1/26
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No study sessions yet.
courir
lopen
croire
geloven, denken
devoir
moeten
dire
zeggen
faire
doen, maken
falloir
nodig zijn, moeten
fuir
vluchten
(re)lire
(her)lezen
mourir
sterven
mouri (de faim, de soif)
omkomen (van honger, dorst)
plaire à
bevallen, aanstaan, dat bevalt me
pleuvoir
regenen
pouvoir
kunnen, mogen
recevoir
ontvangen, krijgen
résoudre
oplossen
rompre
breken, verbreken (vaak figuurlijk)
rompre avec une personne
met iemand breken (relatie)
interrompre
onderbreken
savoir
weten (kunnen)
suffire
volstaan, dat volstaat
suivre
volgen
se taire
zwijgen
valoir
waard zijn
voir
zien
revoir
terugzien
vouloir
willen