1/111
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
PRIME
prioriteitsgeneesmiddelen
geneesmiddelen voor ziektes waarvoor er nog niet veel zijn
biosimilars
kopieën van biologicals
generieke geneesmiddelen
kopieën van small molecules
golven in de farmaceutische geneeskunde
small molecules: symptomatisch, groot # screenen, zoeken naar diegene die effect had
→ off-target effecten / toxiciteit: hogere dosis binding aan andere targets
vb. statines
biologicals: gemaakt om op target te passen waardoor minder off-target effecten, ziekte modificeren
→ toxiciteit door binding aan target, allergische reacties, ALn aanmaken hiertegen waardoor activiteit daalt
vb. PCSK-9 inhibitor
genetische geneesmiddelen: behandelen/moduleren van onderliggende ziekte, gentherapie
→ duur
vb. ATMPs
levenscyclus van een geneesmiddel (geld)
vroeg: ontdekking en ontwikkeling, kost geld, duur is 10-15j
midden: op markt, verdient geld, hopelijk winst
laat: interesse in geneesmiddel daalt, inkomst daalt
kwaliteit standaarden en richtlijnen
GLP: good laboratory practice, hoe omgaan met labodieren
GCP: good clinical practice, hoe moet je een klinische studie doen
GMP: good manufacturing practice, hoe moet je geneesmiddelen vervaardigen zodat je data krijgt dat geaccepteerd wordt door de bevoegde autoriteiten
GDP: good documentation practice
waarin staan ethische standaarden
Nuremberg code en declaratie van Helsinki
taken management bij beslissing of je verder gaat met ontwikkeling van geneesmiddel
strategisch: is het wenselijk om dit te doen → onvervulde medische behoefte, opportuniteiten, al veel onderzoek naar
technisch/wetenschappelijk: kan het gedaan worden → zijn er modellen, gevalideerde targets, compounds, patenten
operationeel: kunnen wij het doen → personeel, expertise, kosten, faciliteiten
first-in-class
fast follower
best-in-class
me-too
first in class: target/ziekte waarvoor je eerste geneesmiddel vindt
fast follower: 2e/3e geneesmiddel voor target/ziekte
best-in-class: je geneesmiddel is beter (doeltreffendheid, minder neveneffecten)
me-too: een van de zovele compounds
non-clinical proxy vs. clinical situation
non-clinical proxy: preklinische situatie, voorspelling van de klinische situatie
clinical proxy: de realiteit
→ je probeert zo dicht mogelijk bij de 2e te geraken met het 1e, je maakt een model, maar alleen door het echt te gebruiken zie je hoe goed het is, je moet ervoor zorgen dat deze vertaling zo goed mogelijk is
doel bij ontdekking van geneesmiddelen
identificeren van farmaceutisch actieve moleculen waarvoor duidelijke indicaties zijn dat ze target zullen bereiken in het lichaam met genoeg hoeveelheden zodat ze gewenst effect uitoefenen zonder toxiciteit
→ non-clinical proxy vertaald naar clinical situation
heeft PDD een hoge voorspellende waarde
als gedeelde mechanistische basis er is tss:
construct validiteit: in preklinisch ziektemodel en humane pathofysiologie ontstaat ziekte op zelfde manier → zelfde mutatie veroorzaakt epilepsie bij mens en muis
fase validiteit: read-out van assay en eindpunt van ziekte moeten matchen → patiënt heeft zelfde fenotype als muis
vertaalbaarheid van non-clinical proxy naar clinical situation verbeteren
geen exogene stimuli gebruiken: geen proconvulsieve compound geven om epilepsie uit te lokken bij muizen
3D cellulaire modellen, co-culturen gebruiken want zijn complexer
moleculaire fenotypering: moleculaire karakteristieken mappen en deze gebruiken als fenotypische read-out
zebravis
primaire cellen en pluripotente stamcellen gebruiken
3 varianten van affiniteitschromatografie
vast fase elutie: compound verbonden aan beads, EW van interesse zal hieraan binden, maar ook EWn waarin we niet geïnteresseerd zijn kunnen aan compound binden, EWn geassocieerd met EW van interesse worden ook gedetecteerd
