tegen de centrale overheid. De grouveneur, een aangestelde ambtenaar, is een bijzondere positie. De gemeentewet en de provinciewet ook erg vergelijkend behalve op de positie van de grouveneur bijvoorbeeld na. Deze ambtenaar heeft als een van de weinige functies nog te maken met alle bestuursniveau omdat hij taken uitvoert voor alle overheden. De ontvangsten uit prestaties voor dienstverlening en uit dividenden voor aandelen zijn kleine verdiensten. Belastingen en fondsen genereren 800 miljoen de meeste inkomsten. Het provinciefonds wordt verdeeld naar ratio van het aantal inwoners. Belastingen worden bijvoorbeeld op eigendommen geheven. De uitgaven gaan voor 43% naar personeel, 17% naar werkingskostwn en 25% naar subsidies die naar lokale overheden, verenigingen worden gegeven.
7
New cards
Beschrijf de politieke organsiatie van de gemeentelijke overheid.
Het gemeentedecreet legt een bepaald basispatroon van politieke en administratieve organisatie op. Discussiepunt is meestal hoeveel ruimte krijgt het lokale bestuur? Provinciediscreet bijna identiek. Gemeenteraad wordt om de 6 jaar verkozen zelfde dag de provincieraden. Het aantal zetels ligt vast in de discreten en is afhankelijk van het aantal inwoners. Een belangrijk kenmerk aan België is de zogenoemde cumulering. Veel politici op centraal niveau combineren die functie met een lokaal mandaat. 80% van de parlementsleden heeft lokaal mandaat, 33% is schepen of burgemeester. Raad heeft drie functies: volksvertegenwoordigend, bepalen van het beleid en het controleren van uitvoerend orgaan (college). In 2005 wed gemeenteraad versterkt met meer instrumenten maar in de praktijk weinig van gezien. De uitvoerende macht staat onder gezag van het college van schepen en burgemeester, die weer is verkozen/aangesteld door de raad. Tot 1/1/2013 bepaalt de gemeente zelf of OCMW voorzitter lid is van college daarna is het verplicht. Het college heeft ook bevoegdheden rechtstreeks uit de wet zonder tussenkomst raad en kan taken doordelegeren naar secretaris/administratie. De burgemeester is het derde orgaan binnen de gemeente. De burgemeester wordt benoemd door het Vlaamse gewest op voordracht van de raad. De deputatie (provincie college) bestaat uit zes leden en wordt voorgezeten door de gouverneur.
8
New cards
Beschrijf de administratieve organsiatie op lokaal niveau.
Gemeentelijke ambtenaren behorend tot de ambtelijke organisatie. Het college stuurt die aan. De personeelsformatie, het organogram, rechtspositieregeling van het personeel worden vastgelegd door de gemeenteraad. Ditzelfde geldt voor de provincies. Gemeente hebben grote vrijheid in hoeveel diensten ze willen, hoe die georganiseerd en gecoördineerd worden. Functie topambtenaren zijn in de basisdecreten vastgelegd. Secretaris en griffier. Secretaris leidt het personeel. Griffier is verantwoordelijk voor ht politiek college en deputatie en speelt samen met de secretaris een belangrijke rol in de beleids- en beheerscyclus. Het managementteam heeft belangrijke voorbereidende en uitvoerende taak in de verhouding met de politicius en heeft opdrachten voor de interne organisatie en diensten, de secretaris is de voorzitter en coach van dat managementteam.
9
New cards
Beschrijf het oude schepenmodel.
Toch hebben veel gemeenten nog het oude schepenmodel: schepen besturen als een afdelingehoofd hun diensten, het gemeentedecreet van 2005 wil meer naar het managementteammodel waarbij het collectief van ambtenaren en het politieke college afspraken maken over de onderlinge verhoudingen en taakverdeling.
10
New cards
Beschrijf het NPM op lokaal niveau.
NPM is veel meer gericht op de nationale overheid, met privatiseringen bijvoorbeeld. Toch zijn er wel kenmerken, wellicht wat klein terug te vinden binnen de lokale overheid. Er lijkt wel eerder wen trend van versterkte dienstverlening terwijl NPM juist een sterke voorstander is van verzelfstandigen van diensten, het NPM pleit voor het invoeren van manganementtechnieken binnen de dienstverlening, die zien we sterk terug in het gemeentedecreet van 2005. De invoering van de externe audit is hier een goed voorbeeld van. Men maakt een moeilijke omslag naar meer klantgerichte organisatie die kritisch kikt naar de eigen processen en alert is voor de eigen efficiëntie. Ook op het vlak van financieel beheer en het personeelsbeleid is de invloed van het NPM duidelijk merkbaar.
11
New cards
Beschrijf het personeel en personeelsbeleid op lokaal niveau.
In België waren in 2001 326.000 mensen tewerkgesteld bij de overheid. In Vlaanderen werkten in 2010 68.446 (49.699 fte) in de Vlaamse OCMW's werkten 52.598 personeelsleden (36.218 fte). In de Vlaamse provinciebesturen werken 6.024 personeelsleden (4.876 fte). De CAO Kelchtermans legde in 1993 sen vernieuwende basis voor het personeelsbeleid van lokale besturen, al had het nog geen bevoegdheid. Pas in 2009 werd dit opgevolgd waardoor er flexibeler en op lokaal niveau omgegaan kon worden met personeelsbeleid.
12
New cards
Beschrijf de lokale verzelfstandigingen.
Lokale besturen zetten steeds meer diensten buiten de deur in autonome bedrijven en vzw's. Daarnaast raakten ze betrokken bij intergemeentelijke samanewerkingsverbanden en samenwerkingsverbanden opgericht door de Vlaamse overheid (dwingende).
13
New cards
Beschrijf andere lokale actoren.
1. OCMW's
2. Intergemeentelijke samenwerkingsverbanden.
3. Besturen van eredienst.
4. Polders en Wateringen.
5. Politiezones.
14
New cards
Beschrijf de OCMW's.
OCMW's zijn de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Elke gemeente heeft er eentje. 308 dus in Vlaanderen. De organisatie voert het sociaal beleid uit van het lokale bestuur. De OcMw's worden bestuurd door een raad waar maximaal een derde deel uit mag maken van de gemeentaad.
15
New cards
Beschrijf de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden.
Intergemeentelijke samenwerkingsverbanden: dit zijn verbanden, vrijwillig, waar gemeentes beleidsverandering onder kunnen brengen om samen uit te voeren in de participerende gemeenten. In Vlaanderen zijn 99 intergemeentelijke samenwerkingsverbanden.
16
New cards
Beschrijf de besturen van erediensten.
Besturen van eredienst: erediensten zijn bepaalde diensten waarvan de kerkbesturen het bekendst van zijn. Die kerkdiensten staan dan weer in voor de infrastructuur van de katholieke kerk.
