1/245
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
accueillir
verwelkomen
acheter
kopen
acquérir
verwerven
adorer
aanbidden
affranchir
frankeren
agir
handelen ; doen
aller
gaan
amener
meenemen
anéantir
vernietigen ; uitroeien
annoncer
aankondigen
apparaître
verschijnen
appartenir
toebehoren
appeler
noemen ; roepen
applaudir
Applaudisseren ; klappen
apprendre
Leren (niet studeren)
approfondir
verdiepen
appuyer
Duwen
arranger
Regelen ; sorteren
arriver
aankomen
atteindre
Bereiken (meerdere contexten)
Attendre
wachten
atterrir
landen
avancer
Vooruit gaan
avertir
verwittigen
avoir
hebben
battre/(se)battre
slaan/overwinnen; vechten
boire
Drinken
bouger
bewegen
changer
veranderen
chanter
zingen
charger
laden
choisir
kiezen
cliquer
klikken
commander
bestellen
commencer
beginnen
communiquer
communiceren
compléter
vervolledigen
comprendre
begrijpen
concevoir
ontwikkelen ; ontwerpen
conclure
besluiten
conduire
Besturen
confirmer
bevestigen
confondre
Verwarren
connaître
kennen
contenir
bevatten
convenir
Passen ; overeenkomen
convertir
omzetten
correspondre
Overeenkomen ; passen
corriger
verbeteren
courir
lopen
couvrir
bedekken
croire
geloven
croître
Groeien
cueillir
plukken
cuire
bakken
danser
dansen
découvrir
ontdekken
décrire
Beschrijven
défendre
Beschermen ; verbieden
démarrer
Starten ; beginnen
déménager
verhuizen
démolir
afbreken
déplacer
verzetten
déranger
storen
descendre
Afdalen ; naar beneden gaan/brengen
(se) détendre
ontspannen
détester
Haten
détruire
Vernietigen ; stuk maken
devenir
worden
devoir
moeten
dire
zeggen
disparaître
verdwijnen
divorcer
Uit het echt scheiden
dormir
slapen
échanger
uitwisselen
écouter
Luisteren
écrire
schrijven
emmener
meenemen
employer
gebruiken
encourager
aanmoedigen
enlever
Uitdoen ; wegnemen
ennuyer
vervelen
entendre
Horen (s'entendre avec qqn = goed overeenkomen)
entrer
Binnen komen / gaan
entretenir
onderhouden
envoyer
Verzenden ; sturen
espérer
hopen
essayer
proberen
essuyer
afdrogen
établir
opstellen
éteindre
doven
être
zijn
étudier
studeren
exagérer
overdrijven
exercer
uitoefenen
exiger
eisen
faire
Doen ; maken
falloir
Moeten (onpersoonlijk : alleen IL)
finir
Beïndigen ; stoppen
fixer
Vastmaken ; vastleggen