vergelijking variant: inactieve analoog van compound gebruiken, EW van interesse bindt niet maar EWn waarin we niet geïnteresseerd zijn kunnen wel binden
competitie variant: compound gebonden aan beads, maar in overvloed vrije compounds → EW van interesse bindt vooral aan vrije en wordt weggewassen, hiermee worden ook alle geassocieerde EWn weggewassen
fysicochemische karakteristieken van een ontdekte stof
= drug-alike, heeft stof goede eigenschappen om een geneesmiddel te zijn
→ stabiliteit, oplosbaarheid, molecuulgrootte, lipofiliteit
→ regel van 5: helpt met voorspellen van drug-alike eigenschappen, dit is geen voorspelling van de activiteit
< 5 waterstofdonoren (H-N, H-O)
< 10 waterstofacceptoren (N, O)
< 500 Mr
logP < 5
praktische aspecten van een net ontdekte stof
synthese: is het makkelijke om te maken
kosten: hoe duur is het
opschaalbaarheid: is het makkelijk om op te schalen, als je verder gaat in ontwikkeling dan heb je steeds meer stof nodig
focused libraries
hit to lead: verzameling van verwante moleculen, afgeleid van 1 hit, met systematische variaties → structuur-activiteitsrelatie bestuderen (SAR): stukje telkens veranderen en zien wat effect is op binding aan doelwit, selectiviteit/specificiteit, potentie
lead optimalisation: subtiele veranderingen aan moleculaire groepen om potentie te verhogen, metabole stabiliteit te verbeteren, oplosbaarheid te optimaliseren
CaCo-2 monolaag vs. PAMPA
CaCo-2 monolaag: compound aan apicale zijde plaatsen en kijken hvl er aan basolaterale zijde komt door het membraan
→ met cellen dus dichter bij realiteit, maar duurder
PAMPA: zelfde principe maar goedkoper want niet met echte cellen, stof aan donor kant, en kijken hoeveel in acceptor well
→ membraan is artificieel maar geïmpregneerd in oplossing van cholesterol en fosfolipiden in dodecanol waardoor meer biorelevant
samenstelling geneesmiddel
API = product dat farmaceutisch effect geeft
hulpstoffen = hebben geen farmacologisch effect
geneesmiddel product vs. geneesmiddel substantie
geneesmiddel product = alles dat wordt gegeven
geneesmiddel substantie = ander woord voor API
2 fases in farmaceutische ontwikkeling
preformulatie = farmaceutische profilering
→ fysicochemische karakterisatie van de API, ook in combinatie met mogelijke hulpstoffen
→ biofarmaceutische eigenschappen
drugability = kan actieve stof aangepast worden om aan patiënt te geven, formuleerbaarheid = kan er een formulatie gemaakt worden, manufactuureerbaarheid = is er een proces om dit geneesmiddel op grote schaal te maken
formulatie en proces ontwikkeling:
→ stabiele formulatie met optimale vrijlatingskarakteristieken voor de API
→ robuust productieproces
→ opschaling: labo-pilot-klinisch-productie
→ materie voor klinische, farmacokinetische en toxicologische studies
→ transfer van uiteindelijke formule en proces naar productieniveau
bepalen intrinsieke oplosbaarheid voor zuur en base
boor zuur bepaalt bij lage pH, voor base bij hoge pH
wat bepaalt de bindingssterkte
de intermoleculaire interacties tussen API en solvent
polariteit factor
indicatie over richting van transport
PF = 1: transport is gelijk naar beide kanten
PF < 1: meer transport naar basolaterale kant
PF > 1: meer transport naar apicale kant
matrix systeem, reservoir systeem en buccale tablet
reservoir systeem: API en hulpstoffen in kerntablet, errond een polymere coating = onoplosbare/langzaam oplossende/pH-afhankelijke coating → API diffundeert langzaam door de coating
matrix systeem: erodeerbaar of traag oplossende matrix, elke keer als dit verkleint komt een deel API vrij → er zijn hydrofiele (lossen traag op) en lipofiele matrixen (eroderen)
buccale tablet: bioadhesie via cross-linked polyacrylzuur
suspensie