17
New cards
Beschrijf de polders en wateringen.
Polders en Wateringen: stammen uit de middeleeuwen. Ze zijn verspreid over de laaggelegen gebieden van Vlaanderen en ze beheren onbevaarbare waterlopen en regelen het waterpeil. Ze vallen onder Vlaamse regelgeving.
18
New cards
Beschrijf de politiezones.
Politiezones: in de nasleep van Dutroux werd de federale en de lokale politie opgericht. Het lokale niveau kent politiezones, meergemeentezones en eengemeentezones. Meergemeentezones worden aangestuurd door college van burgemeester en heeft aparte rechtspersoon terwijl eengemeentezones onder de lokale overheid vallen zonder eigen rechtspersoon. Het toezicht op de politiezones wordt door de grouveneur en de federale minister van binnenlandse zaken uitgeoefend. Dit is een voorbeeld van taken die de grouveneur opgedragen krijgt vanuit de federale overheid.
19
New cards
Wat is verzelfstandiging van publieke diensten?
Verzelfstandiging van publieke diensten is een bestuurskundige term voor wat in de organisatieleer decentralisatie wordt genoemd. Dit betekent dat bevoegdheden voor het uitoefenen van publieke autoriteit, of voor het leveren van publieke diensten, herverdeeld worden tussen organisaties op hetzelfde overheidsniveau.
20
New cards
Wat is terrioriale decentralisaties?
Territoriale decentralisatie: het herverdelen van bevoegdheden tussen verschillende overheidsniveaus.
21
New cards
Wat is volgens Mintzberg decentralisatie en centralisatie?
Volgens Mintzberg (1983) is een organisatiestructuur gecentraliseerd wanneer alle beslissingsbevoegdheden op een punt in de organisatie geconcentreerd zijn. Wanneer de beslissingsbevoegdheden over een groot aantal punten verdeeld zijn, spreken we van een gedecentraliseerde structuur.
22
New cards
Wat is verticale decentralisatie?
Bij verticale decentralisatie van beslissingsbevoegdheden wordt het gezag gedelegeerd vanuit de top van de organisatie naar lagere regionen in de organisatie.
23
New cards
Wat is horizontale decentralisatie?
Bij horizontale decentralisatie van beslissingsbevoegdheden wordt het gezag gedeeld of overgeheveld naar organisatiedelen die zich buiten de verticale lijnstructuur bevinden. Stafdiensten bijvoorbeeld.
24
New cards
Wat is ruimtelijk spreiden/ruimtelijke decentralisatie?
Bij ruimtelijk spreiden (of ruimtelijke decentralisatie) spreken we van het spreiden, of het delokaliseren van bevoegdheden vanuit een centraal punt naar meerdere punten. Bijvoorbeeld relatie stadsdeelkantoren / stadhuis.
25
New cards
Beschrijf territoriale decentralisatie.
Territoriale decentralisatie heeft te maken met de erkenning van de identiteit van welbepaalde territoriale gemeenschappen. Dit houdt in dat deze territoriale gemeenschappen een eigen beleidsvoering organiseren, ten bate van deze eigen gemeenschappen, via eigen en rechtstreeks verkozen organen. Bij politieke decentralisatie geven we dus een staatskundig of bestuurlijke invulling van het begrip decentralisatie. Provincies en gemeenten zijn voorbeelden.
26
New cards
Benschrijf administratieve decentralisatie.
Administratieve decentralisatie het decentraliseren van bevoegdheden binnen een bestuur. Dus, in tegenstelling tot de territoriale decentralisatie, waarbij bevoegdheden worden overgedragen naar lagere bestuurlijke niveaus op basis van het territoriaal principe, wordt bij administratieve decentralisatie een welbepaalde bevoegdheid overgeheveld naar een andere organisatie, maar binnen hetzelfde overheidsniveau. Toch heeft het begrip meer in huis. Ook externe verzelfstandiging komt hierin voor. Dit is een voorbeeld van wat deconcentratie genoemd wordt: het overhevelen van een overheid naar een hiërarchisch ondergeschikte dienst. Deze ondergeschikte dienst beschikt dan over een zekere mate van autonomie om haar bevoegdheden uit te oefenen. Ook externe verzelfstandiging is een onderdeel hiervan. Er is ook een verschil tussen extern deconcentratie en interne deconcentratie. De provinciale buitendienst is een externe en de dienst die belasting heft een interne.
27
New cards
Beschrijf vier problemen met het definieren van verzelfstandiging.
Met de definitie zijn een aantal problemen.
(1) terminologie niet eenduidig.

(2) wat is nu verzelfstandiging, het is niet altijd even duidelijk over welke organisaties we eigenlijk spreken wanneer we het over verzelfstandiging hebben.

(3) Welke rol spelen organisaties, verzelfstandigd, in de fase van beleidscyclus die taken behartigd worden. (dienstverlening in de voorbereiding?)

(4) wat is een verzelfstandiging eigenlijk? Namelijk het geven van een bepaalde vorm en mate van autonomie van een organisatie die met een taak wordt belast, en de sturing en controle van die organisatie.
28
New cards
Beschrijf de definitie van verzelfstandiging.
Definitie: "Verzelfstandiging van een overheidstaak betekent dat deze taak aan de bestaande overheidsorganisatie wordt onttrokken en in een andere, bestaande of nieuwe overheidsorganisatie wordt geplaatst of binnen de overheidsorganisatie tussen eenheden wordt verschoven. Hierbij vermindert de centrale sturing over deze taak (minder input- en/of processturing) en/of verandert ze van aard (van gedetailleerde sturing naar meer sturing op hoofdlijnen). De mate van autonome beslissingsbevoegdheden met betrekking tot de uitoefening van die taak in hoofde van de overheidsorganisatie of -entiteit die deze taak toegewezen krijgt, vermeerdert, in vergelijking met de vroegere betrokken overheidsorganisatie of -entiteit. Deze beslissingsbevoegdheden hebben minstens betrekking op beheersmatige aspecten, maar in veel gevallen ook op beleidsmatige aspecten."
29
New cards
Wat valt er niet onder de definitie van verzelfstandiging?
Hier vallen in ieder geval niet onder: privatiseringen van overheidsdiensten en ten tweede de rol die de private non-profit sector speelt bij het leveren van publieke diensten worden ook niet beschouwd als verzelfstandiging.
30
New cards
Waarom vallen privatiseringen en private non-profit niet onder verzelfstandiging volgens de definitie?
