1/145
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced |
---|
No study sessions yet.
bakken, bakte, gebakken (hebben)
piec
barsten, barstte, gebarsten (zijn)
pękać
bedragen, bedroeg, bedragen (hebben)
wynosić
bedriegen, bedroog, bedrogen (hebben)
oszukać
beginnen, begon, begonnen (zijn)
zaczynać
begrijpen, begreep, begrepen (hebben)
rozumieć
bevallen, beviel, bevallen (zijn)
cieszyć
bevelen, beval/bevalen, bevolen (hebben)
rozkazywać
bewegen, bewoog, bewogen (hebben)
ruszać
bezoeken, bezocht, bezochten (hebben)
odwiedzać
bidden, bad/baden, gebeden
modlić się
bieden, bood, geboden (hebben)
oferować
bijten, beet, gebeten (hebben)
gryźć
binden, bond, gebonden (hebben)
wiązać
blazen, blies/bliezen, geblazen (hebben)
dmuchać1
blijken, bleek, gebleken (zijn)
okazać się
blijven, bleef/bleven, gebleven (zijn)
zostać
braden, braadde, gebraden (hebben)
smażyć
breken, brak/braken, gebroken (zijn/hebben)
łamać
brengen, bracht, gebracht (hebben)
przynieść
buigen, boog, gebogen (hebben)
zgiąć
denken, dacht, gedacht (hebben)
mysleć
doen, deed, gedaan (hebben)
robić
dragen, droeg, gedragen (hebben)
nosić
drijven, dreef/dreven, gedreven (zijn/hebben)
jeździć
drinken, dronk, gedronken (hebben)
pić
duiken, dook, gedoken (zijn/hebben)
nurkować
durven, durfde/dorst, gedurfd (hebben)
odważyć się
dwingen, dwong, gedwongen (hebben)
zmuszać
ervaren, ervoer/ervaarde, ervaren (hebben)
doświadczyć
eten, at/aten, gegeten (hebben)
jeść
fluiten, floot, gefloten (hebben)
gwizdać
gaan, ging, gegaan (zijn)
iść
gelden, gold, gegolden (hebben)
dotyczyć
genezen, genas/genazen, genezen (zijn/hebben)
wyzdrowieć
genieten, genoot, genoten (hebben)
rozkoszować się
geven, gaf/gaven, gegeven (hebben)
dawać
gieten, goot, gegoten (hebben)
lać
glijden, gleed, gegleden (zijn/hebben)
ślizgać się
grijpen, greep, gegrepen (hebben)
chwycić
hangen, hing, gehangen (hebben)
wisieć
hebben, had, gehad (hebben)
mieć
helpen, hielp, geholpen (hebben)
pomagać
heten, heette, geheten (hebben)
nazywać się
houden, hield, gehouden (hebben)
trzymać
kiezen, koos/kozen, gekozen (hebben)
wybierać
kijken, keek, gekeken (hebben)
patrzeć
klimmen, klom, geklommen (zijn/hebben)
wspinać się
klinken, klonk, geklonken (hebben)
brzmieć
komen, kwam/kwamen, gekomen (zijn/hebben)
przychodzić
kopen, kocht, gekocht (hebben)
kupować
krijgen, kreeg, gekregen (hebben)
dostać
krimpen, kromp, gekrompen (zijn)
zmniejszać/kurczyć się
kruipen, kroop, gekropen (zijn/hebben)
pełzać/czołgać się
kunnen, kon/konden, gekund (hebben)
móc, potrafić
lachen, lachte, gelachen (hebben)
smiać się
laden, laddee, geladen (hebben)
ładować
laten, liet, gelaten (hebben)
pozwolić
lezen, las/lazen, gelezen (hebben)
czytać
liegen, loog, gelogen (hebben)
kłamać
liggen, lag/lagen, gelegen (hebben)
leżeć
lijden, leed, geleden (hebben)
cierpieć
lijken, leek, geleken (hebben)
wydawać się
lopen, liep, gelopen (zijn/hebben)
chodzić
malen, maalde, gemalen (hebben)
mielić
meten, mat/maten, gemeten (hebben)
mierzyć
moeten, moest, gemoeten (hebben)
musieć
mogen, mocht, gemogen (hebben)
mieć pozwolenie
nemen, nam/namen, genomen (hebben)
wziąć
ontwerpen, ontwierp, ontworpen (hebben)
planować/projektować
opschieten, schoot op, opgeschoten (zijn/hebben)
pośpieszyć się
opwinden (zich), wond op, opgewonden (hebben)
podniecać, napinać
overlijden, overleed, overleden (zijn)
umierać
vreten, vrat/vraten, gevreten (hebben)
jeść, pożerać
vriezen, vroor, gevrozen (hebben)
zamarznąć
wassen, waste, gewassen (hebben)
myć
wegen, woog, gewogen (hebben)
ważyć
weten, wist, geweten (hebben)
wiedzieć
wijzen, wees/wezen, gewezen (hebben)
pokazywać
willen, wilde/wou/wouden, gewild (hebben)
chcieć
winnen, won, gewonnen (hebben)
wygrywać
worden, werd, geworden (zijn)
stawac, zostawac
zeggen, zei/zeiden, gezegd (hebben)
mówić
zenden, zond, gezonden (hebben)
wysyłać
zien, zag/zagen, gezien (hebben)
widzieć
zijn, was/waren, geweest (zijn)
być
zingen, zong, gezongen (hebben)
śpiewać
zinken, zonk, gezonken (zijn)
topić1
zitten, zat/zaten, gezeten (hebben)
siedzieć
zoeken, zocht, gezocht (hebben)
szukać
zouten, zoutte, gezouten (hebben)
solić
zuigen, zoog, gezogen (hebben)
ssać
zuipen, zoop, gezopen (hebben)
pić
zullen, zou/zouden
chciec, wola
zwellen, zwol, gezwollen (zijn)
puchnąć
zwemmen, zwom, gezwommen (zijn/hebben)
pływać
zwijgen, zweeg, gezwegen (hebben)
milczeć
staan, stond, gestaan (hebben)
stać
steken, stak/staken, gestoken (hebben)
ukłuć
stelen, stal/stalen,gestolen (hebben)
ukraść