homogene verdeling van een vast stof (interne fase) in een vloeistof (externe fase), API is gelijkmatig verdeeld in de vloeistof, hoe fijner de API, hoe beter ze verdeeld is
→ hulpstoffen:
bevochtigingsmiddel: vaste deeltjes mengen goed met vloeistof
viscositeitsverhogend middel: deeltjes mogen niet uitzakken
crèmes
waterfase, oliefase en interfase
= emulsie, want water en olie mengen van nature niet goed, 2 types:
water in olie: water is intern, olie is extern → waterdruppels verdeeld in oliefase, bv. nachtcrème
olie in water: olie is intern, water is extern → oliedruppels verdeeld in een waterfase, bv. dagcrème
+ emulsifier: verbetert stabiliteit, nestelen in interfase en zorgen ervoor dat druppels stabiel verdeeld blijven
zalf
niet hetzelfde als een crème, er zit geen water in
gel
systeem samengesteld uit een hydrofiele polymeer en een waterige fase → hydrofiele polymeer zwelt op en neemt veel water op
→ 3D netwerk gevormd, API positioneert zich in het polymere netwerk
TTS
hang je op je huid, zit een API in, API kan huid penetreren → API zit verdeeld in een vloeibare fase, membraanlaag die bepaalt hoeveel en hoe snel API vrijgegeven wordt aan de huid OF dispersie van API in een polymere matrix
→ types: micro reservoir controlled system, adhesive dispersion controlled system, membrane permeation controlled system, matrix diffusion controlled system
fysicochemische vereisten voor injecteerbare systemen
isotonie: zelfde osmotische druk als lichaamsvloeistoffen, anders hemolyse
isohydrie: pH rond 7
antioxidanten: bescherming tegen oxidatie
nano-sized drug delivery systems kunnen gebaseerd zijn op
monoclonale ALn: altijd verbinden aan een linker, nooit direct aan geneesmiddel
radioliganden: therapie of beeldvorming
oplosbare polymere dragers: PEG, PGA, HPMA
deeltjesdragers:
- polymere micellen: hydrofoob en hydrofiel deel, hydrofobe geneesmiddel ingekapseld in waterige omgeving
- polymere nanopartikels: geneesmiddel is ingekapseld
- dendrimeren: generaties, van binnen naar buiten
- liposomen: fosfolipiden, gesloten bolvormige blaasjes → conventionele, stealth, ligand targeted, multifunctionele
→ geneesmiddel is chemisch (covalent) / fysisch (ingekapseld) verboden aan de drager
Wat moet je indienen en waar voor toestemming voor FIH testen
CTA indienen in CTIS:
protocol, bevat:
→ objectieven en hypotheses
→ eindpunten: fase 1 = biomarkers, fase 2 = surrogaten, fase 3 = klinische eindpunten
→ design van de proef
→ interventie
→ populatie
→ statistische consideraties
investigators brochure: alle preklinische info, obv dit moet je genoeg vertrouwen hebben om van dieren naar mensen te gaan
aangeraden duur toxiciteitsstudie in dieren, zodat genoeg info om naar mensen te gaan
2w klinische proef → 2w in knaagdieren / niet-knaagdieren
2w-6m klinische proef → even lang als klinische proef in knaagdieren / niet-knaagdieren
>6m klinische proef → 6m in knaagdieren / 9m in niet-knaagdieren
nodig in de niet-klinische ontwikkeling
toxicokinetische studies: bloed nemen en testen op farmacokinetiek en toxische effecten
→ toxiciteitsstudies: enkelvoudige/herhalende dosis → NOAEL
→ farmacokinetiek
veiligheidsfarmacologie: effecten op CV, CZS en ademhalingswegen
genotoxiciteit
lokale tolerantie studies
mag je doen, maar niet vereist in de preklinische ontwikkeling
kankerverwekkendheid
DART = development and reproductive toxiciteit → kijken naar effecten op fertiliteit en embryo
NOEL en NOAEL
NOEL = no observed effect level: geen pos en geen neg effect, hele lage dosis
NOAEL = no observed adverse effect level: tot conc waarbij je geen negatieve effecten hebt
→ tussen de 2 ligt het therapeutisch venster
MABEL
minimal anticipated biological effect level → minimale dosis nodig om een biologisch effect te krijgen
→ extra bij MRSD aanpak: dosis verlagen gebaseerd op farmacologisch effect van de stof → laagste PAD (pharmacology active dose)