Er wordt op gewezen dat er sedert een tweetal decennia een klimaat is ontstaan dat gunstig was voor het introduceren van verzelfstandigde agentschappen. Omdat overheden sinds de jaren '70 geconfronteerd werden met budgettaire problemen (onder andere de kosten van de welvaartsstaat), een verminderd vertrouwen van de burger in de overheid, en stijgende verwachtingen van de burger ten opzichte van de openbare dienstverlening, zochten ze naar manieren om deze problemen aan te pakken. Het werd een wijdverspreid idee dat de verzelfstandiging van publieke dienstverlening nuttig zou zijn om overheden beter en op een zuinigere manier te laten werken.
31
New cards
Beschrijf de twee kernvariabelen van verzelfstandiging.
De kernvariabelen zijn: autonomie en sturing & controle.

Hierbij geldt heel erg of vooraf of achteraf (ex ante of ex post) sturing geeft aan je verzelfstandigde entiteiten. Heden ten dagen kunnen we concluderen dat we met een verschuiving van de situatie, waarin agentschappen weinig tot geen autonomie hebben en op voorhand worden aangestuurd op het gebruik van hum middelen, naar de situatie waarin agentschappen uitgebreide autonomie hebben en afgerekend worden op hun resultaten.
32
New cards
Wat is autonomie en in welke twee delen, delen we autonomie op?
Autonomie wordt bepaald door de mate waarin een organisatie een zekere mate van eigen beslissingsbevoegdheid heeft. Deze eigen taken, maar evenzeer met de beleidsinhoud. We onderscheiden daarom 'beheersmatige' autonomie van 'beleidsmatige' autonomie.
- Beheersmatige autonomie of managementautonomie is de vrijheid om de keuze en de inzet van organisatiemiddelen te bepalen.
- Beleidsmatige autonomie of beleidsautonomie is de vrijheid om de inhoud en/of de resultaten van het primaire uitvoeringsproces te bepalen.
33
New cards
Beschrijf de twee elementen die bepalen wat de autonomie van een overheidsorganisatie is.
Echter de autonomie van een overheidsorganisatie wordt ook mede bepaald door andere elementen. Ten eerste is het wettelijke statuut, waarbij een agentschap ofwel geen, ofwel een publiekrechtelijke, ofwel een privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid kan hebben. Dit aspect zou wel wettelijke autonomie genoemd kunnen worden. Ten tweede de wijze waarop de organisatie gefinancierd wordt, bepaalt mee de mate waarin ze daadwerkelijk haar beslissingsbevoegdheden kan uitoefenen (financiële autonomie).
34
New cards
Beschrijf de hierarchische of structurele autonomie.
Een laatste vorm van autonomie die we hier willen vermelden, de hiërarchische of structurele autonomie, is afhankelijk van de mate waarin het agentschap afgeschermd is van een directe (hiërarchische) sturing door de verantwoordelijke ministers, door de aanwezigheid van een raad van bestuur, door de samenstelling van die raad van bestuur (al dan niet meerderheid van stemmen voor de vertegenwoordigers van de ministers) en door de mate waarin het management van het agentschap wordt aangesteld.
35
New cards
Beschrijf twee sturing en controle methoden voor verzelfstandigde diensten.
- ex ante sturing is de sturingswijze waarbij de nadruk ligt op het vooraf formuleren van regels en standaarden die zodanig richting geven aan het gedrag van de actor zodat de gewenste output met een zeer grote waarschijnlijkheid zal worden gehaald.
- ex post sturing of resultaatssturing legt de nadruk op de evaluatie en bijsturing van de gestuurde organisatie, met de bedoeling na te gaan of de vooropgestelde doelen en resultaatsnormen zijn behaald en of er gecorrigeerd moet worden naar de volgende planningsfase toe.
36
New cards
Beschrijf de drie kenmerken van interne verzelfstandigingen.
- Bij interne verzelfstandiging van overheidsdiensten: (1) blijft de betrokken organisatorische eenheid die werd verzelfstandigd deel uitmaken van de kernoverheid, (2) blijft de minister of de politieke verantwoordelijke van de kernoverheid ten volle bevoegd en verantwoordelijk voor de taakbehartiging, en (3) blijven de hiërarchische relaties tussen minister of politieke verantwoordelijke en organisatie onaangeroerd.
37
New cards
Beschrijf de externe verzelfstandigingen.
- Bij een externe verzelfstandiging dan wordt deze taak behartigd in een nieuwe of bestaande organisatie buiten de kernoverheid, en worde de hiërarchische relatie tussen minister en organisatie vervangen door een wettelijke omschreven relatie, waarbij de regelgeving omschrijft hoe de minister toezicht kan uitoefenen en tussenkomen in de besluitvorming van de organisatie.
38
New cards
Geef vijf redenen voor verzelfstandiging.
- Corporatisme: het middenveld en andere sociale groepen worden meer in het beleid en beheer van de overheid betrokken.
- Het idee dat door de uitvoering van overheidstaken op een meer onafhankelijke wijze van de kernoverheid worden uitgevoegd.
- Managerialism, of het idee dat de publieke sector zijn dienstverlening volgens de principes van de private sector moet inrichten.
- Het introduceren van grotere flexibiliteit, onder meer door de verzelfstandigde organisaties eigen interne regels te laten bepalen die meer aangepast zijn aan eigen individuele noden en functies.
- Subsidiariteit: de kenmerken van taken of de soort taak bepalen welke type organisatie deze taak het best kan uitvoeren.
39
New cards
Beschrijf de vier criteria voor verzelfstandiging.
Meer specifiek formuleren overheden soms criteria voor de keuze tussen interne en externe vormen van verzelfstandiging, eenmaal de keuze voor verzelfstandiging als dusdanig al gemaakt is. Er hechten daar wel mitsen en maren aan. Zo moet (1) het takenpakket uitgebreid genoeg zijn om er een aparte orgnaisatie voor op te richten. (2) meetbaarheid van de door het verzelfstandigde agentschap te leveren producten of diensten, zodat de prestaties van het agentschap in kaart gebracht kunnen worden. (3) Reele mogelijkheden tot aansturing van het verzelfstandigde agentschap op grond van doelmatigheid, prestaties en kwaliteit. (4) Een reeel invulbare informatierelatie, zodat departement/ministerie (kernoverheid) en agentschap van elkaars verwachtingen op de hoogte kunnen worden gehouden.
40
New cards
Benoem de 7 aandachtspunten bij verzelfstandiging.
1. Er is in de eerste plaats de dichotomie tussen focus on the job of taakspecialisatie, en de roep naar beleidscoördinatie. Er valt te vrezen dat een taakgericht agentschap misschien minder oog heeft voor coördinatie met andere delen van de openbare dienstverlening.
2. De mogelijke tegenstrijdigheid tussen verzelfstandiging van agentschappen door hen autonomie te verlenen en de roep om verantwoording.
