Dierkunde examenvragen theorie

0.0(0)
studied byStudied by 6 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/352

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 8:45 AM on 6/23/23
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

353 Terms

1
New cards
Histologie is weefselleer
Juist
2
New cards
Cytologie betekent weefselleer
Fout, is celleer
3
New cards
De cytologie (= celleer) bestudeert de bouw en functie van de cel
Juist
4
New cards
De ontogenie bestudeert de ontwikkelings- en groeiprocessen vanaf het juveniel of larvaal stadium tot de dood van het volwassen dier
Fout, de studie begint vanaf het ei
5
New cards
De ontogenie bestudeert de ontwikkelings- en groeiprocessen van een dier vanaf het larvaal stadium tot de dood van het volwassen dier
Fout, de studie begint vanaf het ei
6
New cards
De ontogenie bestudeert de ontwikkelings- en groeiprocessen van een dier vanaf het ei tot de dood van het volwassen dier
Juist
7
New cards
De embryologie is onderdeel van de ontogenie
Juist, de embryologie is de studie vanaf de eerste klievingen in het ei tot zelfstandig leven
8
New cards
Heterotypische betrekkingen zijn betrekkingen tussen organismen van verschillende populaties
Juist ----------------------
9
New cards
Onder biologische evolutie verstaat men de progressieve ontwikkeling van dieren en planten uit voorouders met verschillende en in regel minder complexe morfologie en fysiologie
Juist
10
New cards
Micro-evolutie is het proces waarbij 1 soort splitst in verschillende soorten of omgevormd wordt in een andere soort, binnen de grenzen van hetzelfde genus
Juist
11
New cards
Analoge organen hebben een verschillende origine, maar een gelijkaardige functie
Juist
12
New cards
Analoge organen hebben dezelfde oorsprong, maar niet dezelfde functie
Fout, net omgekeerd. Ze hebben een verschillende oorsprong maar dezelfde functie. Ze hebben zich ontwikkeld door convergente evolutie
13
New cards
Homologe organen hebben dezelfde structuur maar een verschillende functie
Fout, hun functie is niet ALTIJD verschillend
14
New cards
Homologe organen hebben een verschillende origine, maar een gelijkaardige functie
Fout, dit zijn analoge organen
15
New cards
Vleugel van vogel en de arm van de mens zijn homologe organen
Juist, de arm van de mens, mol, vos, paard, vleermuis, duif, pengiun zijn homologe organen (dus op dezelfde manier gebouwd/ dezelfde oorsprong maar een gelijkaardige OF verschillende functie)
16
New cards
Volgens de biogenetische wet van Haeckel is de fylogenie een korte en gewijzigde herhaling van de ontogenie.
Fout, de ontogonie (= de ontwikkeling van een individu vanaf het ei tot de dood) is een korte gewijzigde herhaling van de fylogenie (= ontwikkeling in der loop der tijden, afstammingsleer)
17
New cards
Fylogenie is een korte en gewijzigde herhaling van de ontogenie
Fout, de ontogonie (= de ontwikkeling van een individu vanaf het ei tot de dood) is een korte gewijzigde herhaling van de fylogenie (= ontwikkeling in der loop der tijden, afstammingsleer)
18
New cards
Bij polytypische diersoorten gebruikt men een trinominale nomenclatuur
Juist, polytypische dierensoorten zijn diersoorten die uit verschillende ondersoorten of rassen bestaan
19
New cards
De nomenclatuur van een ondersoort of ras is Latijns en binominaal
Fout, trinominaal
20
New cards
Een taxon is monofyletisch als er 1 voorouder aan de basis stond van alle organismen binnen dit taxon, en geen enkel organisme van een ander taxon