design van fase 1 studies
SAD: 1 dosis telkens testen, als alles goed gaat kan je een dosis verhogen → in vastende staat (evt eens testen in interactie met eten)
MAD: alles SAD goed gaan, kan je MAD doen → steady state bepalen
→ uiteindelijk bekom je een dosis die je kan testen in kleinte patiëntpopulatie (fase 1b, 2a)
placebo vs. nocebo effect
placebo: patiënten verwachten een voordelig effect en krijgen dit ook, dus geen effect van geneesmiddel, positieve verwachten resulteren in een positief effect
nocebo: gezonde vrijwilligers verwachten geen verbetering in hun gezondheid, maar je verwacht wel ongewenste effecten, negatieve verwachtingen resulteren in een negatief effect
PoP of PoC proeven
target valideren, voor eerste keer studie doen om te tonen dat dit target bruikbaar is
verkennende fase vs. bevestigende fase
verkennend = vroege ontwikkeling: molecule leren kennen, potentieel leren kennen, vertrouwen krijgen in molecule
bevestigend = late ontwikkeling: veiligheid en werkzaamheid testen in grote groep, statistische significantie aantonen
types van controles
geen behandeling: 5mg vs. niets
placebo: 5mg vs. placebo
actief: 5mg vs. bestaande behandeling
dosis-respons: 5mg vs. 10mg
extern (historisch): 5mg vs. gegevens van eerdere patiënten
wanneer mag je placebo gebruiken
er is geen bewezen behandeling
als risico minimaal is, en schade reversibel
seeding proef
pseudo-klinische proef ontworpen door een farmaceutisch bedrijf om gebruik van een product te promoten dat recent goedgekeurd werd → lijkt alsof het een wetenschappelijk vraag beantwoord maar heeft eigenlijk een marketing doel, willen dat artsen geneesmiddel ook gebruiken buiten de proef
allometrie
beschrijft hoe karakteristieken van levende wezens veranderen met grootte (niet gelijk aan het gewicht)
→ interacties tussen metabolisme, gewicht en lengte
dosering van neonaten - kinderen: lineair of niet?
pasgeborene: 5% van volwassene
na 1e levensjaar: ¼ van volwassene
na 10j: ½ van volwassene
verandering is dus niet-lineair
gezegde over kinderen
kinderen worden geboren als grote immature muizen en worden kleine mature olifanten → ze worden zwaarder en meer matuur (enzymatische activiteit)
→ eenmaal enzymatische activiteit hetzelfde is dan is allometrie betrokken, kinderen hebben proportioneel hogere dosissen nodig mg/kg
ontwikkelingsfarmacogenetica
polymorfismen = individuele genotypes voor enzymen of receptoren
pediatrische regulatie
gezondheid van kinderen in Europa verbeteren:
→ DOOR ontwikkeling van geneesmiddelen te verbeteren, zorgen dat ze van goeie kwaliteit zijn, juist geautoriseerd zijn, ethisch onderzocht zijn en zorgen dat info over gebruik van geneesmiddelen in kinderen makkelijk bereikbaar is
→ ZONDER onnodige klinische proeven in kinderen, autorisatie van geneesmiddelen in volwassene te vertragen
teratologie
geneesmiddel dat zorgt voor neveneffecten bij foetus, ernst hangt af van tijdstip van blootstelling in de zwangerschap:
vroeg: miskraam, ernstige misvormingen
later: functionele-, gedragsstoornissen
foetotoxische geneesmiddelen
elk geneesmiddel dat een negatief effect heeft op de ontwikkeling/gezondheid van het ongeboren kind
neuroteratologie
geneesmiddelen met gedrag/neurocognitieve negatieve effecten bij het ongeboren kind, dus niet perse met anatomische veranderingen
chronische nierziekte
aanwezigheid van nierschade of reductie in GFR voor periode van 3 maanden of meer → verminderde renale klaring, maar ook veranderde absorptie, transport, metabolisme en distributie
leverziekte
= AKI + DILI, maar ook effect op andere zaken:
verlaagt klaring van geneesmiddelen geëlimineerd door levermetabolisme of biliaire excretie