3. De nood aan institutionele duidelijkheid, een gevolg van de proliferatie aan categorieën en wettelijke vormen van verzelfstandigde en andere overheidsorganisaties, en hun sturingsvormen en aansprakelijkheidsmechanismen.
4. Aansluitend bij het voorgaande, moet er aandacht zijn voor het verbeteren van de beheersstructuren, een gevolg van de variëteit in flexibiliteit, autonomie en controlevormen tussen verzelfstandigde organisaties.
5. Er zijn uitdagingen als gevolg van de verschuiving van input naar output en resultaatcontrole.
6. Er bestaat een mogelijk gevaar voor reversal of control, waarbij het agentschap omwille van een sterk uitgebouwde expertise en capaciteit de dominante actor wordt in de sturingsrelatie met minister en departement.
7. Er is een tweeledigheid tussen de focus op 'prestaties' en efficiëntie enerzijds, en de focus op gelijkberechtiging en universele dienstverlening. Met andere woorden, efficiëntie en effectiviteit gaan niet altijd samen met de roep om meer flexibele en responsieve publieke dienstverlening.
41
New cards
Bestuurskunde en kwaliteitsmaatstaven?
In de publieke sector komt men aan het publieke nut tegemoet. Op dit collectieve nut valt moeilijk een prijs te plakken. Vandaar ook dat we op zoek moeten gaan naar maatstaven voor goed openbaar bestuur waarbij de kans op publieke waarde creatie het hoogst is. Bestuurskundige kwaliteit gaat dus over de kernwaarden in het openbaar bestuur. Wat waarderen we in wat overheden doen?
42
New cards
Welke drie modelen heb je daarvoor?
1. Sigma
2. Theta
3. Lambda
43
New cards
Beschrijf Sigma.
Een eerste set waarden wil een scherpe en doelgerichte overheid. De kwaliteitsmaatstaven in deze groep schrijven voor dat middelen nauw moeten aansluiten bij de helder geformuleerde taken en doelstellingen.
44
New cards
Welke vijf kwaliteitsmaatstaven bestudeerd Sigma?
1. Doelgericht
2. Effectief
3. Efficiënt
4. Zuinig
5. Gecoördineerd.
45
New cards
Beschrijf Theta.
Een tweede set waarden heeft te maken met het streven naar integriteit, redelijkheid en burgerschap. Kortom, de overheid moet niet enkel efficiënt en effectief zijn, ze moet ook als legitiem ervaren worden door de burgers. De overheid doet dit door misbruik, ongelijkheid en vooroordelen te vermijden. Een voorbeeld van zon institutie die zelf reguleert is de Raad van State of de Federale Ombudsman.
46
New cards
Welke zes kwaliteitsmaatstaven bestudeerd Theta?
1. Transparant
2. Openbaar
3. Inspraak
4. Klantgericht
5. Rechts- en belangenbescherming
6. Een goed openbaar bestuur verantwoordt zich. In de internationale literatuur spreekt men van accountability.
47
New cards
Geef twee voorbeelden van denkkaders die geinspireerd zijn op het kijken via een Theta bril naar de overheid.
We geven twee voorbeelden van denkkaders die geïnspireerd zijn op de theta waarden:
1. de modellen van de drie e's en de drie r's. Naast de drie E's uit de sigmagroep (economy, efficiency, effectiveness), moeten we ook aandacht hebben voor drie R's uit de theta groep: rechtmatigheid, rechtsgelijkheid en rechtszekerheid.
2. Waar de theta waardengroep duidelijk in doorklinkt zijn de principes van behoorlijk bestuur. Het gaat hier om een gedragscode die ambtenaren en politici moet helpen om juist te handelen, vooral als de wet geen eenduidige antwoorden geeft of tegenstrijdig is.
48
New cards
Beschrijf Lambda.
Lambda waarden hebben te maken met betrouwbaarheid, robuustheid, uithoudingsvermogen, herstellings- en aanpassingsvermogen. Het gaat over een overheid die er staat en die in staat is om zich aan te passen aan een veranderende omgeving. Een weerbare overheid blijft functioneren, ook in moeilijke tijden.
49
New cards
Welke vijf kwaliteitsmaatstaven bestudeerd Lambda?
1. kan redundantie creëren.
2. Zorgt voor diversiteit in haar aanpak.
3. Is rolbuust.
4. Integreert.
5. Is open en vermijdt leerfalen.
50
New cards
Hoe kijk je met een Lambda bril naar de overheid?
De overheid als infrastructuurstaat werd lang gedacht. Het zag zijn rol om de maatschappij draaiende te houden. Vandaag wijzen een aantal theoretici er echter op dat onze maatschappij steeds meer en bijna obsessief bezeten is met het beheersen van risico's. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat er opnieuw veel aandacht wordt gegeven aan de veerkracht van de overheid.
51
New cards
Benoem 2 voorbeelden hoe je kunt kijken met een Lambda bril naar de overheid.
Een eerste voorbeeld van een denkkader dat inzet op de lambda groep handelt over competentievallen. Een competentieval ontstaat wanneer werknemers leren werken met een bepaalde technologie of methodiek en daarmee deze technologie of methodiek zullen blijven gebruiken en herbevestigen. Tegelijkertijd sluiten ze andere, misschien betere oplossingen uit.

Een tweede voorbeeld zijn de risico-analyses die steeds meer organisaties doorvoeren. IN een risico-analyse worden problemen geanalyseerd op twee dimensies. Incidenten en wat is de impact ervan.
52
New cards
Op welke twee manieren kunnen kwaliteitsmaatstaven zich tot elkaar verhouden?
Kwaliteitsmaatstaven kunnen zich op twee manieren tot elkaar verhouden: in contradictie of als complement. De contradictie komt voornamelijk tot uiting op het niveau van concrete maatregelen terwijl de complementariteit vooral slaat op het overheidsbrede of zelfs maatschappijbrede niveau.
53
New cards
Beschrijf de complement verhouding van kwaliteitsmaatstaven.
Men kan dus maar aan een efficiënt en effectief openbaar bestuur werken als er een bepaald niveau van betrouwbaarheid, openheid en eerlijkheid is bereikt. Bepaalde minimumdrempels moeten overschreden worden.

Hierbij gelden een aantal zaken:
• Volwassen democratieën komen in meer of mindere mate aan alle drie groepen kwaliteitsmaatstaven tegemoet.
• De NPM hervormingen van de jaren '90 benadrukten in de eerste plaats de sigma waarden (efficiëntie en effectiviteit) en dit als antwoord op de economische moeilijkheden in de jaren '80.
• In ontwikkelings- of ontwikkelde landen staat het openbaar bestuur vaak minder sterk. De overheid blijft onder de minimumdrempels.