Juist
21
New cards
Het 5-rijkensysteem van Whittaker omvat 3 organisatieniveau’s
Juist, het prokaryotisch (monera), eukaryotisch-eencellig (Protocista) en eukaryotisch meercellig niveau.
22
New cards
Mitochondria en een Golgi-apparaat komen zowel voor bij de Prokaryota als bij de Eukaryota
Fout, niet bij de Prokaryota
23
New cards
Evolutie kan zich alleen voordoen als aan alle vereisten van de wet van Hardyen Weinberg is voldaan
Fout, er treedt dan net geen evolutie op
24
New cards
Complexogen duiden op een verre fase van evolutie
Juist, uit ontwikkelingsreeksen kan worden afgeleid dat fossielen uit oudere aardlagen een eenvoudigere bouw hebben
25
New cards
Uit 1 Oögonium ontstaat tijdens de gametogenesis altijd maar 1 rijpe eicel
Fout, uit 1 ogonia onstaan meerdere eicellen agv de multiplicatiefase
26
New cards
Uit 1 Oögonium ontstaat tijdens de oögenese maar 1 ovum, de gevormde poollichaampjes zijn het resultaat van asymmetrische cytokinese.
Fout, er onstaan meerdere rijpe eicellen agv de multiplicatie fase. Poollichaampjes zijn het resultaat van asymmetrische cytokinese
27
New cards
Reptilia, Aves en Mammalia hebben een telolecithaal eitype
Fout, Mammalia heeft isolecitale of oligolecitale eitjes
28
New cards
Piscis, Reptilia, Aves en Mammalia bezitten mesolecitale eitjes
Fout, Mammalia heeft isolecitale of oligolecitale eitjes
29
New cards
Bij het centrolecitale eitype ligt het dooiermateriaal aan de animale pool
Fout, het dooiermateriaal ligt rond de centraal gelegen kern met daarrond nog een laagje cytoplasma
30
New cards
Uit de primaire gonocyten ontstaan in de testes de spermatogoniën, waaruit na reductiedeling de spermatozoïden ontstaan.
Fout, na de reductiedeling onstaan spermatiden, die daarna worden omgevormd tot spermatozoiden dmv speriogenese
31
New cards
De spermiogenese is de transformatie van spermatocyten naar spermatozoa
Fout, van spermatiden naar spermatozoa
32
New cards
Een inwendige bevruchting wordt gekenmerkt door het feit dat het mannetje zijn spermatozoa rechtstreeks in het geslachtskanaal van de wijfjes brengt.
Fout, de spermatozoa worden in het lichaam, de geslachtswegen of in de buurt, gebracht
33
New cards
De corticale korrels, die na het binnendringen van de spermatozoïde in de eicel hun inhoud uitstorten tussen de plasmamembraan en de vitelliene membraan van de eicel, bevatten o.a. enzymen die de vitelliene membraan ombouwen tot een fertilisatiemembraan
Juist, fertilisatiemembraan = bevruchtingsmembraan
34
New cards
De corticale korrels, die bij een bevruchting hun inhoud uitstorten tussen het plasmamembraan en het vitelliene membraan, bevatten onder meer enzymen die dat vitelliene membraan ombouwen tot een bevruchtingsmembraan
Juist, bevruchtingsmembraan = fertilisatiemembraan
35
New cards
Het klievingstype van een eicel wordt enkel bepaald door het type eicel (dus door de hoeveelheid en de plaats van de dooier)
Fout, ook de diergroep/ diersoort speelt een rol
36
New cards
De verschillende types van klieving van een zygote zijn alleen afhankelijk van de ligging van de dooier
Fout, ook van de diergroep/ diersoort
37
New cards
Door voortdurende delingen van de zygote ontstaat de morula, een celklompje met binnenin de klievingholte of blastoceel
Fout, men spreekt van de morula vanaf het 16-cel-stadium. Hierin onstaat door verdere deling en migratie een centrale holte omgeven door 1 cellaag = blastoceel