portale-systemische shunting: verlaagt pre-systemische klaring = first-pass effect waardoor hogere biologische beschikbaarheid
perfusie-gelimiteerd model en permeabiliteit-gelimiteerd model
hoe geraakt een stof in het weefsel
perfusie-gelimiteerd: bloedstroom is snelheidsbeperkende stap, geneesmiddel gaat makkelijk van plasma naar weefsel omdat capillaire gefenetreerd zijn
→ Kp = partitiecoëfficiënt, ratio van conc van het geneesmiddel in het weefsel op conc in het plasma → als in evenwicht dan gaat er evenveel geneesmiddel in en uit het weefsel, als geneesmiddel accumuleert in weefsel dan is Kp hoog
permeabiliteit-gelimiteerd: er is een beschermingslaag
→ Kp tussen plasma en interstitiële ruimte
→ PS voor beschermingslaag: opname en klaring, hoe snel kan een stof door de membraan (bv. BBB)
2 belangrijke toepassingen van PBPK
voorspellen van impact van intrinsieke fysiologische veranderingen op de farmacokinetiek: leverfunctiestoornis, nierfunctiestoornis, pediatrie, zwangerschap, …
voorspellen van impact van extrinsieke factoren op farmacokinetiek: formulering, voeding, …
PBPK modellering in kinderen
model maken voor volwassene
model evalueren met onafhankelijke data → als het goed is kan je naar volgende, anders moet je opnieuw evalueren
model ombouwen voor kinderen = pediatrisch model
evaluatie van pediatrisch model
EPAR
beoordelingsrapport, publiek rapport over het geneesmiddel dat is goedgekeurd door EMA
inductie-deductie
inductie: je leert van je ervaring
deductie: bevestigen van hetgeen je geleerd hebt
kennis gebaseerde modellen vs. data gedreven modellen
kennis gebaseerd: gebouwd op overtuigingen, in de vroege fase van de ontwikkeling
data gedreven: gebouwd op data, in de late ontwikkeling
empirisme, pragmatisme en rationalisme
empirisme = observaties, objectief = gebaseerd op feiten, ervaringen zijn bron van kennis, geloof in feiten/tabula rasa (individuen hebben geen aangeboren kennis, alles komt van ervaring), geen aannames, start bij experimenteren, inductie
pragmatisme = datagedreven, (semi-)mechanistische voorspellende modellering
rationalisme = hypotheses, redeneren is bron van kennis, geloof in intuïtie, aannames, deductie, start van wiskunde, subjectief = gebaseerd op redenering
top-down model en bottom-up model
top-down: van abstract naar compleet, je start met klinische data en ontwikkelt model, PMX, fenomenologisch, datagedreven, pragmatisch, data-gebaseerd, klinische ontwikkeling van geneesmiddelen
bottom-up: van concreet naar abstract, gebaseerd op kennis biochemische processen en fysiologie, kennis gebaseerd, rationalistisch, preklinische ontwikkeling van geneesmiddelen, QSP, PBPK
sleutelelementen van MIDD
wiskundige, statistische modellering
veel kennis integreren
simulaties doen voor voorspellingen
extrapoleren: model maken van 10mg en dan berekenen voor 15mg
efficiënt: snel, goedkoop, beter
geïnformeerde besluitvorming
10 principes van de Nuremberg code
vrijwillige toestemming
resultaten ten goede van de maatschappij, bruikbaar
gebaseerd op voorafgaande experimenten, bv. in dieren
geen onnodig fysiek en mentaal lijden of letsels aanbrengen
het risico moet overwogen zijn
arts mag zelf niet deelnemen
adequate faciliteiten
gekwalificeerd personeel
subjecten mogen vrijwillig stoppen
proef kan ten allen tijde stopgezet worden
werkingsmechanismen van ALn
ALn die oplosbare liganden of receptoren blokkeren of activeren
AL-afhankelijke cellulaire toxiciteit (ADCC): AL bindt aan target en rekruteert NK-cellen die cel afbreken
complement afhankelijke cytotoxiciteit (CDC): AL bindt aan target waardoor complement pathway wordt geactiveerd → complex gevormd en target cel gaat in apoptose
geconjugeerde ALn: gebonden aan bv. DNA beschadigend deel, AL bindt en DNA beschadigend deel kan dan zijn werk doen
farmacokinetiek van ALn
absorptie: IV, SC en IM