54
New cards
Beschrijf de contradictie in de maatstaven.
Integriteit kan ten koste gaan van efficiënte en effectiviteit. Voorbeeld geplaagd door corruptie zette een korps een uitgebreid anticorruptie programma in de steigers. De auteurs beschrijven hoe de integriteit van het korps verbetert, maar de efficiëntie vermindert:
1. Vertraging van de besluitvorming: het anticorruptie project vereist dat zelfs alledaagse beslissingen verschillende echelons een fiat moeten geven.
2. Over centralisatie en toch een inadequaat gezag.
3. De auteurs beschrijven verschillende mechanisme waarbij het anticorruptie programma afbreuk doet aan de efficiëntie.

Een tweede voorbeeld van een conflict is de auditexplosie. Een audit is een metacontrole, een controle van het controlesysteem van een organisatie. Om de efficiëntie en de doelgerichtheid van de overheid te verbeteren. Het gevolg was dat een cultuur van controle verdrongen werd door een cultuur van vertrouwen.
55
New cards
Contradictorisch of complementair? Een uitweg uit de paradox.
Kwaliteitsmaatstaven kunnen zowel complementair als contradictorisch zijn. Kwaliteitsverwachtingen zijn dynamisch en dus moeten ook maatregelen die de overheid neemt zich aanpassen. Men zal een integriteitsbeleid voeren gecombineerd met een bezuinigingsronde. IN de nieuwe situatie is er een dominantie van sigma en theta waarden, maar met minder belang aan lambda waarden.
56
New cards
In de politiek ambtelijke relatie komen twee sferen/werelden samen. Welke zijn dit?
1. De politieke sfeer waarbij ministers/burgemeester/schepenen als vertegenwoordigers van een partij in een representatieve democratie beleid moeten voeren dat tegemoet komt aan de verwachtingen van het/zijn/haar electoraat en van de meerderheid in het parlement/de gemeenteraad.
2. De ambtelijke sfeer die het beslist beleid moet uitvoeren en van we ook een zekere neutraliteit en efficiëntie verwachten.
57
New cards
Wat is het klassieke dichtonomie-model?
Wanneer men het in de bestuurskunde heeft over de klassieke benadering van de politiek-ambtelijke verhouding dan doelt men op het dichotomie-model. Dat model gaat er van uit dat de politieke en ambtelijke sfeer twee verschillende werelden zijn die best ook gescheiden blijven. Politici zijn verkozen om het beleid te bepalen en ambtenaren moeten loyaal en met afstand van de politiek het beleid uitvoeren. Max Weber is hier de fouding father van. Door een strikte scheiding voorop te stellen wilden hij de administratie vooral afschermen van al te veel politieke inmenging in de beleidsuitvoering.
58
New cards
Waarom wordt het klassieke dichtonomie-model nog steeds besproken?
Het scheidingsmodel wordt thans nog steeds besproken, al was het maar om er de tekortkomingen van aan te tonen. De kritiek is meervoudig. Vooreerst wordt (vast) gesteld dat ambtenaren in de praktijk vaak wel met beleid bezig zijn en wel intensief samenwerken met politici. Een tweede kritiekpunt is dat het scheidingsmodel de neutraliteit van beleidsuitvoering overschat, doordat politici eigenlijk wel helpen uitvoeren.
59
New cards
Welke twee stromingen zijn te onderscheiden in andere modellen?
1. De roltechnische stroming waarin de (zelf)analyse van wat ambtenaren en politici in het beleidsproces inbrengen gecombineerd werd met een beschrijving van hun opinies en socio-demografische kenmerken.

2. En de structurele relatie-stromingen. Deze spits zich volgens Peters en Pierre toe op de impact van structuren en systeemkenmerken op de interactie en (machts)verhouding tussen beide beleidsactoren.
60
New cards
Beschrijf de roltypologie van Aberbach, Putnam en Rockman.
Ze onderzochten hoe topambtenaren en politici als 'policymakers' van elkaar verschillen en trachtten de verschillen en gelijkenissen te verklaren. Ze hanteerden daarbij een vierledige roltypologie als 'search light'. (1) Policy versus administration, dit beeld stelt het rolverschil tussen politici en ambtenaren gelijk met de kenmerk van het dichotome model, afzijdig dus. (2) Facts versus interest, in dit model bestaat het rolverschil tussen beide actoren uit het feit dat ambtenaren enkel feiten en kennis in het beleidsproces inbrengen, terwijl politici waarden en belangen inbrengen. (3) Energy versus equilibrium, beide actoren brengen in dit type waarden en belangen in, maar de aard van de ingebrachte belangen verschilt. Politici articuleren brede, diffuse belangen terwijl ambtenaren enge, specifieke belangen behartigen. (4) Hybride, het hybride model gaat er van uit dat er geen scheiding meer bestaat tussen ambtelijke en politieke rollen. Ambtenaren fungeren dan als politici en politici houden zich bezig met ambtelijke details.

Ze vonden 1 en 3. En zeiden daarbij dat politici een ideologisch raamwerk hanteren, ze denken meer in distributieve termen en in termen van conflicterende belangen en zijn meer 'forward looking'. Ambtenaren vragen zich meer af of iets 'do-able' is en zijn bezig met meer praktische kwesties, hetgeen sterk doet doet denken aan Image III.
61
New cards
Beschrijf de roltheoretische inzichten van Svara.
Svara (1985) herinterpreteert de klassieke dichotomie door de rollen van beide actoren te situeren in de beleidscyclus. Hij onderscheid vier beleidsfasen: mission, policy, administration en management. Hij doopte zijn model het dichotomy-duality model. Hoe verder je van mission naar management gaat hoe meer je naar het primaat van de beleidsmakers gaat en hoe minder de politici het primaat hebben en visa versa.
62
New cards
Beschrijf de public service bargain benadering van Hood.
Hood stelt dat elke relatie tussen politici en ambtenaren berust op een expliciete of impliciete ruil (bargain) waarbij beide partijen iets geven en iets krijgen. In een internationaal-vergelijkend perspectief tekent hij acht ruil (bargain)-types uit waarbij de aard en omvang van de ruil telkens verschilt.

Het NPM veronderstelt zonder twijfel een nieuwe type van public service bargain met als kenmerken de contractualisering van de relatie en de introductie van output gebaseerde sturings- en beloningssystemen.
63
New cards
Beschrijf de structurele-relatie van Peters.