Vanaf het 64-celstadium spreekt men van een blastula
38
New cards
Bij een meroblastische klieving wordt de buitenste laag van het ei volledig in de delingen betrokken.
Fout, partiële klieving betrekt slechts een deel van de buitenste laag
39
New cards
Centrolecitale eieren van bijvoorbeeld vogels ondergaan een meroblastische discoïdale klieving
Fout, telolecticale eieren van vogels ondergaan meroblastische discoïdale klieving
40
New cards
Het zenuwstelsel en het spierstelsel ontstaan uit het ectoderm
Fout, het zenuwstelsel ontstaat uit ectoderm, het spierstelsel uit mesoderm
41
New cards
Epidermis, zenuwstelsel en bloedvatenstelsel ontstaan uit het mesoderm
Fout, de epidermis in het zenuwstelsel ontstaan uit het ectoderm, het bloedvatenstelsel uit het mesoderm
42
New cards
Het zenuwstelsel is van endodermale oorsprong
Fout, het zenuwstelsel is van ectodermale oorsprong
43
New cards
In epitheelweefsel vindt men geen bloed- of lymfevaten terug, de voeding komt uit het bindweefsel via het basaalmembraan
Juist
44
New cards
Eénlagig plaat- of plaveiselepitheel is een dekepitheel dat een grote doorlaatbaarheid voor gassen en vloeistoffen bezit
Juist, het komt oa voor in de wanden van de longblaasjes en als bedekkingslaag van het buikvlies
45
New cards
Onze epidermis is een verhoornd meerlagig plaatepitheel, afkomstig van ectoderm
Juist, plaatepitheel is een synoniem voor plaveis-epitheel
46
New cards
Bij apocriene kliercellen wordt het secreet uit de cel gestoten via exocytose
Fout, dit is bij meroklieren kliercellen. Apocriene kliercellen snoeren de top met het secreet af
47
New cards
Merocriene kliercellen geven hun secreet af via exocytose
Juist
48
New cards
Losmazig en dicht bindweefsel bevatten steeds collageenvezels
Juist
49
New cards
Bij endesmale beenvorming ontstaat het beenweefsel rechtstreeks uit het embryonaal bindweefsel.
Juist
50
New cards
Bij compact lamellair been liggen de lamellen voor het grootste gedeelte rond de kanalen van Havers, deze laatste zijn gevuld met rood beenmerg
Fout, de lamellen zijn gerangschikt om de kanalen van Havers waarin een bloedvat ligt voor voeding van de osteocyten. Rood beenmerg komt voor bij spongieus lamellair been
51
New cards
Spongieus lamellair been in de holtes van osteonen wordt opgevuld door rood beenmerg
Span
52
New cards
Spierweefsel bestaat uitsluitend uit spiervezels; laatste worden gekenmerkt door de aanwezigheid van myofibrillen, die zorgen voor de contractie
Fout, spierweefsel bestaat ook uit bindweefsel, bloedvaten, en zenuwweefsel. De spiervezels worden wel gekenmerkt door myofibrillen
53
New cards
De spiercellen van skeletspierweefsel zijn syncytia
Juist, myoblasten werden gefuseert
54
New cards
Een syncitium is een secundair meerkernige cel, gevormd door versmelting van verschillende eenkernige cellen
Juist, door fusie van myoblasten
55
New cards
Bij samentrekking van de spieren verkorten vooral de sarcomeren
Juist, de grove en fijne filamenten waaruit een sacromeer bestaat verkorten niet, deze schuiven over elkaar, ook de I-band verkort terwijl de A-band zijn lengte blijft behouden
56
New cards
De contractiele eiwitten actine en myosine komen zowel in amoeben als in zoogdieren voor
Juist
57
New cards
Spierfilamenten verkorten bij contractie
Fout, ze schuiven over elkaar
58
New cards
Bij spiercontractie verkorten vooral de actinefilamenten
Fout, bij een spiercontractie verkorten de filamenten niet. Dit is wel geldig als men het sacromeer beschouwd
59
New cards
Door binding van Ca2+ (afkomstig van sarcoplasmatisch reticulum) op de troponinemoleculen, verandert de positie van de tropomyosinemoleculen en komen er bindingsplaatsen vrij op actinefilamenten waarop de koppen van de myosinemoleculen zich kunnen binden → spiercontratie
Juist
60
New cards
De spiercontractie gebeurt door binding van Ca2+ (van het sarcoplasmatisch reticulum) op de troponinemoleculen, waardoor de positie van de tropomyosine verandert en de bindingsplaatsen voor de koppen van de myosinemoleculen vrijkomen
Juist
61
New cards
Bloed bestaat voor ongeveer 45% uit gefigureerde elementen en voor 55% uit water
Fout, uit 45% gefigureerde elementen en 55% uit bloedplasma. Water is 90% van het bloedplasma
62
New cards
Bloed bestaat voor 90% uit water
Fout, bloedplasma bestaat uit 90% water
63
New cards
Bij zoogdieren worden de erytrocyten gevormd in het rode beenmerg van platte en lange beenderen
Juist
64
New cards
Erytrocyten van zoogdieren worden gevormd in het rode beenmerg in de lange en platte beenderen. Deze cellen hebben geen kern
Juist, bij andere vertebraten (naast de zoogdieren) zijn de erytrocyten wel gekernd
65
New cards
Thromobocyten bevatten thromoboplastine, een stof die zorgt voor de omzetting van prothrombine tot thrombine; thrombine speelt een rol bij de omzetting van fibrinogeen tot fibrine
Juist:

prothrombine (lever) + thromboplastine → thrombine

thrombine + fibrogeen → fibrine
66
New cards
Elk neuron heeft slechts 1 axon
Juist
67
New cards
De Schwancellen in het centraal zenuwstelsel zijn niet gemyeliniseerd.
Fout, in het CZS zijn er geen Schwancellen.

Het PZC bevat er wel, en deze bevatten veel myline bij de vertebraten en zijn niet gemyeliniseerd bij de invertebraten
68
New cards
Oligondrocyten (een type neurogliacellen) vormen cellulaire uitlopers die een myelineschede kunnen leggen rond nabijgelegen axonen in het centraal zenuwstelsel
Juist
69
New cards
Bij een bipolair neuron draagt het perikaryon één dendriet en één axon. Deze neuronvorm komt vooral voor bij zintuigen.
Juist, het cellichaam / perikaryon draagt 2 vertakkingen: een korte distale dendriet en een lang proximaal axon. Deze komen voor in de zintuigen
70
New cards
71. Over de zenuwimpuls: de actiepotentiaal wordt beschouwd door opening van voltagegevoelige K kanalen, waardoor K+-ionen de zenuwcel binnenkomen en de membraan potentiaal minder negatief maken (depolarisatie van de membraan).
fout
71
New cards
72. Zenuwimpuls: actiepotentiaal wordt opgebouwd door opening van voltagegevoelige K+kanalen in het plasmamembraan, waarop K+-ionen de cel instromen en de membraanpotentiaal minder negatief maken. Dit is de depolarisatie van het membraan.
fout
72
New cards
73. Het vrijstellen van neurotransmitters uit synaptische vesikels in de synaptische spleet gebeurt onder invloed van Ca2+-ionen
juist
73
New cards
74. De Deuterostomia zijn de Metazoa waarbij de uiteindelijke mond niet uit blastoporus ontstaat
juist
74
New cards
75. Bij de Epineurii bevindt het centraal zenuwstelsel zich helemaal boven het spijsverteringsstelsel.
juist
75
New cards
76. Bij een acoelomaat organisme is het mesoderm altijd afwezig.
fout
76
New cards
77. Bij schizocoelomaten, zoals de Annelida en de Arthropoda, ontstaat het mesoderm als uitgroeiing (outpockets) van de endoderm.
fout
77
New cards
78. Bij de Enterocoelomata ontstaat het mesoderm als uitgroeiingen ('outpockets') van het endoderm.
juist
78
New cards
79. Stelling over de holozoïsche en saprozoïsche voeding (duid maar gewoon juist aan)
juist
79
New cards
80. Holozoïsch heterotrofe ééncelligen voeden zich via fagocytose
juist
80
New cards
81. De belangrijkste functie van de contractiele vacuolen bij Protozoa is het verwijderen van osmotisch binnengedrongen water
juist
81
New cards
82. Flagellumstructuur: ter hoogte van de blefaroplast komen 9x3 periferische en 2 axiale microtubuli voor.
fout
82
New cards
83. Bij ongeslachtelijke voortplanting door tweedeling bij protozoa gebeurt de deling steeds transversaal.
fout
83
New cards
84. Bij aseksuele voortplanting van de Protozoa gebeurt de deling steeds transversaal.
fout
84
New cards
85. De protozoa delen zich enkel transversaal.
fout
85
New cards
86. Bij schizogenie wordt een deling van de kern direct gevolgd door een deling van het cytoplasma
fout
86
New cards
87. Bij schizogenie deelt de cel zich na elke kerndeling
fout
87
New cards
88. Bij isogamie is er slechts een beperkt morfologisch verschil tussen mannelijke en vrouwelijke gameten.
fout
88
New cards
89. Bij geslachtelijke voortplanting door isogamie zijn de gameten morfologisch en fysiologisch niet van elkaar te onderscheiden
fout
89
New cards
90. Bij anisogamie is er slechts een beperkt morfologisch verschil tussen de 'mannelijke' en de 'vrouwelijke' gameten
beide gameten zijn beweeglijk
90
New cards
91. Bij haplonten gebeurt de reductiedeling voor zygotevorming
fout
91
New cards
92. Bij diplonten treedt de reductiedeling kort voor de zygotevorming op
juist
92
New cards
93. Bij een diplobionte ééncellige gaat de reductiedeling onmiddellijk de bevruchting vooraf
de meiose is dus zygotisch
93
New cards
94. Ciliophora zijn diplobionten gedurende het grootste deel van hun leven
de reductiedeling treedt kort voor de zygotevorming op
94
New cards
95. Volvox aureus is protandrisch hermafrodiet
juist
95
New cards
96. Doordat alle Euglenida zich uitsluitend autotroof voeden, worden ze gerangschikt bij de Fytoflagellata.
fout
96
New cards
97. Paraglycogeen is een reservestof die uitsluitend bij de Euglenida voorkomt
juist
97
New cards
98. Bij promastigote Crithidia ligt de blefaroplast voor de kern
fout
98
New cards
99. Bij de Leptomonas-vorm of promastigote vorm van de Kinetoplastida bevindt de blefaroplast zich net voor de kern
fout
99
New cards
100. Bij Crithidia-vorm of epimastigote vorm van de Kinetoplastida bevindt de blefaroplast zich net voor de kern
juist
100
New cards
101. Binnen de tseetseevlieg gaat Trypanosoma brucei gambiense over van Trypanosoma-vorm naar Crithidiavorm
dit laatste stadium is na ongeveer 24 dagen infectieus en wordt met het speeksel van de vlieg terug in de mens geïnjecteerd.