→ IM en SC gaan naar lymfatisch stelsel, waar absorptie trager is
→ SC heeft oplosbaarheidsproblemen, waardoor minder injecteren dan bij IV
distributie: passieve diffusie (niet ideaal door grootte) + convectie + transcytose
→ convectie = ALn gaan mee met plasmavloeistof van capillairen naar interstitiële ruimte, gedreven door de druk gradiënt
metabolisme en excretie: ALn worden gedegradeerd tot AZn en peptiden die gebruikt kunnen worden voor de novo synthese
→ reticulo-endotheliaal systeem (RES) = natuurlijke route: fagocytose, AL wordt geïnternaliseerd en gedegradeerd in lysosomen
→ niet specifieke pinocytose/endocytose: cellen kunnen ALn random opnemen via kleine blaasjes waarna deze gedegradeerd worden in lysosomen → FcRn kan IGs beschermen door te binden aan Fc receptor en AL terug in circulatie te brengen
→ target gemedieerde eliminatie = specifieke route: AL bindt op doelwit en wordt dan geïnternaliseerd en afgebroken
wat heeft invloed op metabolisme en excretie
target oplosbaar dan is natuurlijk wijze het belangrijkst, target op weefsel dan is specifieke wijze het belangrijkst
concentratie: target-gemedieerd is niet lineair, kan verzadigen, dus eliminatie kan initieel snel gaan, maar neemt af als target verzadigd, dan helpt natuurlijk wijze
halfwaardetijd: FcRn verhoogt dit, als het bindt aan target verlaagt dit, bij hogere conc kan dit verhogen
concentratie AL op plek van werking hangt af van
perfusie van het weefsel
vaatdoorlaatbaarheid
aanwezigheid van doelwit
turnover
→ veel variatie in PK tss species, tss patiënten, binnen patiënten
welke zorgen bij veiligheid van een AL
interacties tussen geneesmiddelen: bv. tocilizumab verhoogt expressie van CYP3A4 waardoor plasma conc van simvastatine daalt omdat het een CYP3A4 substraat is
immunogeniciteit = vorming AGn tegen het AL, hoe meer menselijk het AL, hoe minder kans
→ infusie-gerelateerde reacties: IgE-gemedieerd = allergische reactie (bij 2e toediening), niet IgE-gemedieerd = bij 1e toediening
→ anti-drug AG (ADA): bindende = interfereren niet maar knn impact hebben op activiteit, neutraliserende = interfereren met binding van therapeutisch AL aan AG waardoor minder activiteit
infecties
preklinische studies voor ontwikkeling van een vaccin
immunogeniciteitstudies
toxiciteit- en veiligheidstudies
proof-of-concept
vaccin voor kinderen/ouderen ontwikkelen
fase 1 studie is altijd in gezonde volwassenen → nadien aanpassen:
kinderen: dosis verlagen
ouderen: adjuvant toevoegen om immuunrespons te boosten
neutraliserende titer
hoe hoger dit is, hoe sterker je serum → hoge neutraliserende titer zijn sterk neutraliserende ALn en meer ALn, dus kunnen meer verdunt worden tegen dat AL niet meer werkt
therapeutische vaccins
vaccins gegeven nadat ziekte/infectie al gestart is, immuunrespons activeren om ziekte in stand te houden
moleculair-gebaseerde vaccins: neo-AGn/EWn gebruikt om immuunsysteem direct te activeren = EW/peptide vaccin, DNA vaccin, mRNA vaccin
vector-gebaseerde vaccins: natuurlijk of genetisch ontworpen, gebruiken om AG tot expressie te brengen → bacteriële vector vaccin, virus vector vaccin, gist-gebaseerde vaccin
cel-gebaseerde vaccins: dendritische cellen/genetisch gemodificeerde cellen gebruiken om AG te leveren/tot expressie te brengen
neo-AG
wordt alleen tot expressie gebracht door tumorcellen en niet door gezonde cellen van de patiënt
2 Europese wegen voor registratie van geneesmiddelen
centrale procedure: 1 aanvraag, 1 handelsvergunning voor in heel de EU
MRP = je hebt al een aanvraag in 1 land en wilt in andere landen ook een of DCP = je hebt nog geen aanvraag, maar wilt in meerdere landen
→ telkens een RMS die beoordeling uitvoert
SAWP
= scientific advice working party