De modellen van Peters handelen niet over rolvarianties in het kader van beleidsvoering, maar hebben betrekking op de mate en aard van de samenwerking en machtsverhoudingen tussen beide elites. Hij onderscheid in zijn modellen vijf karakteristieken: de toon van de interactie, de dominante partner, de wijze van conflictoplossing, de aard van de interactie en de impact op het beleid. Hij geeft dan vijf interactiemodellen weer. (1) Formal legal. (2) Village life. (3) Functional Village Life. (4) Adversarial en (5) Administrative state. Opmerkelijk is dat sommige van zijn interactiemodellen uitgaan van een goede verstandshouding tussen beide elites en dat er niet noodzakelijk een dominante actor in de relatie moet zijn. De andere drie modellen stellen een minder gelijkwaardige verhouding tussen beide actoren voorop.
64
New cards
Beschrijf de belangrijste vijf determinanten van de rol tussen politiek en ambtelijk.
1. Socio-demografisch profiel: of politici en ambtenaren dezelfde opleidingsachtergrond en werkervaring hebben of niet zal volgens Peters de relatie beinvloeden.
2. Kenmerken van het politiek systeem: de electorale cyclus en de politieke stabiliteit van een regering bepalen rechtstreeks hoe lang ministers aan het hoofd van hun departement blijven. Hoe korter hun verblijf, hoe groter de macht en impact van de administratie zal zijn. Ten tweede loopt de politiek-ambtelijke verhouding wellicht anders in een systeem van coalitieregeringen dan in een meerderheidssysteem.
3. Het gevoerde HRM-Beleid: het spreekt voor zich dat een gepolitiseerd wervings- en of benoemingssysteem een geheel andere politiek-ambtelijke verhouding met zich meebrengt dan een objectief HRM-beleid waarbij competenties of anciënniteit centraal staan.
4. Structuur van de ambtelijke organisatie: op structureel vlak is het natuurlijk van belang of een ambtenaar een of meerdere politieke bazen heeft. Daarnaast speelt ook hiërarchische structuren van een administratie een rol. Maar anderzijds kunnen een veelheid van verzelfstandigde diensten ook de span of control van een minister bedreigen.
5. De aanwezigheid van ministeriele adviseurs. Hoe meer adviseurs hoe minder beleidsmacht voor de ambtenaren.
65
New cards
Beschrijf de politieke benoemingen.
Er zijn drie oorzaken voor politieke benoemingen: politieke controle over de ambtenarij, clientelisme en pacificatiepolitiek. Pelgrims stelde vast dat politieke criteria zeker hebben meegespeeld bij de aanstelling van de topambtenaren in Vlaanderen, niet alleen in het algemeen, maar ook per beleidsdomein omdat er naar gestreefd werd om alle politieke partijen te vertegenwoordigen in alle beleidsraden. Vancoppenolle stelde in zijn onderzoek vast dat 78,7% van de bevraagde Vlaamse topambtenaren een stabiele partijvoorkeur had en dat 47% onder hen zelfs lid was van een politieke partij op het moment van zijn onderzoek.
66
New cards
Beschrijf de ministriele kabinetten.
Omschrijving: "beleidsondersteunende organen ten diensten van ministers, met als kern een aantal politieke beleidsadviseurs, die hun functie tijdelijk vervullen en niet behoren tot de ambtelijke hiërarchie." De facto blijkt dat kabinetsmedewerkers toch hiërarchisch boven de administratie staan, al was het maar omdat ze namens de minister spreken en orders en standpunten van de minister overmaken aan de administraties. Steevast enkele tientallen adviseurs werkzaam in totaal 292 kabinetsmedewerkers voor 9 ministers. Onder de beleidsadviseurs bestaat een zekere hiërarchie. Kabinetschefs nemen de inhoudelijke leiding op zich en worden daarin bijgestaan door twee of meer adjunct-kabinetschefs. Die elke 1 of meerdere beleidsbevoegdheden afdekken, daaronder zitten adviseurs. Raadgevers zijn vaak gedetacheerd vanuit een bepaalde administratie. Hoe hoger men in de hiërarchie opklimt, hoe belangrijker partijpolitiek wordt en hoe belangrijker het wordt om tot dezelfde partij als de minister te behoren. Het zijn politieke functies. Het is een beleidskweekschool, verdekte partijfinanciering en ze doen vertegenwoordigen een dienstbetoon namens een partij of minister aan de kiezer of kieskring. Het is ook een wachtheuvel tot er weer een functie vrij komt. Daarnaast is het een springplank tot een ministeriele functie.
67
New cards
Beschrijf de 6 officiele functies van de ministriele kabinetten.
De officiële taakomschrijving en feitelijke vormen zijn in 6 bevoegdheden en taken te gieten: (1) advies verlenen over de functionele bevoegdheden van de minister (2) advies verlenen over aspecten waarover collegiaal beslist wordt (3) advies verlenen over inhoudelijke voorstellen van de administratie op vlak van beleidsondersteuning en op vlak van aansturing en opvolging beleidsuitvoering (4) adviseren over aangelegenheden die invloed kunnen uitoefenen op het algemeen beleid of op de werkzaamheden van het Vlaams Parlement. (5) verzorgen van het secretariaat van de minister en persoonlijke briefwisseling (6) instaan voor het woordvoerderschap van de minister.
68
New cards
Welke vier plannen zijn er (geweest) om de politiek-publieke verhoudingen recht te zetten?
1. Poging tot hervormingen van de federale politiek-ambtelijke verhouding via de Copernicus-hervormingen.
2. Pogingen tot hervorming van de Vlaamse politiek-ambtelijke verhouding via de hervorming Beter Bestuurlijk Beleid.
3. De hervormingen van de Belgische politiek-ambtelijke relatie vanuit het perspectief van de public service bargain theorie.
4. Haalbaarheid van de randvoorwaarden voor een andere politieke ambtelijke verhouding
69
New cards
Beschrijf de poging tot hervormingen van de federale politiek-ambtelijke verhouding via de Copernicus-hervormingen.
Het was de bedoeling dat de ministeriele kabinetten zouden afslanken tot een beperkt persoonlijk en politiek secretariaat van ongeveer vijf personen. In de administraties zouden beleidscellen opgericht worden om het beleid van de minister mee te helpen uitwerken. Ondanks de mooie plannen slaagde de regering er niet helemaal in om al haar ambities in praktijk om te zetten. Vandaag bestaan er op federaal niveau dan ook nog steeds ministeriele kabinetten, los van de administratie en persoonlijk samengesteld door de minister, al worden ze officieel wel beleidscellen genoemd.
70
New cards
Beschrijf de pogingen tot hervorming van de Vlaamse politiek-ambtelijke verhouding via de hervorming Beter Bestuurlijk Beleid.
Bij de vorming van de regering in 2009 is men er in geslaagd om het aantal kabinetsmedewerkers te reduceren. Zoals genoemd in BBB. Echter de gerealiseerde afslanking van de omvang van de Vlaamse kabinetten lijkt ons om voorgaande redenen vooralsnog geen echte stap in de richting van een revolutionaire afslanking tot politiek secretariaat te zijn.
71
New cards
Beschrijf de hervormingen van de Belgische politiek-ambtelijke relatie vanuit het perspectief van de public service bargain theorie.
Het lijkt er sterk op dat beide hervormingen een nieuwe type van public service bargain in België wilden installeren, namelijk een delagated kind of agency bargain gekenmerkt door de introductie van managementcontracten, een mandaatsysteem, resultaatgerichtheid, meer verantwoordelijkheid en autonomie en een hogere verloning. Dit zou er op kunnen wijzen dat de delegated agency bargain en de thermostatic control moeilijk aarden in ons politiek-ambtelijk systeem, gekenmerkt door allerhande checks and balances.
72
New cards
Beschrijf de haalbaarheid van de randvoorwaarden voor een andere politieke ambtelijke verhouding
Indien het de bedoeling is om de spilfunctie van kabinetten door te schuiven naar ambtenaren, dan gaat het echter om een complete herpositionering van de ambtenaren in het politiek-maatschappelijk krachtenveld. Ten tweede zijn de horizontale en maatschappelijke contacten in ons verzuild politiek-maatschappelijk systeem per definitie nog steeds politieke contacten, waardoor ze niet zo maar overgedragen kunnen worden. Tenslotte vergt het ook veel vertrouwen en/of een duidelijk mandaat vanuit de minister en/of regering om bepaalde beleidsvoorbereidende taken goed te kunnen uitvoeren.
73
New cards
Wat is regulering?
Regulering, of ook wel toezicht genoemd, gaat steeds over het sturen en beïnvloeden van het gedrag van een andere actor. Overheden kunnen invloed uitoefenen op burgers en bedrijven door hen dwingende normen op te leggen.
74
New cards
Uit welke vier activiteiten bestaat regulering?
De command and control bestaat uit vier verschillende activiteiten:
1. Vastleggen van normen en omzetten in specifieke criteria en standaarden waaraan gereguleerde moeten voldoen (regelgeving).
2. Toepassen van de regels op individuele gevallen (bijv. vergunningen)
3. Controleren van regels, om zeker te zijn dat de normen worden nageleefd wordt de naleving van de regels door deze maatschappelijke actoren opgevolgd.
4. Afdwingen van regels: boetes en dergelijke.
75
New cards
Waarom regulering?
Het klassieke argument voor regulering is dat de overheid bepaalde spelregels moet opleggen voor een betere werking van private markten. Monopolies zijn een goed voorbeeld ervan. Een bijzonder geval van monopolies dat sinds de jaren '80 geleid heeft tot een sterke toename van het belang van regulering, zijn de zogenaamde natuurlijke monopolies.
76
New cards
Noem vier redenen om te reguleren.
- externe effecten.
- Asymmetrische informatie.
- Anticompetitief gedrag.
- Universele dienstverlening.
77
New cards
Beschrijf de externe effecten.
In sommige gevallen betalen consumenten slechts een deel van de kostprijs van een product en wordt het resterende deel afgewenteld op een derde partij. (milieuvervuilingen)
78
New cards
Beschrijf de asymmetrische informatie.
Markten kunnen enkel competitief zijn wanneer consumenten voldoende informatie hebben en concurrerende producten met elkaar kunnen vergelijken. Informatievoordeel opgeven is voorbeeld.
79
New cards
Beschrijf anticompetitief gedrag.
Markten waar wel competitie aanwezig is, kunnen soms verstoord worden. Latere prijs dan kostprijs t.b.v. marktaandeel winnen en afspraken met elkaar maken (kartelvorming).
80
New cards
Beschrijf universele dienstverlening.
Voor sommige producten of diensten zullen producenten geneigd zijn om hun producten slechts op een deel van de markt aan te bieden. (voorbeeld: de levering van drinkwater op het platteland.
81
New cards
Wat zijn public interest motieven?
Regulering kan ook gebeuren om het algemene belang te beschermen. Fusies van grote bedrijven kunnen ervoor zorgen dat er nieuwe monopolies ontstaan.
82
New cards
Waar gaan positieve economische motieven vanuit?
Er zijn ook economen die zeggen dat de markt vanzelf wel haar eigen falen opruimt.
83
New cards
Samenvattend: kunnen we op basis van de economische en public interest theorieën besluiten dat de motieven voor regulering door de overheid heel divers zijn. We kunnen ze in twee categorieën onderscheiden:
1. Economische regulering is gericht op het corrigeren van marktfalen en op het toezien dat er voldoende competitie is.
2. Maatschappelijke regulering: is gericht op het verminderen van bepaalde maatschappelijke risico's die het gevolg kunnen zijn van schadelijke activiteiten.
84
New cards
Beschrijf de ontvangers en producenten van reguleringen.
Er zijn verschillende ontvangers en producenten van reguleringen. Zo reguleert de overheid zichzelf en andere delen van de overheid, de markt door regulering van marktwerking en de burger door rechten en fundamentele vrijheden te waarborgen. De markt reguleert zichzelf door zelfregulering en de burger reguleert eveneens de markt door consumentenorganisaties en kwaliteitslabels uit te geven. De Markt en Burger reguleren niet de overheid of de burger.
85
New cards
Welke vijf vormen van regulering zijn er?
- Command and control.
- Zelfregulering.
- Met als risico op capture.
- Geconditioneerde zelfregulering.
- Slimme regulering.
86
New cards
Wat is zelfregulering?
Zelfregulering betekent dat ondernemingen onderling afspreken om zich aan bepaalde regels te houden.
87
New cards
Wat is met als risico op capture regulering?
Met als risico op capture: dat de organisaties die gereguleerd worden invloed uitoefenen op de gereguleerde agentschap.
88
New cards
Wat is geconditioneerde zelfregulering?
Geconditioneerde zelfregulering is een tussenvorm. De markt reguleert zichzelf maar de overheid houdt toezicht op de gereguleerde markt.
89
New cards
Beschrijf Slimme regulering.
Omdat zelfregulering belangrijke nadelen heeft, is de laatste jaren vooral aandacht besteed om de traditionele command and control stijl te moderniseren, zonder dat de overheid de regulering uit handen geeft. Slimme of betere regulering is erop gericht om de kwaliteit van regulering geproduceerd door de overheid te verhogen. Een voorbeeld is dat bij het opstellen van regels er eerst een bewustzijn gecreëerd wordt bij de opsteller door middel van een vragenlijst. (ACTAL in Nederland). Een andere techniek die de controle op de naleving van regels moderniseert is het gebruik van risicoanalyses door inspectiediensten.
90
New cards
Wat is command and control?
Command and control: de nadruk ligt op het ontwerpen van strikte regels en het afdwingen ervan via doorgedreven controle en sanctionering.