→ geven advies over klinische, preklinische en kwaliteitsproblemen, ondersteunt bedrijven, functioneert met nationale agentschappen en hun interne en externe experts
wanneer EPAR
gepubliceerd voor elk dierlijk/menselijk geneesmiddel dat goedgekeurd/geweigerd werd voor markt autorisatie, geeft info over een geneesmiddel en de beoordeling door EMA
→ publieksvriendelijk
criteria om te kwalificeren voor de aanwijzing van een weesgeneesmiddel
zorgt voor diagnose, preventie of behandeling van een ziekte dat levensgevaarlijk is of chronisch invaliderend
prevalentie is niet meer dan 5/10000 in EU, of er zal niet genoeg rendement zijn om de ontwikkeling van het geneesmiddel te rechtvaardigen
er is geen behandeling, diagnose, preventie die goedgekeurd kan worden, of het geneesmiddel moet een groot voordeel leveren voor de personen die aan de ziekte lijden
weesgeneesmiddel
geneesmiddel dat zorgt voor behandeling, preventie of diagnose van een levensgevaarlijke of chronisch invaliderende ziekte dat zeldzaam genoeg is (<5/10000) of dat het waarschijnlijk niet genoeg rendement zal opleveren om te onderzoeks- en ontwikkelingskosten te rechtvaardigen
goedkeuring AT
= gentherapie, celtherapie, weefsel engineering
→ geen MA zonder voorafgaande goedkeuring, speciale vereisten voor kwaliteit, werkzaamheid en veiligheid
→ goedkeuring door CAT
RMP
= risk management plan
geheel van farmacovigilantie activiteiten en interventies die ontworpen zijn om risico’s omtrent het geneesmiddel te identificeren, karakteriseren, voorkomen of te minimaliseren, inclusief de beoordeling van de effectiviteit van die interventies
→ risico reductie, maar toename in voordelen ook overwegen als mogelijk
tijdelijke correlatie vs. causaliteit (bv hond en konijn)
tijdelijke correlatie: hond en konijn zijn op hetzelfde moment aan het lopen, zonder beoordeling
causaliteit: hond zit het konijn achterna, met beoordeling
SUSAR
= suspected unexpected serious adverse reaction: ernstig neveneffect waarvan ernst/aard niet overeenkomt met informatie gekend over het geneesmiddel
AESI
= adverse event of special interest: specifieke neveneffecten die verwacht kunnen worden bij een klinische proef en serieus kunnen zijn
→ hiervan wil je al vroeg op de hoogte zijn
rapporteren in EVMPD + waarom op Europees level
centrale Europese databank die individuele ADRs documenteert, opgevolgd door EMA:
serieuze ADRs moeten binnen 15d gedocumenteerd worden
niet-serieuze ADRs moeten ook gedocumenteerd worden maar geen tijdslimiet
waarom:
breedschalige DB
meer informatie
betere herkenning van ADRs
alle lidstaten op hetzelfde moment geïnformeerd
meer homogeniteit
vergelijking tussen lidstaten is mogelijk
documentatie van PSUR
in eerste 2j: elke 6m
3e en 4e jaar: elk jaar
erna: om de 3j
→ bedrijf moet het direct kunnen geven aan EMA als ze het nodig hebben
→ beoordeeld door CHMP bij EMA: 1 beoordelingsrapport, discussie over veranderingen in voordeel/risico verhouding, potentiële acties die bedrijf moet ondernemen
risk management plan
bevat overzicht van alle acties die ondernomen kunnen worden om risico’s gerelateerd aan het geneesmiddel te identificeren, karakteriseren, voorkomen en te verminderen, communiceren en onderwijzen van de HCPs en patiënten
→ verantwoordelijkheid van de qualified person (QP)
2 delen:
overzicht van het veiligheidsprofiel en farmacovigilantie plan
beschrijving of het nodig is om acties te ondernemen om potentiële veiligheidsrisico’s te beperken, als nodig dient het bedrijf een risico minimalisatie plan in
post-autorisatie veiligheidsstudie (PASS)
farmaco-epidemiologische studie/klinische proef met een geregistreerd geneesmiddel om veiligheidsrisico’s verbonden aan het geneesmiddel te identificeren, karakteriseren of kwantificeren of om voordeel/risico profiel te bevestigen
de geneesmiddelenwet: wat is een geneesmiddel?