91
New cards
Welke vijf rollen kan de overheid op zich nemen en daarmee (gedeeltelijk) reguleren?
1. Eigenaar: overheidsbedrijven leveren publieke goederen en diensten.
2. Opdrachtgever: de overheid laat een andere partij, private partij, goederen en/of diensten opzetten.
3. De beleidsmaker: de meest essentiële rol. Want hierdoor bepaalt de overheid het doel van de markt: moet er via de markt een herverdeling van de rijkdom gebeuren, of mag er slechts selectief ingegrepen worden om de markt in stand te kunnen houden?
4. Toezichthoudende overheid: nog minder mee bezig met de productie en aanbieding van goederen en diensten, maar zorgt er wel voor dat een aantal collectieve publieke belangen gevrijwaard worden.
5. Als marktmeester: de overheid is er verantwoordelijk voor dat een markt competitief is en blijft
92
New cards
Regulerendestaat?
We kunnen haast concluderen dat de regulerende staat de welvaartstaats gedeeltelijk of volledig vervangen. Dit is echter niet noodzakelijk het eindpunt. Het belang van netwerken kan hierbij benadrukt worden: verschillende actoren, zowel overheidsorganisaties als private zelfregulatoren, moeten samenwerken met elkaar en sturen elkaar aan. In zo'n post-regulerende staat is de rol van de overheid beperkter: zij is slechts een regulerende actor.
93
New cards
Waarom liberalisering of privatisering?
Markten zijn slechts competitief wanneer aan een aantal voorwaarden voldaan is: er moeten veel kopers en verkopers zijn; de markt moet bestaan uit homogene producten; ofwel producten die onderling inwisselbaar zijn; er mogen geen barrières zijn voor mogelijke concurrenten om de markt te betreden of er uit te stappen; de spelers in de markt moeten voldoende geïnformeerd zijn over de kwaliteit en de prijzen van goederen; en er mogen geen externe effecten zijn.
94
New cards
Wat is liberalisering?
Wanneer de overheid zich tot doel stelt om de competitie op de markt te verhogen, door er bijvoorbeeld voor te zorgen dat meerdere bedrijven actief worden op een markt, dan spreken we van liberalisering van die markt. In de initiële periode van liberalisering wordt vaak de nadruk gelegd op een deregulering van de markt, om het mogelijk te maken de barrières te verwijderen die het voor andere spelers voordien moeilijk maakten om tot de markt toe te treden. Echter moet er vaak ook weer nieuwe regels opgesteld worden maar niet om het monopolie te beschermen maar om de marktfalen te voorkomen die op zullen treden bij meerdere actoren op de markt.
95
New cards
Wanneer spreken we van privatisering?
Pas als de overheid beslist dat ze niet langer wil instaan als rechtstreekse producent van goederen en diensten, maar de activiteit overdraag aan de private markt, spreekt men van privatisering.
96
New cards
Wat zijn regulerende agentschappen?
Regulerende agentschappen beschikken over specifieke expertise in de markt waarvoor zij als regulator optreden, en zijn een van de meest markante kenmerken van de regulerende staat. Er zijn historische verklaringen voor de creatie van agentschappen sommige landen eerder dan andere. Er zijn sociologische verklaringen dat internationale organisaties het aanmoedigede en de economische motieven. Voorbeelden zijn Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de voedselketen of op Vlaams gebied de Vlaamse Regulator voor de Media (VRM).
97
New cards
Noem twee economische motieven van het gebruik van regulerende agentschappen.
Het gebruik van onafhankelijke regulerende agentschappen heeft twee grote economische voordelen: de regulering is geloofwaardiger indien uitgevoerd door dit soort organisaties en de complexe regulering kan toevertrouwd worden aan experten.
98
New cards
Benoem kritiek op de regulerende agentschappen.
Tegelijkertijd kan er ook kritiek geleverd worden op het gebruik van onafhankelijke agentschappen, waarvan we de twee voornaamste belichten. D eerste is het gebrek aan democratische controle op dit soort organisaties. De tweede kritiek is dat de marktspelers, die door het onafhankelijk agentschap gereguleerd worden, er in zullen slagen het agentschap in grote mate te beïnvloeden, waardoor regulering op maat gemaakt wordt van de bestaande marktspelers. Door de grote invloed raakt de regulator als het ware bevangen door de belangen van de marktspelers, wat in het Engels, regulatory capture wordt genoemd.
99
New cards
Beschrijf de evaluatie op de regulering.
Kan via ex post, meer in de voorbereidingsfase en de ex post evaluatie. Kosten baten analyse is steeds het doel van de evaluatie. Kosten zijn de reguleringskosten een agentschap in staat stellen tot regulering. De baten zijn moeilijk te definiëren. Maar gaan vooral om verhoogde output, efficiëntiewinsten, kwaliteitswinsten, capaciteits- en investeringswinsten, prijsdalingen, competitieverhoging, en sociale indicatoren.
100
New cards
Multiactor regulering en regulerende constellaties:
Regulerende agentschappen opereren niet alleenstaand. Ze moeten rekening houden met andere publieke actoren die actief zijn binnen dezelfde sector. Het geheel van deze actoren wordt ook wel eens de regulerende constellatie genoemd. Dit maakt coördinatie tussen deze actoren noodzakelijk. Vier assen van coördinatie: eerste as is horizontaal, en omvat alle relaties met actoren op hetzelfde administratieve niveau. Een tweede as is verticaal, en beschrijft relaties met actoren op een ander administratief niveau. De derde as heeft betrekking op samenwerking met regulatoren van verschillende sectoren binnen eenzelfde regulerende constellatie. De vierde en laatste as geldt enkel voor economische regulering en betreft de coördinatie met de algemene mededingingsautoriteit. Er zou kunnen geargumenteerd worden dat er tevens een vijfde as aanwezig is: de relatie met gereguleerde maar die zien we niet terug in modellen.

Explore top flashcards

Los retrato vocab
Updated 1170d ago
flashcards Flashcards (23)
Kapitel 4
Updated 1115d ago
flashcards Flashcards (69)
Unit 1 Chem
Updated 383d ago
flashcards Flashcards (69)
Bio 2 e-ipsi
Updated 58d ago
flashcards Flashcards (22)
TECTONICS
Updated 638d ago
flashcards Flashcards (40)
Los retrato vocab
Updated 1170d ago
flashcards Flashcards (23)
Kapitel 4
Updated 1115d ago
flashcards Flashcards (69)
Unit 1 Chem
Updated 383d ago
flashcards Flashcards (69)
Bio 2 e-ipsi
Updated 58d ago
flashcards Flashcards (22)
TECTONICS
Updated 638d ago
flashcards Flashcards (40)