elke unieke/samengestelde substantie, gepresenteerd met therapeutische/profylactische eigenschappen voor menselijke ziekten
gepresenteerd: elke substantie dat gepresenteerd wordt op deze manier = geneesmiddel, ook al geen therapeutische/profylactische eigenschappen
substantie: van menselijke herkomst, van dierlijke herkomst, van planten afgeleid, chemische herkomst
elke unieke/samengestelde substantie die toegediend kan worden aan mensen om fysiologische functies te herstellen, of om deze functies te verbeteren/veranderen door immunologisch, farmacologisch of metabolisch effect, of om een medische diagnose te stellen
acties van geneesmiddelen
causale actie: werkt in op de onderliggende etiologie van de ziekte
profylactische actie: voorkomen van de ontwikkeling van de ziekte
symptomatische actie: verbeteren van de symptomen zonder effect op de onderliggende oorzaak
substitutie: vervanging van hormonen
placebo
nomenclatuur geneesmiddelen
chemische naam: gebaseerd op moleculaire structuur van de actieve stof
stofnaam / INN: gekozen door WHO, internationaal geaccepteerd
specialiteitsnaam: merknaam
classificatie van geneesmiddelen + voordelen van dit systeem
ATCC = anatomic therapeutic chemical classification
→ 5 levels, per level wordt er steeds meer gedetailleerd gegaan op locatie, werkingsmechanisme, chemische structuur, … → uiteindelijk eindig je met INN met DDD
voordelen: uniform systeem, vergelijken tussen landen, variaties bv. in formulaties eruit halen
gevaar bij specialiteitsnamen van geneesmiddelen
LASA = look-alike en sound-alike
look-alike: geneesmiddelen lijken op elkaar via schrijfwijze
sound-alike: uitspraak klinkt gelijkaardig
→ zorgen voor fouten en verwarring en medische fouten
kwaliteitsstandaarden voor geneesmiddelen
product moet voldoen aan standaarden van Belgische/Europese Pharmacopeia = standaarden voor analyse van geneesmiddelen om te bewijzen dat geneesmiddel bevat wat je zegt dat het bevat
→ in monografie zijn legale standaarden samengevat omtrent farmaceutische analyse, technieken die gebruikt moeten worden in de analyse van geneesmiddelen
ex tempore bereiding
magistrale bereiding, compounding: bereiden van een geneesmiddel in apotheek volgens een vooraf vastgesteld recept voor een individuele patiënt, kan:
individueel, ad hoc obv noden van de patiënt
gestandaardiseerd recept voor bepaalde populatie, niet commercieel verkrijgbaar
gebruiksklaar preparaat obv verschillende commercieel verkrijgbare geneesmiddelen
→ voorschrift en recept = arts, voorbereiding en distributie = apotheker
manieren van voorschrijven
op specialiteitsnaam → apotheker moet dit voorschrijven
op stofnaam = VOS → moet voor AB en antifungale middelen, apotheker moet dan kijken welke het goedkoopst is
info nodig om een geneesmiddel te kunnen geven
geneesmiddel
dosis
formulering
route van administratie
tijd van administratie
duur
meerdere geneesmiddelen: interacties en beheer van administratie
Vestigingswet
gaat over maximaal aantal toegelaten apotheken, er moet een minimumafstand zijn tussen apotheken → gaat over publieke apotheken
voorwaarden en nadelen voor import van geneesmiddelen uit een ander land
voorwaarden:
geneesmiddel is niet geregistreerd op de Belgische markt
geneesmiddel moet geregistreerd zijn in het land waar je het wilt kopen
als het teruggetrokken is geweest van de Belgische markt kan je het niet kopen
nadelen:
bedrijf kan vragen wat die wilt
patiënt moet volledig betalen, want geen terugbetaling